Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
22 juni 2018.
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De bewijsoverwegingen
- verdachte en [medeverdachte] hebben binnen bij (eet)café [eetcafé] samen gevochten tegen een groepje mannen uit Winterswijk, onder wie in ieder geval [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;
- na deze eerste confrontatie zijn verdachte en [medeverdachte] samen naar de keuken gelopen, terwijl de groep mannen uit Winterswijk op dat moment buiten zijn;
- op een gegeven moment zijn verdachte en [medeverdachte] schouder aan schouder en tegen elkaar pratend de keuken uit komen lopen;
- [medeverdachte] heeft daarbij een mes in zijn handen;
- samen zijn verdachte en [medeverdachte] naar buiten gegaan en zijn daar wederom in gevecht geraakt met in ieder geval [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de rug zijn gestoken met een mes;
- daarna zijn verdachte en [medeverdachte] samen weer naar de keuken gelopen.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De schade van benadeelden
lid 1, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking te komen, in rechte te worden vastgesteld. Dit zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Met artikel 6:106 BW Pro is beoogd vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade slechts in beperkte mate mogelijk te maken; voor vergoeding van shockschade is alleen onder strikte voorwaarden plaats. Hiermee strookt niet het vereiste van waarneming van het misdrijf of directe confrontatie met zijn ernstige gevolgen vanwege de aard of ernst van de normschending, zoals vanwege het opzettelijk begaan daarvan, terzijde te stellen of af te zwakken.
15 januari 2017 waar aan de benadeelde vergoeding wegens shockschade is toegekend.
uitvaartkosten Monuta
proceskosten
shockschade
proceskosten
materiële schade; medische kosten en gederfde inkomsten
proceskosten
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) jaren;
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit 1 primair tot
betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 6.996,91,te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 69 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;
€ 9.023,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2017) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit 1 primair tot
betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 9.023,--,te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten
1 primair en 2 primair tot
betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 53.423,15,te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;