ECLI:NL:RBOVE:2017:4078

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
31 oktober 2017
Publicatiedatum
31 oktober 2017
Zaaknummer
ak_zwo_17_811
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 8.6a Wmo 2015Art. 4:17 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering maatwerkvoorziening Wmo 2015 bij aanspraak op Wlz-zorg bevestigd

Eiseres vroeg een maatwerkvoorziening individuele begeleiding en sociale begeleiding bij vervoer op grond van de Wmo 2015. Verweerder wees dit af omdat eiseres reeds een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) ontvangt, gebaseerd op artikel 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015.

Eiseres voerde aan dat individuele begeleiding en begeleiding bij vervoer niet tot het domein van de Wlz behoren en dat verweerder daarom de maatwerkvoorziening niet had mogen weigeren. De rechtbank oordeelde echter dat de wetgever een duidelijke scheiding heeft aangebracht tussen aanspraken op de Wmo 2015 en de Wlz. Het enkele feit dat eiseres een pgb op grond van de Wlz ontvangt, maakt dat zij geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening Wmo 2015.

Verder stelde eiseres dat artikel 8.6a, sub b, Wmo 2015 van toepassing was, maar de rechtbank verwierp dit omdat eiseres niet in een instelling verblijft. Ook de stelling dat verweerder te laat had beslist en daardoor dwangsommen verschuldigd zou zijn, werd afgewezen omdat eiseres verweerder niet tijdig in gebreke had gesteld.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de maatwerkvoorziening Wmo 2015 is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/811

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres]te [woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: [naam] ,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland, verweerder,
gemachtigde: A. Hendriks en W.J.M. Peters.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om een maatwerkvoorziening individuele begeleiding en sociale begeleiding bij vervoer op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen.
Bij besluit van 28 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en daarbij het primaire besluit in stand gelaten.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2017.
Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 1 januari 2015 een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Zij wenst individuele begeleiding voor maatschappelijke participatie en begeleiding bij vervoer ten behoeve van maatschappelijke participatie op basis van 20.000 kilometer per jaar. Eiseres beschikt over een indicatie VG07 van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Het zorgkantoor heeft op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) aan haar een persoonsgebonden budget (pgb) voor Wlz-zorg toegekend.
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat aan eiseres geen maatwerkvoorziening hoeft te worden toegekend, nu eiseres reeds een pgb op grond van de Wlz ontvangt. Verweerder baseert dit besluit op artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015.
3.1
Eiseres voert onder verwijzing naar de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33891, nr. 3, p. 136) bij de Wlz en een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, ECLI:NL:CRVB:2016:3715) aan dat individuele begeleiding en begeleiding bij vervoer ten behoeve van maatschappelijke participatie niet tot het domein van de Wlz behoren. Verweerder had daarom de maatwerkvoorziening niet op grond van artikel 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015 mogen afwijzen. Verweerder zal op grond van de Wmo 2015 een nieuwe afweging moeten maken over de toekenning van de gevraagde maatwerkvoorziening.
3.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015 onverkort van toepassing is. Dat de Wlz op een ander domein zou zien is volgens verweerder niet relevant. Uit de tekst van de bepaling en uit Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 151 en 152, vloeit voort dat aan personen die aanspraak kunnen maken op een verblijf in een instelling als bedoeld in de Wlz geen aanspraak meer toekomt op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015.
3.3
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015 bepaalt, voor zover hier relevant, dat verweerder een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 kan weigeren, indien eiseres aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz. Eiseres ontvangt een pgb op grond van de Wlz. Hiermee is voldaan aan de afwijzingsvoorwaarden als verwoord in artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015. Dat individuele begeleiding en sociale begeleiding bij vervoer ten behoeve van de maatschappelijke participatie, zoals eiseres stelt, niet tot het domein van de Wlz behoren, doet hieraan niet af. De wetgever heeft blijkens de tekst van artikel 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015, bezien in samenhang met de toelichting daarop, een uitdrukkelijke scheiding willen aanbrengen tussen aanspraken op maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 en aanspraken op grond van de Wlz. Wanneer aanspraak gemaakt kan worden op zorg op grond van de Wlz, kan geen aanspraak meer worden gemaakt op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015, zo ook de regering in Kamerstukken II, 2013/14, 33891, nr. 3, p. 70. De beroepsgrond faalt.
4.1
Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat verweerder op grond van artikel 8.6a, sub b, van de Wmo 2015 aan eiseres een maatwerkvoorziening had moeten toekennen. Deze bepaling sluit de toepassing van artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 uit.
4.2
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 8.6a, sub b, van de Wmo 2015 bevat, voor zover relevant, een regeling voor cliënten die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd. Eiseres verblijft, zoals ook ter zitting is gesteld, niet in een instelling. De uitzondering van artikel 8.6a, sub b, van de Wmo 2015 is dan ook niet van toepassing. De beroepsgrond faalt.
5.1
Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder te laat op haar aanvraag heeft beslist, en derhalve aan eiseres dwangsommen heeft verbeurd.
5.2
De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verbeurt een bestuursorgaan dat niet tijdig heeft beslist op een aanvraag, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch ten hoogste voor 42 dagen. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb dient een belanghebbende het bestuursorgaan wel eerst in gebreke te stellen. Uit de stukken die door eiseres in beroep zijn overgelegd blijkt niet dat verweerder op enig moment in gebreke is gesteld in de zin van artikel 4:17, derde lid, van de Awb. Daarom heeft verweerder ook geen dwangsommen aan eiseres verbeurd. De beroepsgrond faalt.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings , voorzitter, en mr. P.H. Banda en mr. W.R.H. Lutjes, leden, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.