ECLI:NL:RBOVE:2014:813

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 februari 2014
Publicatiedatum
19 februari 2014
Zaaknummer
Awb 13/1957
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29b ZiektewetWet werk en inkomen naar arbeidsvermogenArt. 3 Wet sociale werkvoorzieningArt. 4 Wet sociale werkvoorzieningArt. 5 Wet sociale werkvoorziening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij weigering no-risk polis

Connexxion Taxi Services BV stelde beroep in tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) waarin aan haar werknemer geen WIA-uitkering werd toegekend en geen no-risk polis werd verstrekt. De werknemer was fulltime chauffeur en viel uit wegens polsklachten na een ongeval. Na medisch onderzoek concludeerde het UWV dat de bedongen arbeid passend was en dat er voldoende theoretische functies waren.

Eiseres was het eens met het niet toekennen van de WIA-uitkering maar betwistte dat de bedongen arbeid passend was en wilde daarom een no-risk polis toegewezen krijgen. De rechtbank beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het beroep en stelde dat daarvoor procesbelang vereist is. Dit betekent dat het resultaat dat met het beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden.

De rechtbank oordeelde dat de no-risk polis alleen van toepassing is bij een nieuwe dienstbetrekking, wat in deze zaak niet het geval was. Omdat de werknemer geen nieuwe dienstbetrekking had, kon eiseres niet het door haar gewenste resultaat bereiken. Ook een mogelijke toekomstige nieuwe dienstbetrekking was te onzeker om procesbelang aan te nemen. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het beroep van Connexxion Taxi Services BV is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
Zittingsplaats Zwolle
Registratienummer: Awb 13/1957

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Connexxion Taxi Services BV,

gevestigd te Hilversum, eiseres,
vertegenwoordiger: P.E.M. Straver,
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,
gevestigd te Amsterdam, verweerder.

[belanghebbende],

wonende te Amsterdam, belanghebbende,
gemachtigde: D.S. de Ploeg
Procesverloop
Bij besluit van 8 februari 2013 heeft verweerder aan eiseres laten weten dat haar werknemer, de heer [naam] (hierna: werknemer) met ingang van 30 januari 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 juli 2013 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Het beroep is ter zitting van 23 december 2013 behandeld. Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door haar vertegenwoordiger en door M. Ballerring. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.B. van der Werf. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen.

Overwegingen

1.
Werknemer was fulltime werkzaam bij eiseres als chauffeur
personenvervoer toen hij op 2 februari 2011 uitviel in verband met polsklachten na een ongeval (later ook rechterschouderklachten). In september 2012 heeft werknemer hervat als chauffeur personenvervoer elektrische taxi bij eiseres. Op 24 oktober 2012 heeft werknemer per einde wachttijd (30 januari 2013) een WIA-uitkering aangevraagd. Hierop heeft een medisch en verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden, hetgeen heeft geleid tot de besluitvorming zoals die hierboven onder procesverloop uiteen is gezet. Aan het bestreden besluit ligt primair ten grondslag dat de bedongen arbeid bij eiseres passend is en subsidiair dat er voldoende theoretische functies zijn te duiden.
2.
Eiseres is het eens met het niet toekennen van een WIA-uitkering aan werknemer.
Zij stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de bedongen arbeid niet als passend is te beschouwen gelet op de geduide beperkingen. Derhalve is zij het niet eens met het niet toekennen van een no-risk polis.
3.
De rechtbank overweegt als volgt.
3.1
Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep kan worden toegekomen,
dient allereerst beoordeeld te worden of het beroep ontvankelijk is. Daarvoor is vereist dat sprake is van (voldoende) procesbelang.
Ingevolge vaste rechtspraak is van (voldoende) procesbelang sprake als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift met het indienen van het beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en aan het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
Volgens eiseres is haar belang gelegen in het toekennen van een no-risk polis. In dat kader komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.
3.2
De no-risk polis is geregeld in artikel 29b van de Ziektewet (ZW). Het eerste lid van
dit artikel bepaalt dat de werknemer:
die onmiddellijk voorafgaand aan een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3, 4 of 5, recht had op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
die onmiddellijk voorafgaand aan zijn dienstbetrekking met een werkgever, niet zijnde een werkgever als bedoeld in artikel 7 van Pro de Wet sociale werkvoorziening, een indicatiebeschikking als bedoeld in artikel 11 van Pro die wet had,
van wie in een arbeidskundig onderzoek is vastgesteld dat hij op de eerste dag na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 23 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of van het tijdvak, bedoeld in artikel 24 of Pro 25, negende lid, van die wet:
1°.  minder dan 35% arbeidsongeschikt is,
2°.  alsmede op de eerste dag van dertien weken voorafgaand aan die dag geen
dienstbetrekking had met een andere dan zijn eigen werkgever, tenzij de
dienstbetrekking met die andere werkgever reeds bestond op de eerste dag van de
wachttijd,
3°.  niet in staat is tot het verrichten van eigen of andere passende arbeid bij de eigen
werkgever, en
4°.  binnen vijf jaar na die dag in dienstbetrekking werkzaamheden gaat verrichten bij
een werkgever,
die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt en in verband met ziekte of gebrek een belemmering ondervindt of heeft ondervonden bij het volgen van onderwijs en binnen vijf jaar na afronding van dat onderwijs arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten, of
die geen werknemer is als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, achttien jaar is of ouder en in verband met ziekte of gebrek een belemmering ondervindt of heeft ondervonden bij het volgen van onderwijs en binnen vijf jaar na afronding van dat onderwijs arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten,
vanaf de eerste dag van zijn ongeschiktheid tot werken recht op ziekengeld heeft over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die zijn aangevangen in de vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking.
3.3
Nu aan werknemer geen WIA-uitkering is toegekend omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is, dient beoordeeld te worden of artikel 29b, eerste lid, aanhef en onder c, van de ZW aan de orde is.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 29b tot doel heeft de herintreding in het arbeidsproces te bevorderen van arbeidsgehandicapten, die door hun arbeidshandicap buiten het arbeidsproces zijn geraakt. Het artikel beoogt met de garantie van ziekengeld gedurende een aantal jaren na aanvang van de dienstbetrekking werkgevers over de streep te trekken deze arbeidsgehandicapten in dienst te nemen. Het artikel is derhalve van toepassing op de situatie waarin sprake is van een nieuwe dienstbetrekking. Uit de uitspraak van de CRvB van 2 december 2003, gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2003:AO3300, leidt de rechtbank af dat het daarbij kan gaan om een nieuwe dienstbetrekking bij de eigen werkgever als ook bij een andere werkgever.
De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval van een nieuwe dienstbetrekking geen sprake is. Dit betekent dat toekenning van een no-risk polis voor het aangepaste werk dat werknemer verrichtte niet mogelijk is en dat eiseres in zoverre met haar beroep niet het resultaat kan bereiken dat zij nastreeft.
Daarnaast zou er wellicht recht kunnen bestaan op een no-risk polis in het geval werknemer in de toekomst (binnen vijf jaar na 30 januari 2013) in een nieuwe dienstbetrekking werkzaamheden gaat verrichten bij eiseres, echter daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant of het werk op de elektrische taxi al dan niet passend is. Daar komt bij dat dit een toekomstige gebeurtenis betreft waarvan thans nog niet vaststaat of deze zich voor zal doen. Ook ten aanzien hiervan kan eiseres met haar beroep derhalve niet het resultaat bereiken dat zij nastreeft.
Vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres geen procesbelang heeft.
4.
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Tobé, rechter, en door haar en mr. M.D. Moeke als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.