ECLI:NL:RBOVE:2013:CA0213

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
C/08/133879 / HA ZA 12-439
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 RvArt. 43 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid van bevoegdheidsafspraak kantonrechter in samenlevingsovereenkomst wegens strijd met artikel 96 Rv

Partijen hebben circa vijftien jaar samengewoond en een samenlevingsovereenkomst gesloten waarin is bepaald dat geschillen voortvloeiend uit deze overeenkomst door de kantonrechter in eerste en hoogste instantie worden behandeld.

In een incident vordert de gedaagde dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de kantonrechter op grond van deze afspraak. De rechtbank stelt vast dat het kantongerecht sinds 2002 is geïntegreerd in de rechtbank en dat het gaat om een vorm van prorogatie.

De rechtbank onderzoekt of artikel 96 Rv Pro toestaat dat partijen vooraf toekomstige geschillen exclusief aan de kantonrechter toewijzen. Gelet op de wetsgeschiedenis en de tekst van artikel 96 Rv Pro oordeelt de rechtbank dat dit niet het geval is. De afspraak in de samenlevingsovereenkomst is daarom nietig wegens strijd met de wettelijke regeling van de rechterlijke bevoegdheid.

De vordering tot onbevoegdverklaring wordt afgewezen, de proceskosten worden gecompenseerd en de zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de bevoegdheidsafspraak in de samenlevingsovereenkomst nietig en wijst de vordering tot onbevoegdverklaring af.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer: C/08/133879 / HA ZA 12-439
datum vonnis: 10 april 2013
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:
[EISER],
wonende te [plaats],
eiser in de hoofdzaak,
incidenteel verweerder,
verder te noemen [eiser],
advocaat: mr. L.J.A. Nijmeijer te Wierden,
tegen
[GEDAAGDE],
wonende te [plaats],
gedaagde in de hoofdzaak,
incidenteel eiseres,
verder te noemen [gedaagde],
advocaat: mr. J.A.A.M. Rupert te Haaksbergen.
1. Het procesverloop
In de hoofdzaak en in het incident
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 december 2012;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring, tevens houdende conclusie van eis in reconventie, d.d. 12 februari 2013;
- de conclusie van antwoord in het incident d.d. 27 februari 2013;
- de akte uitlating producties in het incident d.d. 12 maart 2013.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten
2.1. Partijen hebben gedurende een periode van ongeveer vijftien jaar met elkaar samengewoond, welke samenleving per 1 maart 2012 is beëindigd. Partijen hebben op
29 augustus 1997 een samenlevingsovereenkomst opgesteld.
2.2. Artikel 11 van Pro deze samenlevingsovereenkomst luidt - voor zover van belang - als volgt:
“(…)
2. Alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van deze overeenkomst dan wel van nadere overeenkomsten, die daarvan het gevolg mochten zijn, zullen worden beslist door de Kantonrechter in eerste en hoogste instantie, tenzij partijen een andere wijze van beslechting overeenkomen.
(…)”
3. De beoordeling in het incident
3.1. Bij dagvaarding van 11 december 2012 vordert [eiser] de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap op de wijze zoals door hem onder alinea 7 tot en met 14 is voorgesteld, vast te stellen.
3.2. [Gedaagde] vordert in dit incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak naar de kantonrechter verwijst, omdat partijen in artikel 11, tweede lid, van de samenlevingsovereenkomst van 29 augustus 1997 nadrukkelijk hebben afgesproken dat de kantonrechter in deze bevoegd zal zijn.
3.3. [Eiser] stelt zich - samengevat weergeven - op het standpunt dat de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring ongegrond dient te worden verklaard. Volgens hem kan het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de samenlevingsovereenkomst gelijk worden gesteld met een vorm van prorogatie in de zin van artikel 96 van Pro Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Uit de wetsgeschiedenis van voornoemd artikel kan niet worden afgeleid dat vooraf kan worden overeengekomen dat toekomstige geschillen aan de kantonrechter moeten worden voorgelegd, met als gevolg dat de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd wordt. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Arnhem van
24 december 2008 (LJN: BI0493).
3.4. De rechtbank overweegt als volgt.
3.5. De exceptie van onbevoegdheid is tijdig en op de juiste wijze voorgesteld.
3.6. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan door [gedaagde] is aangevoerd, van onbevoegdheid van de rechtbank in onderhavige zaak geen sprake is, aangezien het kantongerecht sinds 1 januari 2002 is geïntegreerd in de rechtbank. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de zaak al dan niet door de kantonrechter van de rechtbank moet worden behandeld. Mocht zij tot de conclusie komen dat de behandeling door de kantonrechter dient plaats te vinden, dan brengt dat met zich dat de rechtbank zich niet onbevoegd zal verklaren, doch de zaak slechts in de stand waarin deze zich bevindt, zal verwijzen naar de kantonrechter.
3.7. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier om een vorm van prorogatie, namelijk de afspraak tussen de partijen geschillen aan de kantonrechter voor te leggen, ook al behoren die volgens de wet tot de geschillen die niet ter beslissing aan de kantonrechter zijn opgedragen. Een dergelijke vorm van prorogatie wordt door artikel 96 Rv Pro binnen zekere grenzen mogelijk gemaakt.
3.8. De vraag rijst in dat verband of artikel 96 Rv Pro toelaat vooraf reeds overeen te komen dat toekomstige geschillen aan de kantonrechter moeten worden voorgelegd met als gevolg dat de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd wordt tot kennisneming van dergelijke zaken. Voor 1 januari 2002 was de kwestie geregeld in artikel 43 Wet Pro op de rechterlijke organisatie (RO). Onder het voor die datum geldende recht werd aangenomen dat artikel 43 RO Pro het slechts mogelijk maakte een eenmaal gerezen geschil met wederzijds goedvinden aan de kantonrechter voor te leggen. De vraag is of dat onder het huidige recht ook zo is. De tekst van artikel 96 Rv Pro biedt geen uitsluitsel, evenmin als de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming ervan. Enig aanknopingspunt dat de wetgever in de sinds 1 januari 2002 bestaande situatie aan artikel 96 Rv Pro een ruimer toepassingsbereik heeft willen geven dan voorheen, is er naar het oordeel van de rechtbank niet.
3.9. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een vorm van prorogatie als hier is opgenomen in de samenlevingsovereenkomst buiten de grenzen van artikel 96 Rv Pro valt en derhalve in strijd is met de wettelijke regeling van de competentie van de verschillende gewone rechters. Het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de samenlevingsovereenkomst is daarom in strijd met de wet en dus nietig.
3.10. Gelet op het vorenstaande wordt de vordering in het incident afgewezen.
3.11. De rechtbank zal, gelet op het feit dat partijen een affectieve relatie hebben gehad, de proceskosten tussen hen compenseren.
De beslissing
In het incident
De rechtbank:
I. Wijst de vordering van [gedaagde] af.
II. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In de hoofdzaak
De rechtbank:
III. Verwijst de zaak naar de rol van woensdag 24 april 2013 voor beraad comparitie.
Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Lorist en op 10 april 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.