ECLI:NL:RBONE:2013:BZ2964
Rechtbank Oost-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen verschoonbare termijnoverschrijding bij te late betaling griffierechten
In deze civiele procedure stond de vraag centraal of sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding bij de betaling van griffierechten door de gedaagde. De gedaagde betaalde het griffierecht te laat en beriep zich op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv, stellende dat hij geen nota of betalingsherinnering had ontvangen en dat de termijnoverschrijding minimaal was.
De rechtbank oordeelde dat de gedaagde geen recht had op toepassing van de hardheidsclausule. Er was geen sprake van verwarringwekkende informatie van de gerechtelijke administratie voorafgaand aan het verstrijken van de betalingstermijn. De gedaagde had pas na een brief van de rechtbank contact opgenomen en het griffierecht alsnog voldaan. Dit was onvoldoende om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen.
Daarnaast werd het beroep op artikel 6 lid 1 EVRM Pro verworpen. De rechtbank stelde dat het recht op toegang tot de rechter niet absoluut is en dat griffierechten een gerechtvaardigd doel dienen. De heffing van griffierechten tast het recht op toegang niet in de kern aan zolang de betaling mogelijk is, wat hier het geval was.
De rechtbank verleende verstek wegens niet tijdige betaling, maar de gevolgen daarvan vervielen omdat het griffierecht alsnog was betaald. De zaak werd verwezen naar de rolzitting voor conclusie van antwoord, en de kosten van het verstek werden vastgesteld en zullen bij het eindvonnis worden toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de te late betaling van griffierechten niet verschoonbaar is en het beroep op de hardheidsclausule faalt.