ECLI:NL:CRVB:2016:788
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit bijstand wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het college stelde na onderzoek dat zij samenwoonde met K en een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit te melden, waardoor de bijstand werd beëindigd en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante deels gegrond en bepaalde dat het college een nieuw besluit moest nemen. Het college nam een nader besluit waarin een deel van de bijstand werd teruggevorderd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat hoewel appellante en K samenwoonden, het criterium van wederzijdse zorg niet is voldaan. Het gezamenlijk eten werd als sociale activiteit gezien en het incidenteel doen van boodschappen door K was onvoldoende om van wederzijdse zorg te spreken.
Daarom is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het niet op een deugdelijke feitelijke grondslag. De Raad vernietigt het besluit en herroept de eerdere besluiten, en veroordeelt het college in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van wederzijdse zorg.