ECLI:NL:RBOBR:2026:660

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
01/230080/22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24c SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen handel en bezit van cocaïne tot 24 maanden gevangenisstraf en boete

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van handel in en bezit van cocaïne in de periode van juli tot november 2020. De tenlastelegging betrof het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en/of aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne, een middel als vermeld op Lijst I van de Opiumwet.

Tijdens de terechtzittingen van 19 december 2025 en 7 januari 2026 is een overeenkomst tussen verdachte en het openbaar ministerie vastgesteld, waarbij verdachte vrijwillig instemde met een straf van 24 maanden gevangenisstraf en een geldboete van €50.000. De rechtbank heeft de geldigheid van de dagvaarding, de bevoegdheid en ontvankelijkheid van het OM bevestigd en de procesafspraken getoetst aan het recht op een eerlijk proces.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte in de genoemde periode in vereniging met anderen cocaïne heeft bereid en aanwezig heeft gehad, met uitzondering van december 2020, waar alleen november bewezen werd verklaard. De strafbaarheid van het feit en van verdachte werd bevestigd. De opgelegde straf is lager dan de oorspronkelijke eis van 36 maanden gevangenisstraf vanwege de procesafspraken, maar wordt als passend en in redelijke verhouding tot de ernst van de feiten beschouwd.

De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden op, met aftrek van voorarrest, en een geldboete van €50.000, te vervangen door 225 dagen hechtenis bij niet-betaling. De straf weerspiegelt de ernst van het handelen en het belang van zowel verdachte als de maatschappij, waarbij ook de efficiëntie van de rechtspleging werd meegewogen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf en een geldboete van €50.000 voor medeplegen van handel en bezit van cocaïne.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 01.230080.22
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1993] ,
wonende te [adres ] ,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 december 2025 en 7 januari 2026. In deze zaak is een overeenkomst tussen verdachte en de officier van justitie vastgesteld betreffende procesafspraken [hierna: de overeenkomst].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 november 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij:
1.
op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 16 oktober 2020 te Luyksgestel (gemeente Bergeijk) en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk een of meer hoeveelheden (van een materiaal bevattende) cocaïne, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, heeft bereid, bewerkt, verwerkt en/of aanwezig heeft gehad;
2.
op een of meer tijdstippen in of omstreeks de maanden november en december 2020 te Breda en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk een of meer hoeveelheden (van een materiaal bevattende) cocaïne, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, heeft bereid, bewerkt, verwerkt en/of aanwezig heeft gehad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De beoordeling van de overeenkomst tussen verdachte en het openbaar ministerie betreffende procesafspraken.
De rechtbank is bij de beoordeling van de overeenkomst uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 27 september 2022 [ECLI:NL:HR:2022:1252].
De rechtbank stelt vast dat de verdachte bij de totstandkoming van de overeenkomst werd bijgestaan door zijn raadsman en dat verdachte kennis heeft genomen van de inhoud van die overeenkomst.
De rechtbank heeft tijdens de zitting benadrukt dat de vragen van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging en dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken. De rechtbank heeft de procesafspraken die de verdachte en zijn raadsman met de officier van justitie hebben gemaakt, doorgenomen. De in de overeenkomst vastgelegde afspraken en de consequenties daarvan zijn met verdachte en zijn raadsman besproken. Verdachte heeft ten overstaan van de rechtbank nogmaals bevestigd de inhoud van de overeenkomst en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de overeenkomst en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten en dat de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen geen afbreuk doet aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM Pro toekomende recht op een eerlijk proces.

De beoordeling van het bewijs.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er een bewezenverklaring dient te volgen van beide feiten, met dien verstande dat niet bewezen is dat verdachte ook op tijdstippen in de maand december 2020 nog cocaïne heeft bereid, bewerkt, verwerkt en/of aanwezig heeft gehad, zodat deze handelingen alleen in de maand november 2020 bewezen kunnen worden verklaard. Dit laat de overeenkomst onverlet omdat deze aanpassing geen wezenlijke afbreuk doet aan de omvang, aard en ernst van de feiten.
De rechtbank baseert haar beslissing op de bewijsmiddelen in het dossier. Gelet op de procesafspraken volstaat de rechtbank met een verkort vonnis.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:
1.
op tijdstippen in de periode van 27 juli 2020 tot en met 16 oktober 2020 te Luyksgestel (gemeente Bergeijk) tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk hoeveelheden van een materiaal bevattende) cocaïne, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, heeft bereid, bewerkt, verwerkt en/of aanwezig heeft gehad;
2.
op tijdstippen in de maand november 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, heeft bereid, bewerkt, verwerkt en/of aanwezig heeft gehad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft, overeenkomstig de tussen de verdachte en het openbaar ministerie gesloten overeenkomst, gevorderd dat verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 50.000,-- zal worden veroordeeld. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de overeenkomst.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn draagkracht. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de afspraken in de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende strafeis van de officier van justitie.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en/of aanwezig hebben van forse hoeveelheden cocaïne. Het gebruik van harddrugs zoals cocaïne brengt gezondheidsrisico’s met zich mee en kan tot blijvende schade leiden. Ook werkt het gebruik van verdovende middelen verslaving in de hand met veelal vermogenscriminaliteit en overlast in de samenleving tot gevolg. Terwijl verdachte bezig was met het voorzien in zijn eigen financiële behoefte, heeft hij met zijn handelen daaraan een bijdrage geleverd.
Indien er geen procesafspraken zouden zijn gemaakt, had de officier van justitie een gevangenisstraf van 36 maanden geëist. De procesafspraken resulteren in een lagere straf. Tussen verdachte en het openbaar ministerie is in de overeenkomst een strafeis opgenomen tot veroordeling van verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden en betaling van een geldboete van € 50.000,--. De rechtbank is van oordeel dat deze straf recht doet aan deze zaak, waarbij het belang van verdachte en ook dat van de maatschappij geëerbiedigd wordt. Door de procesafspraken is er immers sprake van een efficiëntere rechtspleging en wordt een hoger beroep voorkomen wat tijdswinst en kostbare zittingscapaciteit oplevert.
Gelet op wat hiervoor werd overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de straf die door de officier van justitie is gevorderd en met welke eis verdachte heeft ingestemd, niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals deze blijkt uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot de straffen zoals de verdachte en het openbaar ministerie die in de overeenkomst hebben afgesproken.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
23, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en
2 en 10 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert telkens op het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B en/of C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen.
 een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 maanden[vierentwintig maanden]
Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
 een
geldboeteten bedrage van
€ 50.000,--[vijftigduizend euro] bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 225 dagen hechtenis
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.C. Palmboom, voorzitter,
mr. G.M. Blanken en mr. G.F.A.M. de Graauw, leden,
in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,
en is uitgesproken op 20 januari 2026.