Eiser, een budgethouder, leed schade aan zijn woning veroorzaakt door zijn zorgverlener. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) vergoedde slechts €1.000 op grond van een regeling voor zaakschade. De rechtbank oordeelde in een eerdere tussenuitspraak dat de SVB onvoldoende had gemotiveerd waarom dit maximum werd gehanteerd en dat er geen aandacht was voor bijzondere omstandigheden.
De SVB stelde dat zij geen schadeverzekeraar is en dat budgethouders als werkgevers risico's dragen die zij zelf moeten afdekken. De SVB handhaafde het maximale bedrag van €1.000, verwijzend naar het verschil met de collectieve aansprakelijkheidsverzekering en de beperkte taak als ondersteuner.
Eiser voerde aan dat budgethouders kwetsbare personen zijn die niet als commerciële werkgevers kunnen worden gezien, dat de schade niet door andere verzekeringen wordt gedekt en dat de SVB onvoldoende waarschuwt voor de risico's. De rechtbank concludeerde dat de SVB het motiveringsgebrek niet had hersteld en dat het beleid onvoldoende rekening houdt met bijzondere gevallen.
Gezien de bijzondere omstandigheden van eiser, waaronder zijn handicap en de aard van de schade, achtte de rechtbank een hogere vergoeding redelijk. De rechtbank bepaalde dat de SVB een bedrag van €6.276,26 moet vergoeden, rekening houdend met een eigen risico van €125. Tevens werd de SVB veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.