Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beslissing
de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolgingvan verdachte.
Rechtbank Overijssel
De zaak betreft een vervolging tegen verdachte, directeur van een BV, wegens het niet verstrekken van klantdossiers aan de Belastingdienst, wat zou leiden tot het onjuist heffen van belasting. Het onderzoek startte met een boekenonderzoek gericht op de fiscale aangiften van de BV, waarbij ook klantendossiers werden opgevraagd. Verdachte weigerde deze dossiers te verstrekken vanwege vertrouwelijkheid en omdat de informatiebeschikkingen nog niet onherroepelijk waren.
De verdediging stelde dat het Openbaar Ministerie haar strafvorderlijke bevoegdheden misbruikte (detournement de pouvoir) door deze te gebruiken voor het verkrijgen van informatie die niet relevant was voor de fiscale verplichtingen van de BV. De rechtbank stelde vast dat de klantdossiers niet aannemelijk van belang waren voor de belastingheffing van de BV en dat het OM de strafrechtelijke bevoegdheden niet had mogen inzetten zolang de fiscale procedures liepen.
De rechtbank oordeelde dat het OM het verbod van detournement de pouvoir had overtreden door de vervolging in te stellen en strafrechtelijke maatregelen te treffen terwijl de bezwaar- en beroepsprocedures nog liepen en zonder dat er concrete strafbare feiten anders dan het niet verstrekken van informatie waren aangetoond. Daarom verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overtreding van het verbod van detournement de pouvoir.