ECLI:NL:RBOBR:2026:673

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
12028870 CV EXPL 25-9931
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verbod tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis met tijdelijke opschorting

In deze zaak staat de vraag centraal of de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis van 29 augustus 2024 moet worden verboden of opgeschort. De huurder, wonend met haar partner en twee minderjarige kinderen in de woning, had de huur voor september en oktober 2025 niet voldaan, waardoor de voorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst in werking trad.

De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van misbruik van bevoegdheid door de verhuurder ABN om het vonnis ten uitvoer te leggen. Er is geen kennelijke juridische of feitelijke misslag, geen noodtoestand en het vonnis is niet te oud om uit te voeren. De huurder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gewijzigde omstandigheden de ontruiming onaanvaardbaar maken.

Wel acht de kantonrechter het in het belang van de minderjarige kinderen en de huurder passend om de ontruiming tijdelijk op te schorten tot 30 dagen na betekening van dit vonnis, zodat er meer tijd is voor het vinden van alternatieve woonruimte en het treffen van passende voorzieningen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het verbod op tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis wordt afgewezen, maar de ontruiming wordt tijdelijk opgeschort om de huurder meer tijd te geven.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 12028870 \ CV EXPL 25-9931
Vonnis in kort geding van 3 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. C.A.M.H. Vink,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
ABN ONROEREND GOED,
gevestigd te Lanaken (België),
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M.C. Blok.
Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en ABN.
De zaak in het kort
In dit kort geding moet worden beoordeeld of de tenuitvoerlegging van het inmiddels onherroepelijk geworden vonnis van 29 augustus 2024 tot ontruiming van een woning moet worden verboden of opgeschort tot 1 mei 2026 of een andere datum.
De kantonrechter wijst de primaire vordering tot het verbieden van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 29 augustus 2024 af, omdat ABN in deze zaak geen misbruik maakt van haar bevoegdheid om over te gaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis. De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden wel aanleiding om de bevoegdheid tot ontruiming tijdelijk op te schorten om [eiser] iets meer tijd te geven om te zorgen voor een andere plek om te wonen en de woning te ontruimen. In die extra tijd zal in overleg met hulpverlenende instanties ook gewerkt kunnen worden aan een oplossing voor de minderjarige kinderen. De kantonrechter licht hierna toe waarom het gelijk in deze zaak grotendeels bij ABN ligt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de betekende dagvaarding van 8 januari 2026 met 7 producties;
- het bericht van [eiser] van 15 januari 2026 met productie 8;
- de akte van [eiser] van 19 januari 2026 met wijziging van het petitum en overlegging van producties 9 en 10;
- het bericht van ABN van 19 januari 2026 met 6 producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. [eiser] is verschenen met mr. N. Roovers, kantoorgenoot van mr. Vink, als haar gemachtigde en vergezeld door haar partner, [A] , en zijn moeder. Ook de gemachtigde van ABN is verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De gemachtigden van [eiser] en ABN hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
1.3.
De kantonrechter heeft aan het eind van de mondelinge behandeling bepaald dat vandaag een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De feiten

2.1.
[eiser] huurt met haar partner (hierna: [A] ) de woning aan het adres [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde), van ABN. De huurprijs bedraagt sinds 1 juli 2025 per maand € 1.422,25.
2.2.
[eiser] en [A] wonen in het gehuurde met hun twee minderjarige kinderen.
2.3.
Bij vonnis van 29 augustus 2024 heeft de kantonrechter de tussen partijen bestaande huurovereenkomst vanwege een huurachterstand voorwaardelijk ontbonden. Daarbij zijn [eiser] en de bewindvoerder van [A] voorwaardelijk veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde, in het geval dat de lopende huurtermijnen niet tijdig en volledig worden betaald. Deze veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.4.
Tegen deze uitspraak heeft [eiser] geen hoger beroep ingesteld en staat geen hoger beroep meer open. De voorwaardelijke veroordeling tot ontruiming van het gehuurde is daardoor definitief.
2.5.
De huur over de maanden september en oktober 2025 is niet (tijdig) voldaan.
2.6.
Bij exploot van 16 december 2025 heeft ABN aan [eiser] en [A] laten aanzeggen dat het vonnis van 29 augustus 2024 ten uitvoer wordt gelegd en dat ontruiming van het gehuurde zal plaatsvinden op 27 januari 2026.
2.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter ABN verzocht om de ontruiming uit te stellen, omdat het vonnis in dit kort geding niet voor de geplande ontruiming kan worden gewezen. De gemachtigde van ABN heeft daarop toegezegd dat niet tot ontruiming zal worden overgegaan zolang geen vonnis is gewezen in deze zaak.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert primair dat ABN wordt verboden over te gaan tot de aangekondigde ontruiming van het gehuurde op basis van het vonnis van 29 augustus 2024, gelet op na dit vonnis ingetreden gewijzigde omstandigheden. Subsidiair vordert [eiser] dat de tenuitvoerlegging van de aangekondigde ontruiming van het gehuurde wordt opgeschort of geschorst tot 1 mei 2026, althans tot een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum. Volgens [eiser] moet de tenuitvoerlegging worden verboden of opgeschort, omdat haar feitelijke en juridische situatie is veranderd sinds het vonnis van 29 augustus 2024, zodat een tenuitvoerlegging daarvan onrechtmatig zou zijn zolang geen nadere rechterlijke toets heeft plaatsgevonden naar de actuele rechtstoestand en de proportionaliteit van de executie. [eiser] vordert veroordeling van ABN in de kosten van deze procedure en vermeerderd met de wettelijke rente daarover, althans compensatie van de proceskosten.
3.2.
ABN is het hier niet mee eens en heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.De beoordeling

Bevoegdheid van de kantonrechter en toepasselijk recht
4.1.
De zaak heeft internationale aspecten, omdat ABNis gevestigd in België. De kantonrechter acht zich bevoegd om over de vorderingen van [eiser] te oordelen, omdat de huurwoning is gelegen in het rechtsgebied van de kantonrechter te Eindhoven. De kantonrechter stelt vast dat het Nederlandse recht van toepassing is op de procedure.
Spoedeisendheid
4.2.
De zaak is spoedeisend vanwege de aard van de vordering en in het licht van de hiervoor weergegeven feiten: [eiser] wil de dreigende ontruiming van haar woning op korte termijn voorkomen.
Wat voorafging
4.3.
Bij vonnis van 29 augustus 2024 (hierna: het vonnis) heeft de kantonrechter, kort gezegd, bepaald dat ABN geen rechten aan de voorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst kan ontlenen en niet tot ontruiming van de woning kan overgaan, zolang [eiser] en [A] vanaf de maand augustus 2024 telkens tijdig en volledig de huurprijs voldoen.
4.4.
ABN heeft een specificatie van de huurachterstand overgelegd. [eiser] heeft deze specificatie niet betwist. Uit de specificatie blijkt het volgende. Sinds de datum van het vonnis zijn de lopende huurtermijnen, inclusief verhoging, een jaar lang voldaan. De huur over de maanden september en oktober 2025 is onbetaald gebleven. De huur voor de maanden daarna is tot en met de maand januari 2026 betaald.
Voorwaarde in vervulling: einde huurovereenkomst en ABN bevoegd tot ontruiming
4.5.
Met het niet-betalen van de huur over de maand september 2025 is de voorwaarde voor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde in vervulling gegaan. Dit betekent dat tussen partijen geen huurovereenkomst meer bestaat sinds september 2025 en dat ABN vanaf dat moment bevoegd is over te gaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis voor zover dat betrekking heeft op de ontruiming van het gehuurde.
Het vonnis mag niet ten worden gelegd bij misbruik van bevoegdheid door ABN
4.6.
Het uitgangspunt is dat het door [eiser] gevorderde verbod op de tenuitvoerlegging of de schorsing daarvan alleen kan worden uitgesproken als, kort gezegd, de tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW Pro zou opleveren. [1]
De kantonrechter kan de tenuitvoerlegging van het vonnis slechts schorsen als hij van oordeel is dat ABN, de partij die het vonnis wil uitvoeren (de executant), geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Daarbij moet ook gelet worden op de belangen van [eiser] , de partij tegen wie het vonnis ten uitvoer wordt gelegd (de geëxecuteerde), die door de executie zullen worden geschaad. Van zo’n situatie kan sprake zijn als het ten uitvoer te leggen vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag of als de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de kant van [eiser] een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
- geen kennelijke juridische of feitelijke misslag4.7. Dat sprake is van een kennelijke juridische of feitelijke misslag is niet gesteld en is niet gebleken.
- geen noodtoestand
4.8.
Ook is niet gebleken van een noodtoestand aan de kant van [eiser] . Het verlies van woonruimte, waarin ook twee minderjarige kinderen wonen, is inherent aan een ontruiming. De belangen van de minderjarige kinderen zijn meegewogen in het vonnis van 29 augustus 2024 en zijn juist bepalend geweest voor het voorwaardelijke karakter van de daarin gegeven beslissing, zodat deze omstandigheid, hoe ingrijpend ook, geen noodtoestand in de onder overweging 4.6 genoemde zin oplevert.
- vonnis niet te oud om nu ten uitvoer te leggen
4.9.
De kantonrechter overweegt dat er geen algemene regel is die inhoudt dat de tenuitvoerlegging van een vonnis na verloop van een bepaalde tijd misbruik van bevoegdheid oplevert. Uit de stukken en dat wat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, begrijpt de kantonrechter dat het vonnis volgens [eiser] te oud is om zonder nieuwe rechterlijke toets ten uitvoer te leggen. De kantonrechter volgt [eiser] niet in dit standpunt. Het vonnis is weliswaar gewezen in augustus 2024, maar het vonnis geeft, gelet op het moment waarop de voorwaarde voor ontbinding en ontruiming in vervulling ging, pas sinds september 2025 aan ABN het recht om het gehuurde te laten ontruimen. Het tijdsverloop van enkele maanden tussen het ontstaan en het gebruik maken van de ontruimingstitel maakt, anders dan [eiser] betoogt, niet dat de actuele rechtstoestand moet worden getoetst en levert in dit geval geen misbruik van bevoegdheid door ABN op. Uit de door ABN overgelegde stukken (productie 6) maakt de kantonrechter op dat ABN de ontruiming bij exploot van 21 oktober 2025 heeft aangezegd tegen 4 november 2025. Dat op die dag geen ontruiming heeft plaatsgevonden en dat ABN de ontruiming opnieuw heeft aangezegd bij exploot van 16 december 2025 maakt het oordeel niet anders.
- geen andere omstandigheden die tenuitvoerlegging onaanvaardbaar maken
4.10.
[eiser] stelt verder dat de feitelijke en juridische situatie na het vonnis zodanig is gewijzigd dat onmiddellijke tenuitvoerlegging van dat vonnis disproportioneel is en niet kan worden aanvaard. Ter onderbouwing van deze stelling wijst [eiser] op vier aspecten, namelijk: voortgezet verblijf gedurende langere tijd; (nagenoeg) voortgezette huurbetalingen; serieuze betalingsperspectieven en de betrokkenheid van twee minderjarige kinderen.
4.11.
Van voortgezet gebruik van de woning gedurende langere tijd is in dit geval geen sprake. Dat komt omdat de huurovereenkomst bij vonnis van 29 augustus 2024 voorwaardelijk is ontbonden en dus bleef gelden zolang aan de voorwaarde van tijdige en volledige betaling van de maandelijkse huurtermijnen werd voldaan. Daarbij past dat [eiser] over die periode de maandelijkse huurtermijnen heeft voldaan.
4.12.
Zoals hiervoor is overwogen, kwam met het niet-betalen van de huur over de maand september 2025 een einde aan de huurovereenkomst. Vanaf dat moment is [eiser] het gehuurde blijven gebruiken. Het gaat om een periode van enkele maanden, namelijk de maanden september tot en met december 2025. Dat is te kort om te kunnen spreken van langdurig voortgezet gebruik. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is dat ABN bij [eiser] de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat zij definitief van ontruiming zou afzien. Dat de verschuldigde huur dus een jaar lang is betaald en dat [eiser] na het einde van de huurovereenkomst in de woning is blijven wonen, zijn in deze situatie geen omstandigheden die de tenuitvoerlegging van het vonnis nu onaanvaardbaar maken.
4.13.
Ook de overige feiten en omstandigheden die [eiser] naar voren heeft gebracht leiden niet tot het oordeel dat ABN misbruik maakt van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis. Van een wanverhouding tussen het belang van ABN bij de uitoefening van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis en het belang van [eiser] bij behoud van het gehuurde als woning voor het gezin, welk belang wordt geschaad door tenuitvoerlegging van het vonnis, is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Het volgende is daarbij van belang.
4.14.
Ter rechtvaardiging van de ontstane huurachterstand over de maanden september en oktober 2025 voert [eiser] aan dat er aan haar kant onvoldoende inkomsten waren als gevolg van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [A] . Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiser] en [A] verklaard dat [A] deze arbeidsovereenkomst op eigen initiatief heeft beëindigd door opzegging. De kantonrechter oordeelt dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst met alle voorzienbare financiële gevolgen van dien onder deze omstandigheden waarin geen sprake is geweest van een van buiten komend onheil, niet leidt tot een onevenredigheid tussen de belangen van [eiser] en ABN.
4.15.
Het siert [eiser] dat zij vanaf november 2025 uit zichzelf maandelijks een vergoeding – die even hoog is als het maandelijkse bedrag aan huur – heeft betaald aan ABN voor het gebruik van de woning. Toch is het feit dat zij die betalingen heeft gedaan onvoldoende om te kunnen aannemen dat de aangezegde ontruiming in dit geval onaanvaardbaar is. Zo maken de vanaf november 2025 verrichte betalingen niet ongedaan dat de voorwaarde voor ontbinding van de huurovereenkomst is vervuld. Ook zijn de twee gemiste huurtermijnen niet alsnog voldaan. Verder gebruikt [eiser] de woning nog, zodat het ook logisch is dat zij daarvoor een vergoeding betaalt aan ABN.
4.16.
[eiser] heeft ook naar voren gebracht dat een verbetering van de financiële situatie te verwachten is vanwege een naderende erfenis in de familie en het langzaamaan kunnen genereren van meer inkomsten door [A] die onlangs een nieuwe arbeidsovereenkomst is aangegaan. Aan de kant van [eiser] is tijdens de mondelinge behandeling over de erfenis verklaard dat de moeder van [A] een uitkering uit een nalatenschap verwacht en dat zij bereid is om uit die middelen een bedrag te betalen aan ABN als aflossing op de huurachterstand en ter voorkoming van de ontruiming. De omvang van het erfdeel en de onvoorwaardelijke toezegging dat een deel daarvan ten goede zal komen aan ABN blijken echter niet uit de overgelegde stukken. Daar komt bij dat ABN gemotiveerd heeft betwist dat een financiële verbetering te verwachten is. Dat er op korte termijn concreet uitzicht komt op een financiële oplossing staat dus niet vast.
4.17.
Verder heeft ABN in de gegeven omstandigheden niet het vooruitzicht dat toekomstige maandelijkse betalingen op tijd en volledig zullen worden verricht. Ook is onzeker of kan en zal worden ingelopen op de aanzienlijke huurachterstand, waarvoor ABN sinds mei 2022 al vele regelingen heeft getroffen die telkens niet zijn nagekomen. Daar komt bij dat [eiser] , gerekend vanaf 29 augustus 2024, ruim voldoende tijd heeft gehad om de financiële situatie meer op orde te brengen en te houden en daarbij uit te kijken naar alternatieven voor de huidige dure woning. Dat dit niet is gelukt, betekent ook niet dat ABN misbruik maakt van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis.
Slotsom
4.18.
Alles afwegende komt de kantonrechter tot de slotsom dat de primaire vordering tot het verbieden van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 29 augustus 2024 niet toewijsbaar is. Wel ziet de kantonrechter in de gegeven omstandigheden, waaronder met name de belangen van de minderjarige kinderen en de vergaande gevolgen van de impulsieve beslissingen van [A] voor [eiser] en de kinderen, aanleiding om de bevoegdheid van ABN tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 29 augustus 2024 voor zover dat ziet op de ontruiming, op te schorten tot 30 dagen na de betekening van dit vonnis in kort geding om [eiser] iets meer tijd te geven om te zorgen voor een andere plek om te wonen en de woning te ontruimen. In die extra tijd zal in overleg met hulpverlenende instanties ook gewerkt kunnen worden aan een oplossing voor de minderjarige kinderen.
Proceskosten
4.19.
[eiser] heeft dit kort geding niet vruchteloos ingesteld en dat levert reden op om de kosten van de procedure te compenseren zoals hierna te melden.
5. De beslissing
De kantonrechter, rechtdoende in kort geding,
5.1.
schort de bevoegdheid van ABN tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 29 augustus 2024 op tot 30 dagen na betekening van dit vonnis in kort geding;
5.2.
compenseert de kosten van de procedure aldus dat iedere partij belast blijft met de eigen kosten;
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.

Voetnoten

1.HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575 (Ritzen/Hoekstra), r.o.v. 3.2 en HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, r.o.v. 5.7.1 en 5.7.2.