ECLI:NL:RBOVE:2019:3107
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen terugvordering ten onrechte verstrekte bijstand wegens kostgangersrelatie
Eiser woonde vanaf januari 2018 bij [naam 1] en [naam 2], en verhuisde in mei 2018 met [naam 1] naar een andere woning. Verweerder trok de bijstandsuitkering van eiser per 30 mei 2018 in en vorderde ten onrechte betaalde bijstand terug, omdat zij meende dat eiser was gaan samenwonen in plaats van kostganger te zijn.
De rechtbank stelde vast dat verweerder de hoorplicht in de bezwaarprocedure had geschonden, maar passeerde dit gebrek omdat eiser in beroep alsnog zijn standpunt mondeling kon toelichten. Verweerder kon niet aantonen dat eiser een wijziging in woonsituatie had verzwegen of dat sprake was van samenwoning met wederzijdse zorg, zoals vereist volgens de Participatiewet.
De rechtbank oordeelde dat de kostgangersrelatie bij verweerder bekend was en dat eiser ten onrechte een waarschuwing had gekregen. De intrekking van de uitkering en terugvordering werden vernietigd. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen en veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd.