ECLI:NL:RBONE:2013:BZ5887
Rechtbank Oost-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen hoogte proceskostenvergoeding in WOZ-zaak
Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn onroerende zaak en kreeg bij uitspraak op bezwaar een lagere waarde toegekend met een proceskostenvergoeding. Eiser stelde beroep in tegen de hoogte van deze vergoeding, waarbij de kernvraag was of hij belang had bij het beroep.
De rechtbank constateerde dat eiser en zijn gemachtigde een no cure, no pay-afspraak hadden, waarbij de kosten van de gemachtigde gelijk zijn aan de toegekende proceskostenvergoeding. Dit betekent dat eiser financieel niet slechter of beter af kan zijn door het beroep, omdat een eventuele hogere vergoeding leidt tot een aanvullende rekening van de gemachtigde.
De rechtbank oordeelde dat hierdoor alleen de gemachtigde belang heeft bij het beroep en niet eiser zelf. Omdat belang een vereiste is voor ontvankelijkheid, werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank wees ook op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad die no cure, no pay-afspraken niet in de weg staan aan toekenning van proceskostenvergoedingen.
De uitspraak benadrukt dat een beroep tegen de hoogte van een proceskostenvergoeding niet-ontvankelijk kan zijn als de eiser door afspraken met zijn gemachtigde geen eigen belang heeft bij een hogere vergoeding. De rechtbank wees het beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.