ECLI:NL:RBOVE:2015:33
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen procesbelang voor eiser bij besluit niet-invordering verbeurde dwangsommen na verwijdering overtreding
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal of eiser als derde-belanghebbende procesbelang had bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg om de door belanghebbende verbeurde dwangsommen niet in te vorderen. Belanghebbende had een illegaal gebouwde paardenstal op zijn perceel, waarvoor een last onder dwangsom was opgelegd. Nadat belanghebbende de paardenstal en de fundering had verwijderd, besloot het college de dwangsommen die tussen november 2013 en februari 2014 waren verbeurd niet te innen.
Eiser stelde dat hij wel procesbelang had en dat het besluit getoetst moest kunnen worden, mede vanwege mogelijke precedentwerking en het belang van handhaving. De rechtbank oordeelde echter dat het belang van handhaving primair ligt bij het bestuursorgaan en de overtreder, en dat het belang van een derde-belanghebbende afgeleid is van het belang dat de overtreding wordt beëindigd. Nu de overtreding was opgeheven, ontbrak het aan een actueel belang voor eiser.
De rechtbank verwees naar eerdere jurisprudentie en de parlementaire geschiedenis van artikel 5:37 van Pro de Awb en concludeerde dat deze geen aanleiding geven tot een ander oordeel. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens gebrek aan procesbelang.