ECLI:NL:RBOBR:2026:989

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
01/402746-24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 SrArt. 592a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en ontslag van rechtsvervolging voor valsheid in geschrifte en verduistering bij valutatransacties

De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van valsheid in geschrifte en verduistering bij valutatransacties. Verdachte had facturen opgesteld en gebruikt voor factuurfinanciering, waarvan één factuur valselijk was opgemaakt. Daarnaast werd verdachte verdacht van verduistering door valutatransacties waarbij hij geldbedragen ontving en gebruikte zonder aanzuivering van roodstand.

De rechtbank oordeelde dat de valsheid in geschrifte voor één factuur bewezen was, maar dat de tenlastelegging niet volledig voldeed aan de vereiste bestanddelen, waardoor het bewezenverklaarde niet strafbaar was. Voor de verduistering werd verdachte vrijgesproken omdat de ontvangen gelden privaatrechtelijk tot zijn vermogen waren gaan behoren en er geen sprake was van wederrechtelijke toe-eigening.

De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De rechtbank bepaalde dat verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen proceskosten dragen. De rechtbank sprak verdachte vrij van verduistering en ontsloeg hem van rechtsvervolging voor valsheid in geschrifte.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verduistering en ontslagen van rechtsvervolging voor valsheid in geschrifte wegens ontbreken van strafbare bestanddelen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 01.402746.24
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [1975] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 december 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2022 tot en met 26 januari 2022 te Meijel, gemeente Peel en Maas, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een debet invoice factuur van €36300 d.d. 10 januari 2022 van hij, verdachte en/of zijn gelieerde onderneming/bedrijf [bedrijf 1] ., gericht aan [bedrijf 2] en/of een credit invoice factuur van €46282 d.d. 26 januari 2022 van hij, verdachte en/of zijn gelieerde onderneming/bedrijf [bedrijf 1] ., gericht aan [bedrijf 2] valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door
- op voornoemde factuur van d.d. 10 januari 2022 de naam van het bedrijf [bedrijf 2] te zetten en/of op de factuur te zetten en (aldus) schijnbaar te doen voorkomen dat [bedrijf 2] een geldbedrag (€36300) aan hij, verdachte en/of [bedrijf 1] . moest betalen, terwijl het bedrijf [bedrijf 2] geen zaken doet met verdachte en/of [bedrijf 1] . en/of verdachte en/of [bedrijf 1] . niet in de financiële huishouding van [bedrijf 2] voorkomt en/of (aldus) het bedrijf [bedrijf 2] in werkelijkheid geen betaling verschuldigd is aan verdachte en/of [bedrijf 1] . en/of
- op voornoemde factuur van d.d. 26 januari 2022 het bedrijf [bedrijf 2] te zetten en/of op de factuur te zetten en (aldus) schijnbaar te doen voorkomen dat hij, verdachte en/of [bedrijf 1] . geld moest betalen aan [bedrijf 2] , terwijl het bedrijf [bedrijf 2] geen zaken doet met verdachte en/of [bedrijf 1] en aldus niet in de financiële huishouding van [bedrijf 2] voorkomt en/of (aldus) verdachte en/of [bedrijf 1] . in werkelijkheid geen betaling verschuldigd is aan [bedrijf 2] ;
2
hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2022 tot en met 26 januari 2022 te Meijel, gemeente Peel en Maas, althans in Nederland eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse en/of vervalste geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren deze echt en onvervalst, door
- een debet invoice factuur van d.d. 10 januari 2022 via Fundr, althans via digitale weg, in te dienen bij de [bank ] in het kader van de aanvraag van een voorfinanciering van voormelde factuur en/of - een credit invoice factuur van d.d. 26 januari 2022, via Fundr, althans via digitale weg, in te dienen bij de [bank ] in het kader van de aanvraag van een voorfinanciering van voormelde factuur en/of hierbij schijnbaar te doen voorkomen dat het ging om een debet invoice factuur;
3
hij in of omstreeks de periode van 19 juli 2022 tot en met 2 september 2022 te Amsterdam en/of Meijel, gemeente Peel en Maas, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
opzettelijk een of meerdere geldbedragen (van in totaal ongeveer €922998,35 euro) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [slachtoffer ] , in elk
geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten een tussen hij, verdachte en/of zijn gelieerde onderneming [bedrijf 3] en [slachtoffer ] gesloten (zakelijke) vreemde valuta overeenkomst, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
4
hij in of omstreeks de periode van 13 maart 2023 tot en met 23 maart 2023 te Utrecht en/of Meijel, gemeente Peel en Maas, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een of meerdere geldbedragen (van in totaal ongeveer €620077,69), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [bank ] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten een tussen hij, verdachte en/of zijn gelieerde onderneming [bedrijf 4] en [bank ] gesloten (zakelijke) vreemde valuta overeenkomst, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft – op de gronden als verwoord in de aantekeningen ten behoeve van het requisitoir – gerekwireerd tot een integrale bewezenverklaring.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte niet opzettelijk valse facturen heeft opgemaakt en niet opzettelijk daarvan gebruik heeft willen maken. Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte zich de ontvangen gelden niet wederrechtelijk heeft toegeëigend. Feitelijk was sprake van een kredietovereenkomst. Verdachte veronderstelde dat hij van die gelden in vrijheid gebruik kon en mocht maken mits hij de roodstand aan de bank zou terugbetalen. Als dat niet was toegestaan, lag het op de weg van de banken om het onstaan van roodstanden technisch onmogelijk te maken. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat deze handelingen misschien gekwalificeerd kunnen worden als oplichting. Aan verdachte is echter verduistering ten laste gelegd, zodat hij behoort te worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal zich per feit uitlaten over de vraag of dat wat ten laste is gelegd bewezen kan worden verklaard.
Feit 1: factuur van € 36.300,- van 10 januari 2022
De rechtbank acht bewezen dat verdachte de factuur van € 36.300,- van 10 januari 2022 valselijk heeft opgemaakt. De rechtbank komt tot deze conclusie omdat zij van oordeel is dat er in het geheel geen werkzaamheden zijn verricht waarvoor een dergelijk bedrag betaald diende te worden.
Verdachte heeft ter terechtzitting uitgelegd dat de gefactureerde werkzaamheden (“Advies 2021”) zien op werkzaamheden die (hoofdzakelijk) door zijn vader zijn verricht vanuit een andere vennootschap ( [bedrijf 5] ) voor [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). Deze werkzaamheden zouden zijn verricht over een langere periode, met name tot 2018. De vader van verdachte overleed in 2018. De rechtbank constateert dat de omschrijving van de werkzaamheden op de factuur daarom niet kan kloppen. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank ook niet aannemelijk geworden dat vanuit [bedrijf 5] tussen 2017 en 2021 enige dienst is verricht waarvoor nog vorderingen open stonden. Bij de beantwoording van de hierover door de rechtbank gestelde vragen heeft verdachte volstaan met het benoemen dat de administratie een puinhoop was en dat hij zich de precieze gang van zaken niet herinnert, ook niet voor wat betreft de diensten die hij zelf na het overlijden van zijn vader zou hebben verricht. Verdachte heeft er voor gekozen om deze factuur op te maken en te verzenden vanuit [bedrijf 1] . (hierna: [bedrijf 1] ), terwijl hij wist dat [bedrijf 1] bij [bedrijf 2] geen aanspraak kon maken op betaling van deze diensten. Dat hierover contact heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [bedrijf 2] is niet aannemelijk geworden en wordt weersproken door het bericht van [bedrijf 2] aan de politie:
“Het bedrijf [bedrijf 1] komt niet in onze boeken voor, het is een onbekende naam voor ons. Er zijn dus geen betalingen verricht aan dit bedrijf en we hebben ook niets ontvangen. (…) Het banknummer is ons ook onbekend.”Uit het voorgaande volgt dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] geen zaken deden met elkaar en dat deze factuur nooit daadwerkelijk aan [bedrijf 2] is verstuurd.
De slotsom is dat deze factuur valselijk is opgemaakt.
Met het oog op de bewezenverklaring kan onbesproken blijven of verdachte bij het opmaken van deze factuur
het oogmerk had om deze factuur als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,nu dit niet ten laste is gelegd.
Feit 1: factuur van € 46.282,- van 26 januari 2022
De rechtbank zal verdachte vrijspreken voor het valselijk opmaken van de factuur van € 46.282,- van 26 januari 2022.
Ten aanzien van deze factuur is verdachte ten laste gelegd dat hij door het vermelden van “credit invoice” bij het opmaken van de factuur (ten onrechte) heeft doen voorkomen alsof [bedrijf 1] geld moest betalen áán [bedrijf 2] . De aanhef op deze factuur kan echter niet anders worden opgevat dan als een kennelijke verschrijving. De factuur bevat voor het overige vooral elementen die erop wijzen dat [bedrijf 1] aanspraak maakte op de betaling dóór [bedrijf 2] van de diensten die in de factuur zijn genoemd (“Adjust mould long playing record 125 hours”, “Adjustment Nozzle 45 hours etc.”). De factuur bevat verder een prijs voor deze diensten, het rekeningnummer van [bedrijf 1] en een betalingstermijn met vermelding “by payment please mention reference number of invoice”. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat de factuur bedoeld was als debetfactuur.
De rechtbank overweegt met het oog op de beoordeling van feit 2 en met verwijzing naar de hiervoor gegeven overweging met betrekking tot de factuur van 10 januari 2022, die onverkort van toepassing is op de factuur van 26 januari 2022, dat deze factuur door verdachte valselijk is opgemaakt als debetfactuur. De tenlastelegging gaat echter uit van een valselijk opgemaakte credetfactuur, zodat dat wat ten laste is gelegd niet bewezen kan worden verklaard.
Feit 2: het gebruik van valse facturen
Bij het aanvragen van financiering via Fundr heeft verdachte tegenover [bank ] doen voorkomen dat uit de hiervoor bij de bespreking van feit 1 reeds aan de orde gekomen facturen volgt dat [bedrijf 1] tegenover [bedrijf 2] de rechtmatige schuldeiser is voor € 36.300,- respectievelijk € 46.282,- (ook voor wat betreft de “credit invoice”). Zoals hiervoor bij feit 1 besproken was verdachte ermee bekend dat dit niet klopte en dat de facturen op dit punt valselijk zijn opgemaakt. Dat heeft verdachte immers zelf gedaan. Hierin ligt besloten dat het opzet van verdachte erop gericht was om de facturen/geschriften als echt en onvervalst te gebruiken. De rechtbank zal feit 2 bewezen verklaren zoals hierna vermeld.
Met het oog op de bewezenverklaring zal de rechtbank onbesproken laten of verdachte
wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geschrift bestemd was voor zodanig (vals) gebruiknu dit bestanddeel niet als zodanig in de tenlastelegging is opgenomen.
Feit 3 en 4: verduistering bij valutatransacties [bank ] en [slachtoffer ]
Verdachte heeft als directeur van twee vennootschappen herhaaldelijk opdracht gegeven aan [slachtoffer ] (in 2022) respectievelijk aan [bank ] (in 2023) om euro’s om te zetten in dollars (bij [slachtoffer ] ), dan wel dollars in euro’s (bij [bank ] ). De opdrachten hebben steeds tot resultaat gehad dat de door verdachte ‘aangekochte’ valuta onmiddellijk beschikbaar kwamen, terwijl de door hem ‘verkochte’ valuta pas later werden afgeschreven. Op de tegenrekeningen waarvan de afschrijving zou moeten plaatsvinden stond (nagenoeg) geen saldo. Verdachte heeft op deze wijze voor $ 1.245.500 laten bijschrijven door [slachtoffer ] en € 535.000,- door [bank ] . Een niet-onaanzienlijk deel van de aangekochte valuta is door verdachte contant opgenomen en/of overgeboekt naar rekeningen van aan hem gelieerde vennootschappen en (vervolgens) naar privérekeningen. Van de opgenomen/overgeschreven saldi heeft verdachte onder meer luxegoederen gekocht en hotels betaald. De afgeschreven saldi zijn niet of nauwelijks terugbetaald en de verantwoordelijke vennootschappen verkeren inmiddels – net als verdachte – in staat van faillissement.
Namens de [bank ] is aangifte gedaan van verduistering, (poging tot) oplichting en witwassen. Namens [slachtoffer ] is aangifte gedaan van (poging tot) oplichting en valsheid in geschrifte.
Juridisch kader
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 321 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Artikel 321 Sr Pro luidt: ‘
Hij die opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toeëigent (…)’.
Volgens vaste rechtspraak is van toe-eigen in de zin van artikel 321 Sr Pro pas sprake indien een persoon,
zonder daartoe gerechtigd te zijn, als heer en meester beschikt over een goed dat
aan een ander toebehoort. Als het goed waarover wordt beschikt (al) aan de betreffende persoon toebehoort kan geen sprake zijn van verduistering. In een zaak waarin een verkoper zich een koopsom toe-eigent zonder het verkochte goed te leveren is door de Hoge Raad uitgemaakt dat de enkele omstandigheid dat degene die krachtens overeenkomst een geldbedrag als koopsom heeft ontvangen (vervolgens) nalaat de door hem verschuldigde tegenprestatie te leveren, nog geen reden is om af te wijken van de uit het burgerlijk recht voortvloeiende regel dat de ontvangen koopsom na het effectueren van die betaling tot het vermogen van de (nalatige) verkoper is gaan behoren (HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8280). In zo’n geval kan de verkoper niet succesvol op grond van verduistering worden vervolgd, omdat in die omstandigheden geen sprake meer kan zijn van toe-eigening.
Beoordeling - geheel of ten dele aan een ander toebehoren
Op de verhouding tussen de vennootschappen van verdachte enerzijds en de [slachtoffer ] respectievelijk [bank ] anderzijds, zijn contractuele voorwaarden van toepassing waarin de privaatrechtelijke verhouding tussen partijen wordt geregeld. Deze voorwaarden bevinden zich grotendeels niet in het procesdossier, maar uit de aangiften valt op te maken dat verdachte naar eigen inzicht over de ontvangen valuta kon en mocht beschikken. Dat ligt ook voor de hand, want tegenover de ontvangst van deze valuta heeft verdachte de verplichting op zich genomen om de tegenwaarde in
anderevaluta terug te betalen. Daarom werd ten aanzien van die valuta na de transactie een roodstand genoteerd op het moment dat het saldo op de tegenrekening onvoldoende is. Verdachte is (in eerste instantie) ook niet door de banken aangemaand om de uitgekeerde valuta
terugte betalen, maar om de roodstand op de tegenrekening aan te zuiveren.
In deze gang van zaken ligt besloten dat de gelden/valuta waarmee verdachte zich heeft verrijkt tot zijn eigen vermogen zijn gaan behoren. Het stond hem (privaatrechtelijk beschouwd) vrij om daarover als heer en meester te beschikken. Van “wederrechtelijke toe-eigenening” is daarom geen sprake geweest.
De conclusie is dat verdachte moet worden vrijgesproken voor het onder de feiten 3 en 4 ten laste gelegde.
Ten overvloede
De rechtbank overweegt ten overvloede nog dat de tenlastelegging voor wat betreft de ten laste gelegde valuta en de pleegperiode niet strookt met de financiële administratie in het procesdossier. Bij de [slachtoffer ] (feit 3) heeft verdachte zich verrijkt met dollars in plaats van euro’s en hebben de bijschrijvingen voor het grootste deel plaatsgevonden ná de laatste ten laste gelegde dag (2 september 2022). Bij de [bank ] (feit 4) beloopt het bedrag waarvoor verdachte (met dollars) euro’s heeft gekocht € 535.000,- en niet het ten laste gelegde bedrag van € 620.077,69. Om voor de rechtbank niet begrijpelijke redenen heeft de steller van de tenlastelegging het bedrag dat gemoeid is met de bij de feiten 1 en 2 betrokken facturen bij het eerstgenoemde bedrag opgeteld.
De rechtbank overweegt – ter voorkoming van misverstanden – dat uit het in deze zaak gewezen vonnis niet kan en mag worden afgeleid dat het handelen van verdachte een toegestane praktijk is. Het komt de rechtbank – minst genomen – aannemelijk voor dat verdachte de voorwaarden van de bank heeft overtreden en dat de banken een vordering op verdachte hebben voor wat betreft de roodstand. Het is ook niet uitgesloten dat verdachte heeft gehandeld in strijd met andere strafbepalingen dan verduistering, maar dat ligt verder niet voor in deze procedure.

De bewezenverklaring (t.a.v. feit 1 en 2)

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
in de periode van 10 januari 2022 tot en met 26 januari 2022 in Nederland een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een debet factuur van € 36.300 d.d. 10 januari 2022 van zijn aan hem gelieerde onderneming [bedrijf 1] ., gericht aan [bedrijf 2] valselijk heeft opgemaakt door- op voornoemde factuur de naam van het bedrijf [bedrijf 2] te zetten en op de factuur te zetten dat [bedrijf 2] een geldbedrag € 36300) aan [bedrijf 1] . moest betalen., terwijl het bedrijf [bedrijf 2] geen zaken doet met [bedrijf 1] . en [bedrijf 1] . niet in de financiële huishouding van [bedrijf 2] voorkomt en het bedrijf [bedrijf 2] in werkelijkheid geen betaling verschuldigd is aan [bedrijf 1] .;
in de periode van 10 januari 2022 tot en met 26 januari 2022 in Nederland opzettelijkgebruik heeft gemaakt van valse geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen als ware deze echt en onvervalst, door- een debet factuur van 10 januari 2022 via Fundr, in te dienen bij [bank ] in het kader van de aanvraag van een voorfinanciering van voormelde factuur en- een credit factuur van 26 januari 2022, via Fundr, in te dienen bij [bank ] in het kader van de aanvraag van een voorfinanciering van voormelde factuur en hierbij schijnbaar te doen voorkomen dat het ging om een debet factuur.
In de tenlastelegging komen taal- en/of schrijffouten voor. Deze zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van de feiten (t.a.v. feit 1 en 2)

Zoals hiervoor is overwogen ontbreekt bij het onder 1 ten laste gelegde het bestanddeel
‘met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken’en bij feit 2 het bestanddeel
‘terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik’.
Het onder de feiten 1 en 2 bewezenverklaarde is zonder deze bestanddelen niet te kwalificeren als een strafbaar feit.
Verdachte zal om die reden voor het onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde ontslagen worden van alle rechtsvervolging.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ]

heeft zich in deze strafzaak gevoegd als benadeelde partij ten aanzien van feit 3. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien verdachte voor dit feit zal worden vrijgesproken.
De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil. De rechtbank zal de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
  • verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor bewezen is verklaard;
  • verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder 1 en 2 bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
  • verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet strafbaar en ontslaat verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging;
  • spreekt verdachte vrij van het onder 3 en 4 ten laste gelegde;
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer ] niet-ontvankelijk in de door haar ingediende vordering. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.F.N. van Schaijk, voorzitter,
mrs. C.A. Mandemakers en M.J.C. van der Vegte, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.F.G. St. Jago, griffier,
en is uitgesproken op 11 februari 2026.