ECLI:NL:RBOVE:2016:4151
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens schending ne bis in idem bij economische strafzaak GLB-subsidiekorting
In deze economische strafzaak stond de vervolging van Maatschap verdachte centraal wegens overtredingen van voorschriften rondom diergeneesmiddelen en pluimveehouderij. De verdachte was eerder geconfronteerd met een randvoorwaardenkorting van 5% op GLB-subsidies voor hetzelfde feit.
De verdediging voerde aan dat het una via-beginsel (ne bis in idem) werd geschonden doordat de strafvervolging en de subsidiekorting hetzelfde feit betroffen. De officier van justitie betwistte dit en stelde dat de subsidiekorting geen strafrechtelijke sanctie is, verwijzend naar jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerechtshof Den Bosch.
De economische politierechter oordeelde dat de subsidiekorting wel degelijk een punitief karakter draagt en dat de strafvervolging een inbreuk vormt op het ne bis in idem-beginsel zoals neergelegd in artikel 50 van Pro het Handvest van de EU en artikel 68 Sr Pro. Daarom werd het OM niet-ontvankelijk verklaard voor feit 1.
Voor de feiten 2 en 3 werd de verdachte schuldig verklaard zonder strafoplegging. De rechtbank vernietigde de eerdere strafbeschikking en sprak verdachte vrij van het meer of anders ten laste gelegde.
De uitspraak benadrukt de bescherming tegen dubbele bestraffing in economische strafzaken en bevestigt het belang van het ne bis in idem-beginsel bij de combinatie van administratieve en strafrechtelijke sancties.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens schending van het ne bis in idem-beginsel.