Eiser ontving een bijstandsuitkering toen in april 2017 in zijn woning twee hennepkwekerijen werden aangetroffen. Verweerder trok daarop de uitkering in en vorderde onterecht betaalde bedragen terug over de periode 1 april 2016 tot 4 april 2017. Eiser werd strafrechtelijk veroordeeld voor het niet tijdig verstrekken van gegevens over de kwekerij van 4 maart tot 4 april 2017, maar vrijgesproken voor de periode daarvoor.
De rechtbank oordeelt dat het strafrechtelijke vonnis relevant is voor de bestuursrechtelijke beoordeling. De onschuldpresumptie verhindert dat verweerder na vrijspraak over de periode 1 april 2016 tot 4 maart 2017 alsnog twijfels mag uiten over de onschuld van eiser. Daarom wordt het besluit tot intrekking en terugvordering over die periode vernietigd.
Voor de periode van 4 maart tot 4 april 2017 is vastgesteld dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door de kwekerijen niet te melden. Eiser kon onvoldoende aantonen dat hij niet de exploitant was of dat hij recht had op bijstand. Het besluit blijft daarom voor die periode in stand. Verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen over de terugvordering voor deze periode.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. Het hoger beroep staat open bij de Centrale Raad van Beroep.