ECLI:NL:RBOBR:2026:993

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
WR 25/040
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 39, vijfde lid, Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens onjuiste tussenbeslissing

In de zaak met nummer C/01/414925/HA ZA 25-280, waarin verzoekers gedaagden zijn, werd een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. E.J.C. Adang, rechter in de rechtbank Oost-Brabant. Het verzoek was gebaseerd op het feit dat de rechter een verzoek tot uitstel voor het indienen van een conclusie van antwoord had afgewezen.

Verzoekers stelden dat de rechter vooringenomen was vanwege deze beslissing, mede omdat zij medische behandelingen hadden ondergaan en vakanties gepland waren. De wrakingskamer heeft dit verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 Rv Pro en het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant.

De kamer oordeelde dat een (tussen)beslissing van een rechter, ook indien onjuist of onvoldoende gemotiveerd, geen grond voor wraking kan zijn, tenzij er sprake is van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Dit was niet het geval. Daarom werd het wrakingsverzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.

De beslissing werd op 22 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige wrakingskamer, waarbij geen rechtsmiddel openstaat tegen deze beslissing.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid omdat een onjuiste tussenbeslissing geen grond voor wraking vormt.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 25/040

Beslissing van 22 januari 2026

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) van

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] ,

hierna te noemen: verzoekers,
strekkende tot de wraking van

mr. E.J.C. Adang,

rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.

De procedure

1.1
In de zaak met procedurenummer C/01/414925/HA ZA 25-280 zijn verzoekers gedaagden. In die zaak gaat het om het faillissement van een bedrijf waarvan [verzoeker 1] bestuurder was en de vraag of [verzoeker 1] als bestuurder en [verzoeker 2] als zijn echtgenote aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort.
1.2
In het vonnis van 19 november 2025 heeft de rechter bepaald dat de zaak op de rol zal komen van 31 december 2025 voor een conclusie van antwoord. Op 24 december 2025 hebben verzoekers hun wrakingsverzoek ingediend.

Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop

2.1
Uit het wrakingsverzoek blijkt dat verzoekers het volgende aan hun verzoek ten grondslag hebben gelegd. Verzoekers hebben gevraagd om uitstel voor hun conclusie van antwoord en om toestemming tegen het vonnis van 19 november 2025 incidenteel hoger beroep te mogen aantekenen. Eén van verzoekers was namelijk op 24 november 2025 opgenomen voor behandeling, gemachtigde van verzoekers had op 12 december 2025 een medische behandeling ondergaan en inmiddels waren vakanties gepland in verband met de kerstdagen. Dit verzoek is door de rechter afgewezen. Hiermee waren verzoekers het niet eens en zij hebben vervolgens de rechter gewraakt.
2.2
Op 29 december 2025 heeft de rechter gereageerd op het wrakingsverzoek. Hij heeft aangegeven niet te berusten in het wrakingsverzoek.

De beoordeling

3.1
In artikel 36 Rv Pro is geregeld dat elke rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op verzoek van een partij. De grond voor zo’n verzoek is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van zo’n verzoek is belangrijk dat wordt vermoed dat een rechter door zijn aanstelling als rechter onpartijdig is. Alleen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geldt dit vermoeden niet. Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten dan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegenover een procespartij vooringenomen is. Het kan ook zijn dat een procespartij vrees daarvoor heeft. Die vrees moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot slot is ook de schijn van partijdigheid en het vermijden daarvan, belangrijk bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.
3.2
Bij de behandeling van een wrakingsverzoek maakt de wrakingskamer onder andere gebruik van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: het wrakingsprotocol). Hierin zijn de regels voor het indienen en de behandeling van een wrakingsverzoek vastgelegd. In het wrakingsprotocol is onder andere geregeld dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek meteen zonder zitting (dat is de mondelinge behandeling van een zaak) ongegrond kan verklaren. Dit is mogelijk als het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Dit is geregeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol. De wrakingskamer oordeelt dat deze situatie zich hier voordoet. De wrakingskamer zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
3.3
Verzoeker vindt de rechter vooringenomen, omdat deze een onjuiste beslissing heeft genomen. De rechter heeft namelijk beslist dat er geen uitstel wordt verleend voor het indienen van de conclusie van antwoord. Een (tussen)beslissing van een rechter kan echter nooit grond vormen voor wraking, ook niet indien die beslissing onjuist, onbegrijpelijk, niet of te summier is gemotiveerd (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Dit komt door het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dit houdt in dat alleen de rechtsmiddelen bestaan die in de wet staan vermeld. Dit is uitsluitend anders indien motivering van (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van rechter die haar heeft gegeven. Daarvan is in dit geval geen sprake.
3.4
Gelet op voorgaande overwegingen is de wrakingskamer van oordeel dat er geen grond is voor wraking. Het wrakingsverzoek is daarom kennelijk ongegrond en zal worden afgewezen.

De beslissing

De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. M.E. Bartels en
mr. F.H.E.Boerma, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).