AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplegen handel en bezit van cocaïne tot 30 maanden gevangenisstraf
De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van handel in en bezit van cocaïne in de periode van juli tot december 2020. De tenlastelegging betrof het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en/of aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne, een middel als vermeld op Lijst I van de Opiumwet.
De zaak werd aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 november 2025 en is behandeld in meervoudige kamer. Tijdens de terechtzittingen van 19 december 2025 en 7 januari 2026 is een overeenkomst tussen verdachte en het openbaar ministerie vastgesteld, waarin procesafspraken zijn gemaakt over de strafmaat. Verdachte heeft vrijwillig ingestemd met deze afspraken, waarbij hij zich bewust was van de rechtsgevolgen en afstand deed van bepaalde verdedigingsrechten.
De rechtbank achtte de bewijsvoering wettig en overtuigend en verklaarde de tenlasteleggingen bewezen. Er zijn geen omstandigheden die strafuitsluiting rechtvaardigen. Gelet op de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de gemaakte procesafspraken, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden op, met aftrek van voorarrest. De voorlopige hechtenis van verdachte wordt gehandhaafd en de strafuitvoering zal zo spoedig mogelijk aanvangen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden voor medeplegen van handel in en bezit van cocaïne.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 01.230045.22
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [1988] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 december 2025 en 7 januari 2026. In deze zaak is een overeenkomst tussen verdachte en de officier van justitie vastgesteld betreffende procesafspraken [hierna: de overeenkomst].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 november 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij:
1. op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 16 oktober 2020 te Luyksgestel (gemeente Bergeijk) en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk een of meer hoeveelheden (van een materiaal bevattende) cocaïne, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, heeft bereid, bewerkt, verwerkt en/of aanwezig heeft gehad;
2. op een of meer tijdstippen in of omstreeks de maanden november en december 2020 te Breda en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk een of meer hoeveelheden (van een materiaal bevattende) cocaïne, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, heeft bereid, bewerkt, verwerkt en/of aanwezig heeft gehad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De beoordeling van de overeenkomst tussen verdachte en het openbaar ministerie betreffende procesafspraken.
De rechtbank is bij de beoordeling van de overeenkomst uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 27 september 2022 [ECLI:NL:HR:2022:1252].
De rechtbank stelt vast dat de verdachte bij de totstandkoming van de overeenkomst werd bijgestaan door zijn raadsman en dat verdachte kennis heeft genomen van de inhoud van die overeenkomst.
De rechtbank heeft tijdens de zitting benadrukt dat de vragen van artikel 348 enPro 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging en dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken. De rechtbank heeft de procesafspraken die de verdachte en zijn raadsman met de officier van justitie hebben gemaakt, doorgenomen. De in de overeenkomst vastgelegde afspraken en de consequenties daarvan zijn met verdachte en zijn raadsman besproken. Verdachte heeft ten overstaan van de rechtbank nogmaals bevestigd de inhoud van de overeenkomst en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de overeenkomst en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten en dat de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen geen afbreuk doet aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRMPro toekomende recht op een eerlijk proces.
De beoordeling van het bewijs.
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er een bewezenverklaring dient te volgen van beide feiten.
De rechtbank baseert haar beslissing op de bewijsmiddelen in het dossier. Gelet op de procesafspraken volstaat de rechtbank met een verkort vonnis.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:
1. op tijdstippen in de periode van 27 juli 2020 tot en met 16 oktober 2020 te Luyksgestel (gemeente Bergeijk) tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, heeft bereid, bewerkt, verwerkt en/of aanwezig heeft gehad;
2. op tijdstippen in de maanden november en december 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, heeft bereid, bewerkt, verwerkt en/of aanwezig heeft gehad.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft, overeenkomstig de tussen de verdachte en het openbaar ministerie gesloten overeenkomst, gevorderd dat verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van voorarrest. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de overeenkomst.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de afspraken in de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende strafeis van de officier van justitie.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en/of aanwezig hebben van forse hoeveelheden cocaïne. Het gebruik van harddrugs zoals cocaïne brengt gezondheidsrisico’s met zich mee en kan tot blijvende schade leiden. Ook werkt het gebruik van verdovende middelen verslaving in de hand met veelal vermogenscriminaliteit en overlast in de samenleving tot gevolg. Terwijl verdachte bezig was met het voorzien in zijn eigen financiële behoefte, heeft hij met zijn handelen daaraan een bijdrage geleverd.
Indien er geen procesafspraken zouden zijn gemaakt, had de officier van justitie een gevangenisstraf van 36 maanden geëist. De procesafspraken resulteren in een lagere straf. Tussen verdachte en het openbaar ministerie is in de overeenkomst een strafeis opgenomen tot veroordeling van verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze straf recht doet aan deze zaak, waarbij het belang van verdachte en ook dat van de maatschappij geëerbiedigd wordt. Door de procesafspraken is er immers sprake van een efficiëntere rechtspleging en wordt een hoger beroep voorkomen wat tijdswinst en kostbare zittingscapaciteit oplevert.
Gelet op wat hiervoor werd overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de straf die door de officier van justitie is gevorderd en met welke eis verdachte heeft ingestemd, niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals deze blijkt uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot de straffen zoals de verdachte en het openbaar ministerie die in de overeenkomst hebben afgesproken.
De voorlopige hechtenis.
Bij beslissing van de raadkamer van deze rechtbank op 29 september 2022 is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst met ingang van 30 september 2022 te 14.00 uur tot aan de einduitspraak. Dit betekent dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte op het moment dat dit vonnis wordt uitgesproken van rechtswege eindigt en de voorlopige hechtenis weer van kracht is. De gronden en de ernstige bezwaren waarop de voorlopige hechtenis van verdachte is gebaseerd zijn naar het oordeel van de rechtbank onverkort van kracht.
Gelet op de voorwaarde die is opgenomen in de tussen verdachte en het openbaar ministerie gesloten overeenkomst dat verdachte tegen dit vonnis geen hoger beroep zal instellen, dat verdachte ter terechtzitting van 19 december 2025 de wens te kennen heeft gegeven dat de executie van een op te leggen gevangenisstraf zo snel mogelijk zal starten en er door de verdediging geen verzoek is gedaan de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen, handhaaft de rechtbank – ambtshalve oordelend – de voorlopige hechtenis van verdachte. Hierbij betrekt de rechtbank ook de ernst van de feiten.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en
2 en 10 van de Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert telkens op het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onderPro B en/of C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen.
een gevangenisstrafvoor de duur van 30 maanden[dertig maanden]
Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.C. Palmboom, voorzitter,
mr. G.M. Blanken en mr. G.F.A.M. de Graauw, leden,
in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,