Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:
[verdachte],
ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
TENLASTELEGGING
VOORVRAGEN
BEWIJSOVERWEGINGEN
Het standpunt van het openbaar ministerie
Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van de rechtbank
feiten 3 en 4acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.
feit 5acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.
5ten laste gelegde.
feit 6acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.
(…) Op woensdag 27 november 2013 omstreeks 14.00 uur werd in het bijzijn en met toestemming van [vrouw verdachte] op het adres [adres 2] uit Zwolle, de volgende goederen voor verder onderzoek inbeslaggenomen te weten:
(…) Door ons, verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant], is vastgesteld dat op de inbeslaggenomen
(…) Er werden in het onderzoek een groot aantal kennelijk zelf vervaardigde afbeeldingen (foto’s en films) aangetroffen op de diverse inbeslaggenomen gegevensdragers. Op deze afbeeldingen zijn tenminste 4 verschillende meisjes te zien. Deze meisjes werden afzonderlijk dan wel samen in
6ten laste gelegde.
BEWEZENVERKLARING
STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
STRAFBAARHEID van de VERDACHTE
MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL
Het standpunt van het openbaar ministerie
Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van de rechtbank
De psycholoog adviseert om verdachte een terugvalpreventie programma te laten volgen, zonder items over slachtofferempathie vanwege voorkoming van misbruik van het geleerde. Ook kan er aandacht besteed worden aan het mogelijk eigen misbruik. De onderliggende krenkbaarheid zal via schematherapie meer inzichtelijk voor verdachte gemaakt moeten worden. Volgens de psycholoog kan dit het beste plaatsvinden onder een voorwaardelijk strafdeel en onder toezicht van de reclassering.
Zonder verandering blijft zijn verstoorde kijk op intimiteit aanwezig, terwijl hij het problematische of grensoverschrijdende van zijn gedrag niet inziet, tenzij op rationele wijze (“Als ik dat gedaan heb, zoals op de foto staat, dan is dat heel erg.“). Bij het formuleren van het strafadvies overweegt de psychiater dat hoewel er vragen blijven over de behandelbaarheid van verdachte, gezien zijn nagenoeg afwezige probleembesef, zijn grotendeels ontkennende houding en zijn onvermogen om inzicht te geven in de ten laste gelegde feiten, toch ook benoemd kan worden dat verdachte aangemerkt kan worden als first offender. Hij is nooit eerder behandeld voor het door hem benoemde eigen seksueel misbruik, hetgeen een opening kan zijn om gesprek en contact aan te gaan. Daarnaast is verblijf in detentie voor verdachte zeer ingrijpend, waar door een voorwaardelijk kader als een sterke ‘stok achter de deur’ zeker werkzaam zal zijn, om zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering. Ter vermindering van het risico op recidive adviseert de psychiater om verdachte een ambulante behandeling bij een forensisch psychiatrische polikliniek, zoals De Tender, op te leggen. Dan dient een individueel contact, waarin eigen misbruik en problemen besproken kunnen worden, gecombineerd te worden met een groepstherapie, zodat verdachte kan komen tot een voor hem inzichtelijke delictanalyse. Een dergelijke behandeling kan geschieden onder toezicht van de reclassering die tevens de relationele status met verdachte kan bespreken, teneinde het risico op herhaling te beperken.
Vordering van de benadeelde partij
Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 primair en 4 bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de bewezenverklaarde feiten een sterk negatieve invloed kunnen hebben op het (psychisch) welbevinden van een slachtoffer. De opgevoerde materiele schade, te weten de kosten voor therapie, reizen en administratie in dat verband, is tegen die achtergrond aannemelijk en met de door de benadeelde partij overgelegde stukken voldoende onderbouwd. Omdat op dit moment de exacte immateriële schade niet of moeilijk in een bedrag te vertalen is, zal de rechtbank gebruik maken van haar bevoegdheid de omvang van de schade te schatten. De immateriële schade tot € 2.000,- is niet betwist en de rechtbank acht dit bedrag redelijk en dus toewijsbaar.
Beslissing
5 (vijf) jaren.
Schadevergoeding
€ 4.575,54, ten behoeve van de benadeelde partij
[moeder slachtoffer 2] (wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 2]), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 55 dagen hechtenis.