ECLI:NL:RBOVE:2019:949

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 maart 2019
Publicatiedatum
20 maart 2019
Zaaknummer
229011 KGRK 19-95
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een wrakingsverzoek in een strafzaak met betrekking tot witwassen

In de zaak van verzoekster, die samen met een medeverdachte wordt verdacht van witwassen, heeft de wrakingskamer van de Rechtbank Overijssel op 12 maart 2019 het verzoek tot wraking van de meervoudige strafkamer afgewezen. Het wrakingsverzoek volgde op een openbare terechtzitting op 12 februari 2019, waar de meervoudige strafkamer, bestaande uit mrs. H.R. Schimmel, S. Taalman en B.T.C. Jordaans, de afwijzing van getuigenverzoeken van verzoekster had gemotiveerd. De advocaat van verzoekster stelde dat deze afwijzing onbegrijpelijk was en dat de meervoudige strafkamer daardoor vooringenomen was. De wrakingskamer oordeelde dat de vrees voor partijdigheid niet objectief gerechtvaardigd was, aangezien de meervoudige strafkamer nog niet inhoudelijk had geoordeeld over de zaak en er ruimte was voor verdere uitleg van de verdachte.

De wrakingskamer benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die dit tegenspreken. De gronden van verzoekster waren voornamelijk gericht tegen de beslissing van de meervoudige strafkamer om de getuigenverzoeken af te wijzen. De wrakingskamer concludeerde dat de bewoordingen van de meervoudige strafkamer niet als blijk van vooringenomenheid konden worden opgevat, en dat de mogelijkheid voor verzoekster om haar verklaring verder toe te lichten nog steeds bestond. Daarom werd het verzoek tot wraking afgewezen, en er werd geen rechtsmiddel tegen deze beslissing open gesteld.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: 229011 KGRK 19-95
Beslissing van 12 maart 2019
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster tot wraking,
advocaat mr. S. Plas te Amsterdam,

1.De procedure

1.1.
In de strafzaak tegen verzoeker onder parketnummer 08/960048-18 heeft op
12 februari 2019 een openbare terechtzitting plaatsgevonden, alwaar mrs. H.R. Schimmel,
S. Taalman en B.T.C. Jordaans (hierna: de meervoudige strafkamer) zitting hadden.
1.2.
Bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting heeft de advocaat van verzoeker (namens verzoeker) een mondeling verzoek tot wraking van de meervoudige strafkamer gedaan, zoals blijkt uit het proces-verbaal van het wrakingsverzoek van
12 februari 2019.
1.3.
Geen van de leden van de meervoudige strafkamer heeft berust in de wraking.
1.4.
Het wrakingsverzoek van verzoekster is op 26 februari 2019 in het openbaar behandeld.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- de advocaat van verzoekster en
- mr. E. van Doorn, officier van justitie.
De leden van de meervoudige strafkamer zijn, met kennisgeving vooraf, niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
Verzoekster wordt, samen met [naam] , verdacht van witwassen. De wrakingskamer stelt vast dat (zoals van de zijde van verzoekster ter zitting ook is toegelicht) door het Gerechtshof Amsterdam een stappenplan is ontwikkeld dat in de jurisprudentie als uitgangspunt wordt gehanteerd voor de toetsing van witwasverdenkingen zonder bekend gronddelict. Door de advocaat van verzoekster is dit stappenplan als volgt weergegeven:
Stap 1: allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen;
Stap 2: indien daarvan sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen;
Stap 3: een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn;
Stap 4: zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen;
Stap 5: uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
2.2.
Verzoekster heeft voorafgaand aan de zitting van 12 februari 2019 bij de meervoudige strafkamer een verzoek neergelegd tot het horen van een drietal getuigen. Dit verzoek is door haar advocaat bij aanvang van de zitting toegelicht. De meervoudige strafkamer heeft het verzoek afgewezen onder de volgende motivering:
“De rechtbank heeft nagedacht over de onderzoekswensen van de beide verdachten en de daaraan gekoppelde aanhoudingsverzoeken en de rechtbank gaat deze niet toewijzen. We hebben het er uitgebreid over gehad, en er natuurlijk ook van tevoren over nagedacht. Verdachten hebben op een laat moment verklaringen afgelegd. Er wordt wel gekeken naar het verdedigingsbelang, maar ook in het verdedigingsbelang ziet de rechtbank geen aanleiding om getuigen te gaan horen die het niet vertelde verhaal door verdachte, zoals de officier van justitie dat uitdrukte, zouden moeten gaan vertellen, dus de rechtbank ziet aanleiding om gewoon door te gaan met de zaken.”

3.Het wrakingsverzoek

3.1.
Volgens de advocaat van verzoekster is de afwijzing van de getuigenverzoeken dermate onbegrijpelijk, dat het niet anders kan zijn dan dat de meervoudige strafkamer vooringenomen is. Zij meent dat verzoekster wel degelijk een verhaal heeft verteld. Daartoe heeft zij – samengevat – aangevoerd dat de meervoudige strafkamer, door te spreken van een “niet-verteld” verhaal, vooruitloopt op de beslissing over hoe de verklaring van verzoekster zal worden beoordeeld. Op grond van het stappenplan witwassen zal beoordeeld moeten worden of verzoekster over de herkomst van het aangetroffen geld een min of meer verifieerbare verklaring heeft afgelegd die niet op voorhand onwaarschijnlijk is. Met de afwijzing van de getuigenverzoeken onder de motivering dat sprake is van een niet-verteld verhaal, ziet de advocaat van verzoekster niet in hoe de meervoudige strafkamer, bij afwezigheid van verzoekster ter zitting, alsnog tot een ander oordeel zou kunnen komen en de door verzoekster afgelegde verklaring alsnog concreet zou kunnen achten.
3.2.
Ter zitting van de wrakingskamer is het wrakingsverzoek van de zijde van verzoekster toegelicht. In dat kader is – kort weergegeven – aangevoerd dat de meervoudige strafkamer, door te spreken van een “niet-verteld verhaal door de verdachte”, reeds een inhoudelijk oordeel geeft over de (plausibiliteit van de) verklaring van verzoekster over de herkomst van de geldbedragen. Volgens de advocaat van verzoekster geeft de rechtbank met deze bewoordingen aan dat de verklaring van verzoekster in haar ogen geen verklaring is die ook maar enigszins plausibel, laat staan concreet en min of meer verifieerbaar, te noemen is.
Nu het feitelijk niet mogelijk was dat de meervoudige strafkamer nog van mening zou veranderen over de verklaring van verzoekster over de herkomst van de geldbedragen, was een veroordeling van witwassen van de betreffende geldbedragen gelet op de bewoordingen van de rechtbank een gegeven.

4.Het standpunt van de meervoudige strafkamer

4.1.
Mr. Jordaans heeft op 21 februari 2019 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. Hij stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de omstandigheid dat de rechtbank in de motivering van de afwijzing van de getuigenverzoeken de door de officier van justitie gebruikte woorden “het niet door verdachte vertelde verhaal” heeft herhaald, geen blijk geeft van vooringenomenheid. Sterker nog, dit impliceert volgens hem dat de verdachte de voor de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering van belang zijnde vragen nog kan beantwoorden. Dat is immers ook het doel van behandeling ter terechtzitting, waar de rechtbank, officier van justitie en raadslieden vragen kunnen stellen aan verdachten, aldus mr. Jordaans.
4.2.
Mr. Taalman heeft niet inhoudelijk gereageerd op het wrakingsverzoek.
4.3.
Mr. Schimmel heeft voor zijn standpunt verwezen naar de reactie van mr. Jordaans.

5.De beoordeling

5.1.
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.
Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.
5.2.
De gronden van verzoekster zijn gericht tegen de beslissing van de meervoudige strafkamer tot afwijzing van de door haar gedane getuigenverzoeken.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking kan niet dienen als verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Wat betreft de motivering van de (tussen)beslissing geldt evenzeer dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Ter vergelijking wijst de wrakingskamer op de uitspraak van de Hoge Raad van 25 september 2018, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2018:1770.
5.3.
De beslissing van de meervoudige strafkamer om de getuigenverzoeken af te wijzen is gegeven aan het begin van het onderzoek ter zitting. Van een inhoudelijke behandeling van de feiten was op dat moment nog geen sprake geweest. De redenering dat het feitelijk niet mogelijk was dat de meervoudige strafkamer nog van mening zou veranderen over de verklaring van verzoekster over de herkomst van de geldbedragen en dat een veroordeling gelet op de bewoordingen van de meervoudige strafkamer een gegeven was, wordt door de wrakingskamer dan ook niet gevolgd. Immers, voor verzoekster bestond nog de mogelijkheid om gedurende de inhoudelijke behandeling, bij monde van haar advocaat dan wel haar medeverdachte [naam] , de rechtbank aanleiding te geven nader onderzoek naar de feiten te bepalen. Een veroordeling stond dan ook nog geenszins vast.
Het feit dat de meervoudige strafkamer in zijn motivering van de tussenbeslissing spreekt van “een zoals de officier van justitie dat uitdrukte niet-verteld verhaal” maakt het voorgaande niet anders. Het staat een strafrechter vrij vraagtekens te plaatsen bij en kritisch te zijn over verklaringen die door een verdachte zijn afgelegd en verdachte om uitleg daarover te vragen. De meervoudige strafkamer had naar aanleiding van het verhandelde ter zitting alsnog kunnen besluiten om verdachte vrij te spreken of, zoals al opgemerkt, het onderzoek naar de feiten te heropenen en getuigen dan wel verdachte (nader) te horen. Naar het oordeel van de wrakingskamer is er om die redenen geen sprake van een motivering die niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
Voorgaande leidt de wrakingskamer tot het oordeel dat de bewoordingen die de meervoudige strafkamer ter motivering van de afwijzende beslissing heeft gebezigd, geen blijk van vooringenomenheid inhouden als hiervoor onder 5.2. bedoeld.
5.4.
Het verzoek tot wraking wordt daarom afgewezen.

6.De beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. J.A.O.M. van Aerde, A.A.A.M. Schreuder en
H.T. Pos, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.D. Moeke en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.