Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [woonplaats] ,
1.[B ] ,wonende te Almelo,
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 400,--
Rechtbank Overijssel
In deze zaak vordert verhuurder [A] betaling van een aanzienlijke huurachterstand van huurder [B], die onder bewind staat. De huurovereenkomst betrof een woning die [B] sinds oktober 2015 huurde. Ondanks herinneringen en sommaties bleef de huur onbetaald, met een achterstand van € 10.082,-- tot en met september 2017. Op 9 oktober 2017 ontruimde [B] de woning zelf, waarna de huurovereenkomst met instemming van beide partijen werd beëindigd.
De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 1:441 BW Pro de bewindvoerder formeel de procespartij is, waardoor de vorderingen niet rechtstreeks tegen [B] kunnen worden ingesteld. Nadat de verhuurder dit had gecorrigeerd door de bewindvoerder toe te voegen, werd de zaak inhoudelijk behandeld. De bewindvoerder heeft de huurachterstand en de huur tot de ontruimingsdatum niet bestreden.
De rechtbank wijst de vorderingen toe, inclusief de contractuele rente vanaf 1 oktober 2017. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen omdat deze hoger zijn dan wettelijk toegestaan en er geen correcte aanmaning is gesteld. De bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, rente, huur over oktober tot ontruiming, en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand, rente, huur tot ontruiming en proceskosten.