Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
gemachtigde A. Oosters
1.de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie),
1.Ontstaan en loop van het geding
De feiten
Rechtbank Overijssel
Eiser heeft bezwaar en beroep ingesteld tegen WOZ-beschikkingen van de gemeente Deventer. De rechtbank heeft eerder de beroepen gegrond verklaard en de uitspraken op bezwaar vernietigd voor zover deze de weigering van proceskostenvergoeding betroffen. In de onderhavige procedure vordert eiser een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank stelt vast dat de bezwaarfase binnen de wettelijke termijn van één jaar is afgerond, zodat de gemeente niet aansprakelijk is voor overschrijding. De overschrijding heeft zich voorgedaan in de beroepsfase, die respectievelijk één jaar en drie maanden en twee maanden te lang heeft geduurd. Deze overschrijding is volledig aan de rechter toe te rekenen.
Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad wordt een vergoeding van € 500 per halfjaar overschrijding toegekend, afgerond naar boven. Dit leidt tot een totale immateriële schadevergoeding van € 2.000, die de Staat aan eiser moet betalen. De rechtbank wijst proceskosten af omdat geen kosten zijn gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van € 2.000 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase.