ECLI:NL:RBOBR:2026:4678

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
01-185129-24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 7 WVWArt. 10 WVWArt. 5a WVWArt. 175 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen straatrace met ernstig verkeersongeval en doorrijden

Op 3 juni 2023 veroorzaakten verdachte en medeverdachte een ernstig verkeersongeval in Helmond door deel te nemen aan een straatrace met snelheden tussen 139,5 en 160 km/u, waar 50 km/u was toegestaan. Door het ongeval liep slachtoffer 1 langdurige klachten op en slachtoffer 2 een gebroken bovenarm met blijvende gevolgen. Verdachte verliet de plaats van het ongeval zonder hulp te bieden.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bestuurder was van de Volkswagen Golf en samen met medeverdachte deelnam aan een straatrace, waarbij sprake was van medeplegen. Het rijgedrag werd gekwalificeerd als roekeloosheid in de zin van artikel 6 WVW Pro. Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een rijontzegging van 4 jaar.

De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot een lichtere straf dan de eis van de officier van justitie. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €13.000 immateriële schadevergoeding aan slachtoffer 2, vermeerderd met wettelijke rente, en werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Een andere schadevordering werd niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden. De straf en maatregelen weerspiegelen de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf 240 uren, voorwaardelijke gevangenisstraf 6 maanden en rijontzegging 4 jaar wegens medeplegen straatrace met ernstig letsel en doorrijden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.185129.24]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.185129.24
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1999] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 juni 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 3 juni 2023 te Helmond, althans in Nederland,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk: Volkswagen Golf),
tezamen en in vereniging met een ander, te weten [medeverdachte] , eveneens als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk: Seat Leon), althans alleen,
daarmede rijdende over de weg, de Europaweg,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn/hun schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam te handelen als volgt:
verdachte heeft rijdende over de Europaweg (gaande in de richting van Deurne),
in strijd met het gestelde in artikel 10 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 deelgenomen aan een straatrace, althans een snelheidswedstrijd en/of
(daarbij) gereden met een zeer hoge snelheid (gemiddeld tussen de 139,5 en 160 kilometer per uur), in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, en/of is daarbij abrupt van rijstrook gewisseld (van rijstrook 2 naar rijstrook 1),
waardoor medeverdachte [medeverdachte] werd gedwongen om ook van rijstrook te wisselen en/of van rijstrook moest wisselen althans eveneens van rijstrook is gewisseld (van rijstrook 1 naar rijstrook 2) en/of (vervolgens) zijn voertuig niet tijdig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was,
waardoor medeverdachte [medeverdachte] met de voorzijde van zijn personenauto tegen een op rijstrook 2 voor het (rode) stoplicht stilstaand taxibusje is gereden,
waardoor een ander en/of anderen,
genaamd [slachtoffer 1] (bestuurder van dat taxibusje), zwaar lichamelijk letsel, te weten langdurige nekklachten en/of hoofdpijn en/of een hersenschudding, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of
genaamd [slachtoffer 2] (inzittende van personenauto, merk: Seat Leon), zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenarm, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
t.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 3 juni 2023 te Helmond, althans in Nederland,als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk: Volkswagen Golf), daarmeerijdende op de weg, de Europaweg, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat deverkeersregels in ernstige mate werden geschonden doorin strijd met het gestelde in art. 10 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 deel te nemenaan een straatrace, althans een snelheidswedstrijd en/of(daarbij) gedurende langere tijd en/of een langere afstand (te weten 760 meter) terijden met een zeer hoge snelheid (gemiddeld tussen de 139,5 en 160 kilometer peruur), in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse geldendemaximumsnelheid van 50 kilometer per uur, en/of daarbij abrupt van rijstrook tewisselen (van rijstrook 2 naar rijstrook 1),door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaarlichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
t.a.v. feit 1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 3 juni 2023 te Helmond, althans in Nederland,als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk: Volkswagen Golf),daarmee rijdende op de weg, de Europaweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaarop die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer opdie weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,immers heeft verdachte rijdende over de Europaweg (gaande in de richting vanDeurne),in strijd met het gestelde in artikel 10 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 deelgenomenaan een straatrace, althans een snelheidswedstrijd en/of(daarbij) gereden met een zeer hoge snelheid (gemiddeld tussen de 139,5 en 160kilometer per uur), in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan de terplaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, en/of is daarbijabrupt van rijstrook gewisseld (van rijstrook 2 naar rijstrook 1),waardoor medeverdachte [medeverdachte] werd gedwongen om ook van rijstrook te wisselenen/of van rijstrook moest wisselen althans eveneens van rijstrook is gewisseld (vanrijstrook 1 naar rijstrook 2) en/of (vervolgens) zijn voertuig niet tijdig tot stilstandkon brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was,waardoor medeverdachte [medeverdachte] met de voorzijde van zijn personenauto tegen eenop rijstrook 2 voor het (rode) stoplicht stilstaand taxibusje is gereden;
t.a.v. feit 2:
dat hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt,
welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Helmond op/aan de Europaweg,
op of omstreeks 3 juni 2023,
de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,
- aan een ander (te weten [medeverdachte] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 1] ) letsel en/of schade was toegebracht en/of
- een ander (te weten [medeverdachte] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 1] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, waarbij sprake is van roekeloosheid als schuldgradatie. Ook het onder feit 2 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de bestuurder was van de Volkswagen Golf. Indien de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte de bestuurder was, verzoekt de raadsvrouw om vrijspraak voor het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde omdat geen sprake van (mede)plegen en ook niet van een straatrace. Voor wat betreft een bewezenverklaring van het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de bewijsbijlage bij dit vonnis.
Vaststelling van de feiten
Op 3 juni 2023 om 21:27 uur heeft er in Helmond op de Europaweg een botsing plaatsgevonden tussen een Seat Leon met het kenteken [kenteken 2] en een Mercedes-Benz Sprinter (hierna: taxibus) met het kenteken [kenteken 1] . De Seat Leon werd bestuurd door medeverdachte [medeverdachte] en de taxibus door [slachtoffer 1] (slachtoffer 1).
Op camerabeelden is te zien dat er direct voorafgaande aan het ongeval twee voertuigen, te weten de Seat Leon en een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 3] , met hoge snelheid over de Europalaan rijden. Daarbij rijdt de Seat Leon op de linkerrijstrook en de Volkswagen Golf op de rechterrijstrook. Kort voor het ongeval wisselt de Volkswagen Golf abrupt van rijstrook (van rechts naar links) en remt, waarna de Seat Leon ook van rijstrook wisselt (van links naar rechts) en remt. Ondanks de ingezette remactie botst de Seat Leon tegen de taxibus die op dat moment stilstond voor een rood verkeerslicht (ter hoogte van de Oranjelaan). Het verkeerslicht springt vlak voor het ongeval op groen en de Volkswagen Golf rijdt, langs het ongeval, rechtdoor.
De Seat Leon werd bestuurd door [medeverdachte] , de medeverdachte. In diens auto zaten ten tijde van het ongeval nog vier anderen, te weten: [slachtoffer 5] (bijrijder), [slachtoffer 2] (links achterin), [slachtoffer 4] (midden achterin) en [slachtoffer 3] (rechts achterin).
Uit het onderzoek van de politie is verder gebleken dat de Seat Leon en de Volkswagen Golf direct voor het ongeval over een afstand van 760 meter met hoge snelheid naast elkaar hebben gereden. Beide voertuigen hebben daarbij snelheden behaald tussen de 139,5 km/u en 160 km/u, terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 50 km/u geldt.
Bestuurder van de Volkswagen Golf
Allereerst moet de vraag worden beantwoord of verdachte de bestuurder is geweest van de Volkswagen Golf. Anders dan door de verdediging is betoogd, acht de rechtbank dit wettig en overtuigend bewezen. Het kenteken is nagetrokken en daaruit bleek dat verdachte de tenaamgestelde van het voertuig was. Verdachte is door de politie gevorderd om (op grond van artikel 165 WVW Pro) de naam en adres op te geven van de persoon die op dat moment de Volkswagen Golf bestuurd zou hebben, maar hij heeft hieraan niet voldaan. Ook de in het dossier bevindende chatberichten tussen verdachte en zijn vriendin, en de verklaring van de vader van verdachte dat zijn zoon de auto nooit uitleent, wijzen er op dat verdachte toen de bestuurder was. Hiertegenover heeft verdachte geen enkele onderbouwde verklaring afgelegd, maar het gehouden bij de enkele kale ontkenning dat hij bestuurder van de Volkswagen Golf is geweest op het moment van het ongeval.
Straatrace
Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de vraag of sprake is geweest van een straatrace. Van een straatrace is sprake als voldaan wordt aan de definitie van een wedstrijd, zoals is bedoeld in artikel 10 WVW Pro.
Artikel 10 WVW Pro houdt voor zover relevant het volgende in:
“1. Het is verboden op de weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen.
2. Onder wedstrijd wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan elk rijden met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties (…).”
De rechtbank stelt vast dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte met zijn medeverdachte enige afspraak heeft gemaakt voor het houden van een geplande of georganiseerde wedstrijd of straatrace. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of het weggedrag van beide verdachten (naar uiterlijke verschijningsvorm) dusdanig van aard was dat dit niet anders kan worden gezien als een wedstrijd zoals bedoeld in artikel 10 WVW Pro. Gelet op de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 25 januari 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:160) dient de rechtbank hierbij, behalve de snelheid van de voertuigen, te betrekken of sprake is geweest van herhaaldelijk en/of over een langer stuk naast elkaar rijden, elkaar proberen af te snijden of elkaar meerdere keren inhalen.
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte en medeverdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm redelijkerwijs niet anders kunnen worden opgevat dan als een wedstrijd als bedoeld in artikel 10 WVW Pro. Daarbij vindt de rechtbank, naast de behaalde snelheden, het navolgende van belang:
- bij de verkeerslichten op de kruising Europaweg/Hortsedijk staan de voertuigen van verdachte en medeverdachte vooraan naast elkaar, ieder op hun eigen rijstrook;
- bij groenlicht zijn beide voertuigen vol gas weggereden op hun eigen baan;
- bij de verkeerslichten op de kruising van de Boerhaavelaan/Europaweg staan de voertuigen van verdachte en medeverdachte opnieuw vooraan naast elkaar en ook hier trekken beide verdachten snel op en rijden zij zeer hard weg;
- de Volkswagen Golf wisselt abrupt van rijstrook, waarbij de Seat Leon wordt afgesneden en waarna de Volkswagen Golf (inmiddels rijdend kort voor de Seat Leon) remt; en
- de Seat Leon wisselt hierop ook abrupt van rijstrook, maar kan botsing met de taxibus niet voorkomen.
Verder weegt de rechtbank mee dat de medeverdachte bij de politie heeft verklaard dat hij met de Volkswagen Golf “mee is gaan rijden”.
Deze verklaring in samenhang met de overige hiervoor genoemde vaststellingen, kunnen naar het oordeel niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte en medeverdachte met elkaar in een wedstrijd waren verwikkeld om wie het hardst kon rijden.
Medeplegen
In het straatracen ligt een nauwe en bewuste samenwerking besloten door de competitieve en/of rivaliserende dynamiek. Die dynamiek brengt met zich dat de ene gevaarlijke verkeersgedraging onlosmakelijk wordt gevolgd door andere gevaarlijke verkeersgedraging. Daarin ligt dan ook een bewuste en nauwe samenwerking besloten. In die dynamiek valt ook redelijkerwijs te voorzien dat het onderling samenhangende, gevaarlijke verkeersgedrag tot een verkeersongeval kan leiden met ernstige gevolgen. Er was sprake van een wisselwerking tussen de onderlinge verkeersgedragingen waardoor de botsing tussen de Seat Leon en de taxibus niet alleen toe te rekenen is aan de medeverdachte, maar ook aan verdachte. Er is dus sprake van medeplegen.
Aan zijn schuld te wijten; artikel 6 WVW Pro
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het rijgedrag van verdachte schuld oplevert in de zin van artikel 6 WVW Pro, en zo ja, in welke gradatie.
Bij de beoordeling van de schuldvraag komt het, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, waarbij roekeloos geldt als de zwaarste vorm van schuld.
Van roekeloosheid is sprake wanneer zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat de verdachte zich hiervan bewust was of had moeten zijn.
Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175, tweede lid, WVW bepaald dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
De rechtbank moet beoordelen of verdachte met de vastgestelde verkeersgedragingen, die hebben geleid tot het ongeval, (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a. Schending van de verkeersregels
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het schenden van meerdere verkeersregels. Zo heeft verdachte de maximumsnelheid fors overtreden. Verder heeft verdachte deelgenomen aan een straatrace als bedoeld in artikel 10 WVW Pro.
b. Ernstige mate
De combinatie van de door verdachte geschonden verkeersregels maakt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
c. Opzettelijk
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, het niet anders kan dan dat verdachte deze overtredingen van de verkeersregels opzettelijk heeft begaan en zijn opzet was gericht op het in ernstige mate schenden van deze verkeersregels. De overtredingen die hij tijdens het besturen van de auto heeft begaan, namelijk het fors harder rijden dan toegestaan en het deelnemen aan een straatrace, zijn het directe gevolg van de wijze waarop hij de auto heeft bestuurd en heeft deelgenomen aan het verkeer.
d. Gevaar te duchten
Met het overtreden van deze verkeersregels was levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten. De rechtbank acht het voorzienbaar dat er een gevaarlijke verkeerssituatie kan ontstaan als op de openbare weg een straatrace wordt gehouden, zeker op kruispunten. Dit gevaar heeft zich met het door verdachte mede-veroorzaakte ongeval ook daadwerkelijk verwezenlijkt.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gedragingen van verdachte moeten worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Op grond van artikel 175, tweede lid, WVW is hiermee de schuldgradatie van roekeloosheid gegeven.
Het letsel
Slachtoffer [slachtoffer 1] heeft door het ongeval letsel opgelopen. Gedurende een half jaar heeft hij diverse klachten gehad (hersenschudding, geheugenverlies, problemen met evenwicht, spierpijn in nek en schouders), waardoor hij niet kon studeren en werken en geen bijdrage kon leveren aan het huishouden. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft door het ongeval onder andere een gebroken bovenarm opgelopen waaraan hij moest worden geopereerd. Hij ondervindt tot op heden hinder van de breuk, zo blijkt uit de toelichting op het verzoek tot schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte zodanig gedragen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro. De schuldgradatie betreft roekeloosheid. Als gevolg van zijn gedraging heeft slachtoffer [slachtoffer 1] zodanig letsel opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en heeft slachtoffer [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde feit en het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
t.a.v. feit 1 primair:
op 3 juni 2023 te Helmond,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk: Volkswagen Golf),
tezamen en in vereniging met een ander, te weten [medeverdachte] , eveneens als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk: Seat Leon),
daarmede rijdende over de weg, de Europaweg,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan hun schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, te handelen als volgt:
verdachte heeft rijdende over de Europaweg (gaande in de richting van Deurne),
in strijd met het gestelde in artikel 10 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 deelgenomen aan een straatrace, en
daarbij gereden met een zeer hoge snelheid (gemiddeld tussen de 139,5 en 160 kilometer per uur), en is daarbij abrupt van rijstrook gewisseld (van rijstrook 2 naar rijstrook 1),
waardoor medeverdachte [medeverdachte] werd gedwongen om ook van rijstrook te wisselen en van rijstrook moest wisselen (van rijstrook 1 naar rijstrook 2) en vervolgens zijn voertuig niet tijdig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was,
waardoor medeverdachte [medeverdachte] met de voorzijde van zijn personenauto tegen een op rijstrook 2 voor het (rode) stoplicht stilstaand taxibusje is gereden,
waardoor anderen,
genaamd [slachtoffer 1] (bestuurder van dat taxibusje), zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en
genaamd [slachtoffer 2] (inzittende van personenauto, merk: Seat Leon), zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenarm, werd toegebracht;
t.a.v. feit 2:
als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt,
welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Helmond aan de Europaweg,
op 3 juni 2023,
de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden,
- aan een ander letsel en/of schade was toegebracht en
- een ander (te weten [medeverdachte] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 1] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een rijontzegging van 36 maanden.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Bij een bewezenverklaring heeft de raadsvrouw gepleit voor oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een geheel voorwaardelijke rijontzegging, eventueel in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft door zijn roekeloos rijgedrag een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Dit ongeval is ontstaan doordat verdachte samen met zijn medeverdachte heeft deelgenomen aan een straatrace; zij hebben binnen de bebouwde kom met veel te hoge snelheid naast elkaar gereden. Door het ongeval heeft slachtoffer [slachtoffer 1] een hersenschudding opgelopen waardoor hij drie tot vijf maanden niet kon studeren of werken. Slachtoffer [slachtoffer 2] , de inzittende minderjarige zoon van de medeverdachte, liep onder meer een klaplong op. Daarnaast waren zijn beide longen gekneusd en was sprake van een ernstige breuk van zijn rechterbovenarm, waaraan hij tot de dag van vandaag klachten ondervindt, zoals krachtverlies en een groot en ontsierend litteken. Ook de medeverdachte heeft ernstig letsel opgelopen bestaande uit twee verbrijzelde knieschijven. Verdachte is na de aanrijding doorgereden zonder zijn gegevens achter te laten en zonder hulp te bieden aan de gewonden.
Persoon van verdachte
Kijkend naar de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank ziet in het strafblad van verdachte dan ook geen strafverzwarende omstandigheden.
In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft willen nemen.
Redelijke termijn
De rechtbank constateert dat het recht van verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, is geschonden. De rechtbank heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de redelijke termijn is aangevangen op 31 augustus 2023, de dag dat verdachte door de politie is gehoord. Er is geen sprake van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop geheel of gedeeltelijk is toe te rekenen aan de verdediging. Ook is er geen sprake van feiten of omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt. Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door deze rechtbank de redelijke termijn met 10 maanden is overschreden. Dit brengt de rechtbank tot een andere strafmodaliteit.
Op te leggen straffen
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het met een zeer hoge mate van schuld veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij het slachtoffer als gevolg van dat ongeval zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, nemen de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en een rijontzegging van 2 jaren tot uitgangspunt. Die zeer hoge mate van schuld is echter niet hetzelfde als de zwaardere vorm van schuld, roekeloosheid, die hier aan de orde is.
Waar de rechtbank zonder overschrijding van de redelijke termijn een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden had geacht, zal de rechtbank nu – alles afwegende – de maximale taakstraf opleggen voor de duur van 240 uren.
Vanwege de aard en ernst van de feiten en als stok achter de deur zal de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren opleggen.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat een rijontzegging moet volgen. Hiermee wordt niet alleen beoogd verdachte duidelijk te maken dat zijn rijgedrag buitengewoon onveilig was, maar ook verkeersdeelnemers voor langere tijd te beschermen tegen mogelijke herhaling van dit rijgedrag. Dit maakt dat de rechtbank een rijontzegging van 4 jaren op zijn plaats acht en deze dan ook aan verdachte zal opleggen.
De rechtbank legt een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 26.000,- ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met hoofdelijke aansprakelijkheid.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
Gezien de bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Hiertoe heeft zij gewezen op de complexiteit van de gevorderde letselschade en de hoogte ervan in combinatie met het zeer laat indienen van de vordering. De vordering is namelijk pas op 15 juni 2026 ingediend, terwijl de zittingsdatum al zeer geruime tijd bekend was. Dit levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de schade te matigen.
Beoordeling.
De rechtbank stelt vast dat de vordering door de benadeelde partij is ingediend op 12 juni 2026. Anders dan de raadsvrouw acht de rechtbank de vordering niet dusdanig complex dat, ook als zij de vordering pas op 15 juni 2026 heeft ontvangen, zij deze niet voldoende had kunnen bestuderen en kunnen betwisten. Van een onevenredige belasting van het strafgeding is zodoende geen sprake.
Door de benadeelde partij wordt een immateriële schadevergoeding gevorderd. De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek onder andere recht op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen in de zin van een gebroken bovenarmbot. Aangezien de benadeelde daar vandaag de dag, drie jaar na het ongeval, nog altijd last van heeft, beschouwt de rechtbank dit als blijvend letsel.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding neemt de rechtbank categorie 5.4 onder b van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt, nu sprake is van een gebroken
humerus(bovenarmbot) die de schoudermobiliteit blijvend beperkt. Deze categorie heeft een bandbreedte van € 8.500,- tot € 13.000,-. De rechtbank hanteert een normbedrag van € 10.000,-. Gelet op de jeugdige leeftijd van de benadeelde en de verwijtbaarheid/opzet op het letsel, zal de rechtbank het normbedrag verhogen met tweemaal 15%. Alles overwegende begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 13.000,-.
De rechtbank acht de vordering dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 13.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het resterende deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] .
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 5] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.660,- ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met hoofdelijke aansprakelijkheid.
De materiële schade bestaat uit de volgende posten:
  • € 1.200,- (fiets + kinderzitje);
  • € 260,- (trainingspak);
  • € 1.200,- (telefoon (iPhone 15 Pro).
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Primair omdat zij vrijspraak heeft bepleit, subsidiair omdat er geen rechtstreeks verband is tussen de schade en strafbare feiten.
Beoordeling.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat geen sprake is van enig rechtstreeks verband met de bewezen verklaarde feiten.
De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57 Wetboek van Strafrecht
6, 7, 175, 176, 179 Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
- verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1 primair:
medeplegen van overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat

en

medeplegen van overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
t.a.v. feit 2:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Wegenverkeerswet 1994
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen en maatregel:
t.a.v. feit 1 primair, feit 2:
Een
taakstrafvoor de duur van
240 urensubsidiair 120 dagen hechtenis.
t.a.v. feit 1 primair, feit 2:
Een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 maanden voorwaardelijkmet een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
t.a.v. feit 1 primair, feit 2:
Een
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
4 jaren.
t.a.v. feit 1 primair:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
De rechtbank
wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van
13.000,- euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.
De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van
13.000,- euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 90 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.
De rechtbank bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
t.a.v. feit 2:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] :
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij
niet-ontvankelijkis in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.E. Bartels, voorzitter,
mr. W.M.T. Keukens en mr. I.C. Meuris, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,
en is uitgesproken op 2 juli 2026.