ECLI:NL:RBONE:2013:BZ6092

Rechtbank Oost-Nederland

Datum uitspraak
13 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
ZUT 10/1374 HUUR
Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening van de tegemoetkoming huurtoeslag 2008 en de beoordeling van duurzaam gescheiden leven

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Nederland op 13 februari 2013 uitspraak gedaan over de herziening van de huurtoeslag van eiseres over het berekeningsjaar 2008. Eiseres had bezwaar gemaakt tegen de herziening van haar huurtoeslag, die door de Belastingdienst/Toeslagen was vastgesteld op € 770,00. De rechtbank oordeelde dat eiseres in de relevante periode niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot, [naam partner]. Dit oordeel was gebaseerd op een onderzoek van de regionale sociale recherche, waaruit bleek dat [naam partner] regelmatig op het adres van eiseres verbleef en dat er geen sprake was van een duurzame scheiding.

De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin werd gesteld dat duurzaam gescheiden leven alleen kan worden aangenomen als beide partijen hun leven onafhankelijk van elkaar leiden. De rechtbank concludeerde dat de omstandigheden in deze zaak niet wezenlijk verschilden van eerdere gevallen waarin de rechtbank had geoordeeld dat er geen sprake was van duurzaam gescheiden leven.

De rechtbank vernietigde het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen en droeg hen op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de uitspraak. Tevens werd de Belastingdienst/Toeslagen veroordeeld tot het vergoeden van het griffierecht aan eiseres. De uitspraak benadrukt het belang van de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie en de gevolgen daarvan voor de huurtoeslag.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND
Team bestuursrecht
Zittingplaats Zutphen
Zaaknummer: ZUT 10/1374 HUUR
Uitspraak van de meervoudige kamer in het geding tussen:
[eiseres]
te [woonplaats],
eiseres,
en
Belastingdienst/Toeslagen
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 maart 2009 heeft verweerder het aan eiseres toegekende voorschot huurtoeslag over het berekeningsjaar 2008 herzien en nader vastgesteld op € 770,00. In verband met deze herziening heeft verweerder bij besluit van 14 maart 2009 een bedrag van
€ 2.210,00 aan verstrekte voorschotten van eiseres teruggevorderd.
Bij besluit van 1 juli 2010 heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Namens eiseres heeft mr. E. Uijt de boogaardt, advocaat te Emmeloord, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.
Bij besluit van 16 augustus 2010 heeft verweerder de tegemoetkoming huurtoeslag over 2008 definitief vastgesteld op € 770,00.
Bij brief van 9 juni 2011 heeft mr. K.A.M. Rademaker, advocaat te Lelystad, zich als gemachtigde van eiseres gesteld.
Bij brief van 16 november 2011 heeft verweerder nadere stukken ingediend.
Het beroep is gevoegd behandeld met de zaak 10/1373 ter zitting van de enkelvoudige kamer op 22 november 2011, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door N. Marinus.
Ter zitting is het onderzoek met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen aan de rechtbank te verstrekken.
Verweerder heeft vervolgens bij brief van 23 december 2011 nadere stukken ingezonden.
Op 8 februari 2012 heeft verweerder een nieuwe beslissing genomen. Hierbij heeft verweerder de tegemoetkoming huurtoeslag 2008 herzien en nader vastgesteld
€ 1.250,00. Op 22 februari 2012 heeft eiseres de rechtbank bericht dat zij haar beroep handhaaft.
De zaak is vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.
De behandeling van het beroep is, samen met de zaken 10/1373 en 11/790, voortgezet ter zitting van de meervoudige kamer van 23 oktober 2012, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door N. Marinus.
2. Overwegingen
2.1 De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiseres is gericht tegen de herziening van het voorschot huurtoeslag 2008. Hangende de beroepsprocedure heeft verweerder bij besluit van 16 augustus 2010 de huurtoeslag over 2008 definitief vastgesteld. Partijen hebben ter zitting aangegeven geen bezwaar te hebben de definitieve vaststelling van de huurtoeslag 2008 onderdeel te laten uitmaken van het onderhavige beroep.
De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder op 8 februari 2012 een nieuw besluit heeft genomen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een besluit betreft als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Ter zitting heeft verweerder hierover verklaard dat dit besluit een herziening van de definitieve vaststelling betreft en de eerdere besluiten van 1 juli 2010 en 16 augustus 2010 niet langer door verweerder worden gehandhaafd. Gelet hierop heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van deze besluiten. Het beroep zal daarom, voor zover gericht tegen deze besluiten, niet-ontvankelijk worden verklaard. Met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb wordt het beroep voorts geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 8 februari 2012.
2.2 Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de navolgende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang (berekeningsjaar 2008).
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) – voor zover hier van belang - is de partner van belanghebbende degene die hierna als eerste wordt genoemd:
de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner.
Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: Wht) is op deze wet de Awir van toepassing.
Ingevolge het derde lid wordt in afwijking van artikel 3, eerste lid, onder a, van de Awir in deze wet en de daarop berustende bepalingen de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot en geregistreerde partner uitsluitend als partner aangemerkt indien deze in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA) op het adres van de huurder staat ingeschreven.
Ingevolge artikel 7, eerste lid van de Wht is het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van de Wht wordt een huurtoeslag slechts toegekend als de huurder, diens partner alsmede degenen die medebewoner van de woning zijn, op het adres van die woning zijn ingeschreven in de GBA.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan, in afwijking van het eerste lid, een huurtoeslag worden toegekend, als de onjuiste inschrijving in de GBA niet aan de huurder kan worden toegerekend.
Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Awir kunnen bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid regels worden gesteld op basis waarvan iemand die in de GBA niet op zijn woonadres is ingeschreven, geacht wordt daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven.
Ingevolge het vierde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt voor de toepassing van het derde lid naar de omstandigheden beoordeeld waar iemand woont.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Uitvoeringsregeling) wordt iemand die in de GBA niet op zijn woonadres is ingeschreven, geacht daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven, indien blijkt dat sprake is van een onjuiste inschrijving in de GBA voor de periode tot aan de datum van adreswijziging als bedoeld in artikel 47, derde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Awir verleent de Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend.
Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot herzien en ingevolge het vijfde lid kan een herziening van het voorschot leiden tot een terug te vorderen bedrag.
Ingevolge artikel 26 is de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.
2.3 De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres is gehuwd met [naam partner] en woonde in de periode van 22 mei 2000 tot 3 maart 2009 op het adres [adres], alwaar zij stond ingeschreven in het GBA.
[naam partner] stond van 27 november 2006 tot 5 maart 2007 volgens het GBA ingeschreven in de gemeente Almere. Volgens informatie uit het GBA heeft [naam partner] van 5 maart 2007 tot 14 april 2008 in het buitenland (Marokko) verbleven en stond hij van 14 april 2008 tot 20 juni 2008 op het adres van eiseres ([adres]) ingeschreven. In de periode van 20 juni 2006 tot 15 juli 2008 verbleef [naam partner] volgens het GBA in Frankrijk. In de periode van 15 juli 2008 tot 26 september 2008 stond [naam partner] ingeschreven op het adres [ander adres] en vanaf 26 september 2008 wederom op het adres van eiseres, [adres].
Bij besluit van 19 mei 2008 heeft verweerder aan eiseres een voorschot huurtoeslag over het jaar 2008 toegekend van € 2.980,00. Verweerder heeft bij besluit van 17 maart 2009 dit voorschot herzien en nader vastgesteld op € 770,00 (voor de maanden oktober tot en met december 2008). In verband met deze herziening heeft verweerder bij besluit van 14 maart 2009 een bedrag van € 2.210,00 aan verstrekte voorschotten van eiseres teruggevorderd.
Bij besluit van 8 februari 2012 heeft verweerder de tegemoetkoming huurtoeslag 2008 herzien en nader vastgesteld op € 1.250,00 (voor de maanden mei, juni en oktober tot en met december 2008). In verband hiermee heeft eiseres recht op een nabetaling huurtoeslag 2008 van € 513,00 (inclusief € 33,00 aan heffingsrente).
2.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het onderzoek door de sociale recherche te Zwolle is gebleken dat eiseres is getrouwd met [naam partner] en dat zij en haar echtgenoot in de periode in geding (januari tot en met april 2008 en juli tot en met september 2008) niet duurzaam gescheiden van elkaar leefden, maar samenwoonden op het adres van eiseres. [naam partner] dient derhalve als toeslagpartner van eiseres te worden aangemerkt. Artikel 9, tweede lid van de Wht staat echter in de weg aan toekenning van huurtoeslag over het berekeningsjaar 2006. Hierbij acht verweerder van belang dat eiseres een verwijt kan worden gemaakt van de onjuiste GBA-inschrijving van [naam partner].
2.4 Namens eiseres is in beroep – kort samengevat – aangevoerd dat [naam partner] in het berekeningsjaar niet met eiseres op haar adres in [woonplaats] heeft samengewoond, zij duurzaam gescheiden van elkaar hebben geleefd en er in die periode aldus geen sprake is van een toeslagpartner. Eiseres acht de resultaten van het onderzoek door de sociale recherche aantoonbaar onjuist en heeft daartoe gesteld dat de door eiseres en haar echtgenoot afgelegde verklaringen niet bruikbaar zijn nu deze - gezien de onjuiste weergave van hetgeen zij hebben verklaard - niet door hen zijn ondertekend. Het regelmatige verblijf van [naam partner] bij eiseres was louter ingegeven door de omgang met zijn kinderen. Verder meent eiseres dat ten onrechte geen waarde wordt gehecht aan de door haar overgelegde ontlastende verklaringen van bekenden en/of buurtbewoners van eiseres en haar echtgenoot. Bovendien hebben de observaties van de sociale recherche niet kunnen aantonen dat de echtgenoot frequent op het adres van eiseres in [woonplaats] verbleef.
2.5.1 In geschil is of verweerder de tegemoetkoming huurtoeslag 2008 op juiste gronden heeft herzien en vastgesteld op € 1.250,00.
2.5.2 De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat sprake is van
een huwelijk tussen eiseres en [naam partner]. Partijen houdt enkel verdeeld de vraag of eiseres in de periode in geding duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot en derhalve of [naam partner] in het kader van de huurtoeslag als toeslagpartner van eiseres moet worden aangemerkt.
De rechtbank overweegt allereerst dat naar vaste rechtspraak duurzaam gescheiden leven slechts wordt aangenomen indien ten aanzien van de gehuwden de toestand is ingetreden, dat, na de door beiden of één van hen gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans één van hen, als bestendig is bedoeld (onder meer uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 augustus 2012, LJN: BX5258).
Naar het oordeel van de rechtbank is deze in de jurisprudentie omschreven toestand in het onderhavige geval niet ingetreden. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op 13 maart 2012 (LJN: BV8894) uitspraak heeft gedaan op het door eiseres ingestelde hoger beroep inzake de intrekking van haar bijstandsuitkering over de periode 1 juli 2003 tot en met 11 november 2008, waarbij onder meer het volgende is overwogen:
“(…)
4.5. De Raad is op grond van de beschikbare gegevens van oordeel dat appellant ten tijde van belang zo vaak in of bij de woning van appellante aanwezig was dat niet gesproken kan worden van duurzaam gescheiden leven in voormelde zin. De frequente aanwezigheid van appellant op het adres van appellante blijkt onder andere uit in het proces-verbaal vermelde informatie uit het politieregister. Daaruit kan met betrekking tot de situatie in en rond de woning van appellante worden afgeleid dat regelmatig sprake was van betrokkenheid van appellant bij burenoverlast en burenruzies, dat appellant daar meermalen door de politie is aangehouden, dat aangiftes zijn gedaan van bedreiging en mishandeling door appellant en dat appellant is aangetroffen bij politiecontroles. Voorts blijkt uit drie verklaringen van met name genoemde buurtbewoners in de omgeving van de woning van appellante dat appellant gedurende vele jaren wordt gezien en herkend als (over)buurman. Ter zitting is door appellanten verklaard dat appellant in die tijd verslaafd was en veel problemen had en dat hij vaak naar de woning van appellante kwam om daar zijn kinderen te zien. Appellante vond het goed dat appellant zijn kinderen bezocht. Appellante wilde bevriend blijven met appellant, ook omdat ze wilde voorkomen dat hij hun kinderen mee zou nemen. Appellant kwam zo’n twee keer in de week langs bij de woning van appellante, soms ook in het weekend. Appellant sliep bij vrienden of in de auto bij de woning van appellante en wachtte dan tot negen uur ’s ochtends om zijn kinderen te bezoeken. De auto’s waarvan hij gebruik maakte waren van familie van appellante. Appellante had een auto op haar naam staan die ze zelf gebruikte en die ze ter beschikking stelde van appellant. Appellant kon in die tijd geen auto op zijn naam hebben omdat hij geen rijbewijs had. Appellanten presenteerden zich bij contacten met de buurtbewoners en de politie in [woonplaats] als een gezin. Anders dan door appellanten is gesteld, leiden voormelde feiten in onderling verband bezien, ondanks de voor ieder afzonderlijk feit door hen gegeven verklaring, tot de conclusie dat zij niet duurzaam gescheiden leefden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad zijn de omstandigheden die tot een bepaalde leefvorm hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie in dit kader niet van belang. Dit betekent dat appellante gedurende de onder 4.1 vermelde periode niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden beschouwd (…)”.
De rechtbank sluit zich bij deze overwegingen aan en is met de CRvB van oordeel dat eiseres in de onderhavige periode, aldus ook in de in geding zijnde maanden van het berekeningsjaar 2008, niet duurzaam gescheiden heeft geleefd van haar echtgenoot.
Het betoog van eiseres dat verweerder niet zelf heeft onderzocht of eiseres en [naam partner] duurzaam gescheiden van elkaar leefden, faalt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de regionale sociale recherche Zwolle e.o. in het kader van de vraag of de bijstandsuitkering moest worden ingetrokken en teruggevorderd onderzoek heeft gedaan. Mede op grond van het verslag van dit onderzoek heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad destijds geoordeeld dat niet gesproken kan worden dat eiseres en haar echtgenoot duurzaam van elkaar gescheiden leefden. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de ABRvS (onder meer de uitspraak van 3 oktober 2012, LJN: BX8986), is de rechtbank van oordeel dat verweerder met juistheid eigen onderzoek naar de vraag of eiseres en haar echtgenoot duurzaam gescheiden van elkaar leefden onder deze omstandigheden niet nodig heeft geacht.
2.5.3 Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiseres en haar echtgenoot [naam partner] in de in geding zijnde maanden van het berekeningsjaar 2008 hebben samengewoond op het adres van eiseres, en [naam partner], gelet op het bepaalde in artikel 6, derde en vierde lid, van de Awir juncto artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling, geacht moet worden in het GBA ingeschreven te zijn op dit woonadres nu hij zich per 14 april 2008 en 26 september 2008 hierop (alsnog) heeft ingeschreven. De rechtbank wijst hierbij op de Toelichting bij de Uitvoeringsregeling (Stcrt. 27 december 2005, nr. 351, p. 31, blz. 3) waarin staat vermeld dat laatstgenoemd artikel ziet op gevallen waarin een partner of medebewoner zich ten onrechte niet bij de belanghebbende heeft ingeschreven in het GBA. Dit artikel van de Uitvoeringsregeling repareert dit door, als het GBA is aangepast, deze correctie voor de toepassing van de Awir met terugwerkende kracht te laten gelden.
2.5.4 Nu eiseres met haar echtgenoot [naam partner] niet duurzaam gescheiden heeft geleefd en [naam partner] geacht wordt ingeschreven te staan op zijn woonadres, heeft verweerder [naam partner] ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wht terecht aangemerkt als toeslagpartner van eiseres. Hetgeen namens eiseres ter zake is aangevoerd, slaagt niet.
2.5.5 De rechtbank volgt verweerder echter niet in het standpunt dat artikel 9, tweede lid, van de Wht aan toekenning van huurtoeslag in de weg zou staan. Nu [naam partner] als toeslagpartner van eiseres geacht wordt in het GBA te zijn ingeschreven op zijn woonadres voldoet eiseres immers aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, van de Wht. Reeds hierom is de uitzonderingssituatie zoals opgenomen in het tweede lid, nog daargelaten dat hierin in afwijking van het eerste lid een mogelijkheid is vastgelegd waarin een belanghebbende juist wèl in aanmerking kan worden gebracht voor huurtoeslag, niet aan de orde.
2.5.6 Het voorgaande brengt met zich dat verweerder ten onrechte het recht op huurtoeslag
heeft herzien en op nihi heeft vastgesteld. Het bestreden besluit kan geen stand houden en het beroep zal gegrond worden verklaard.
Nu [naam partner] terecht als toeslagpartner is aangemerkt, dient als gevolg daarvan zowel het inkomen van eiseres als het inkomen van [naam partner] bij de vaststelling van de huurtoeslag in aanmerking te worden genomen. De rechtbank ziet geen mogelijkheid zelf in de zaak te voorzien nu zij niet beschikt over de inkomstengegevens van [naam partner]. Bovendien ligt het vaststellen van het juiste bedrag aan huurtoeslag, gelet op de benodigde specialistische kennis, bij uitstek op de weg van verweerder. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Verweerder dient bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar tevens een besluit te nemen over de vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten.
2.6 Er is aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiseres. Bij de vaststelling van de proceskosten neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb en de zaken daarom in zoverre worden beschouwd als één zaak. Voor de proceskostenveroordeling verwijst de rechtbank naar de uitspraak van heden in zaak ZUT 10/1373 HUUR.
3. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de besluiten van 1 juli 2010 en 16 augustus 2010, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 8 februari 2012, gegrond;
- vernietigt het besluit van 8 februari 2012;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 41,00 aan eiseres vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.S. de Vries, voorzitter, en mrs. J.H. van Breda en C.W.C.A. Bruggeman, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2013.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
Afschrift verzonden op: 13 februari 2013.