ECLI:NL:RBOBR:2026:4659

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
26/1281, 26/1308 en 26/1337
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 5.5.2 bestemmingsplanArt. 1.55 bestemmingsplanArt. 8:81 AwbArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling handhaving parkeerbedrijf in strijd met bestemmingsplan rond Eindhoven Airport

De zaak betreft verzoeken om voorlopige voorzieningen tegen lasten onder dwangsom die de gemeente Eindhoven heeft opgelegd aan drie verzoeksters vanwege het exploiteren van parkeerbedrijven op terreinen met een kantoor/bedrijf-bestemming rond Eindhoven Airport.

De voorzieningenrechter beoordeelt of het college bevoegd was tot handhaving en of de opgelegde dwangsommen en begunstigingstermijnen redelijk zijn. Uit controles blijkt dat parkeerterreinen werden gebruikt voor commerciële parkeeractiviteiten, wat in strijd is met het bestemmingsplan en de Omgevingswet. Verzoeksters betwisten dit en beroepen zich op eerdere uitspraken en de uitleg van planregels.

De voorzieningenrechter volgt het college en stelt vast dat het gebruik van de terreinen voor commerciële parkeerbedrijven strijdig is met het bestemmingsplan. Er is geen concreet zicht op legalisatie en geen bijzondere omstandigheden die handhaving onevenredig maken. De begunstigingstermijn van negen weken is passend en de hoogte van de dwangsommen is proportioneel gezien het financiële gewin en recidive.

De verzoeken om voorlopige voorzieningen worden afgewezen, waardoor de last onder dwangsom blijft gelden. De uitspraak is definitief en bindt niet in een eventuele bodemprocedure.

Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorzieningen worden afgewezen en de last onder dwangsom blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 26/1281, 26/1308 en 26/1337

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juli 2026 in de zaken tussen

[Verzoeker] , uit [plaatsnaam] , verzoekster 1

(gemachtigde: mr. T.J.J. Slegers),

[Verzoeker] ., uit [plaatsnaam] , verzoekster 2

(gemachtigde: mr. S.J.M.M. Huijbers),

[Verzoeker] uit [plaatsnaam] , verzoekster 3

(gemachtigde: mr. M.P. Peters).
hierna gezamenlijk aangeduid als verzoeksters
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, het college
(gemachtigde: mr. G.D. van Leeuwen en mr. J. van den Boom).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de opgelegde lasten onder dwangsom om het exploiteren van een parkeerbedrijf op gronden met de bestemming kantoor/bedrijf te beëindigen. Verzoeksters zijn het niet mee eens met de aan hen opgelegde last onder dwangsom. Zij verzoeken daarom om voorlopige voorzieningen en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij voorlopige voorzieningen zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeksters.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 13 maart 2026 heeft het college aan verzoekster 1 een last onder dwangsom opgelegd van € 50.000,00 per geconstateerde overtreding tot een maximum van € 250.000,00 om het laten gebruiken van haar parkeerterrein aan de [adres] ten behoeve van parkeren uiterlijk 15 mei 2026 te beëindigen en beëindigd te houden. Aan verzoekster 2 en verzoekster 3 heeft het college bij de bestreden besluiten van 13 maart 2026 een last onder dwangsom opgelegd van
€ 50.000,00 respectievelijk € 75.000,00 per constatering tot een maximum van € 250.000,00 respectievelijk € 375.000,00 om uiterlijk 15 mei 2026 het parkeerterrein aan de [adres] te (laten) gebruiken door dan wel ten behoeve van hun parkeerbedrijf. Verzoeksters hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om voorlopige voorzieningen te treffen.
2.1.
Het college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Verzoekster 1 en verzoekster 3 hebben nader gereageerd.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 17 juni 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeksters, de gemachtigden van verzoeksters en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit
3. Verzoekster 1 is eigenaresse van de panden [adres] , met de kadastrale aanduiding [nummer] . Zij heeft de parkeerterreinen van deze panden tot 1 februari 2029 verhuurd aan verzoekster 2 die deze parkeerplaatsen gebruikt bij de exploitatie van haar parkeerbedrijf. Verzoekster 2 en verzoekster 3 hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan verzoekster 3 gedurende de periode van 1 november 2024 tot 1 november 2029 exclusief gebruik kan maken van parkeerplaatsen van verzoekster 2, waaronder 89 parkeerplaatsen op [adres] . De overeenkomst wordt per 1 november telkens voor een periode van twaalf maanden verlengd tenzij de overeenkomst minimaal drie maanden daarvoor schriftelijk wordt opgezegd.
3.1.
Op 28 februari 2025 en 4 maart 2025 is bij controles geconstateerd dat op de parkeerterreinen bij [adres] auto’s geparkeerd stonden met Nederlandse en buitenlandse kentekens. De kantoorgebouwen op [adres] stonden te huur op Funda en waren niet in gebruik.
3.2.
Op 16 april 2025 is aan verzoekster 1 een vooraankondiging van het opleggen een bestuurlijke sanctie gezonden. Verzoekster 1 diende er voor 25 april 2025 zorg voor te dragen dat de parkeerterreinen niet meer worden gebruikt totdat voor de locatie [adres] nieuwe huurders voor de kantoorpanden en de bijbehorende parkeerterreinen zijn gevonden. Verzoekster 1 heeft tegen het voornemen geen zienswijze ingediend.
3.3.
Op 20 mei 2025 zijn aan verzoeksters 2 en 3 vooraankondigingen van het opleggen van een bestuurlijke sanctie gezonden. Verzoekster 2 diende voor 30 mei 2025 het gebruiken en laten gebruiken van de parkeerterreinen ten behoeve van haar parkeerbedrijf te staken. Verzoekster 3 diende voor 20 mei 2025 het gebruik van de parkeerterreinen ten behoeve van haar parkeerbedrijf te staken. Verzoeksters 2 en 3 hebben tegen de vooraankondiging zienswijzen ingediend.
3.4.
Op 2 mei 2025 en 2 februari 2026 hebben er hebben er bij [adres] wederom controles plaatsgevonden. Bij die controles is geconstateerd dat de kantoren op die locatie leegstonden respectievelijk grotendeels leeg stonden en dat er op de locatie auto’s geparkeerd stonden. Verder is bij de controle van 2 mei 2025 geconstateerd dat van deze geparkeerde auto’s er auto’s werden opgehaald en gereden werden naar [adres] waar zij werden opgehaald door klanten. Bij de controle van 2 februari 2026 is geconstateerd dat er auto’s naar de parkeerterreinen van [adres] werden gebracht, waarna de bestuurders zonder de kantoren op [adres] te betreden, naar [adres] liepen. Ook is geconstateerd dat auto’s bij [adres] werden opgehaald en naar [adres] werden gereden. Bij beide controles is geconstateerd dat bestuurders de slagbomen van [adres] konden openen.
3.5.
Op 13 maart 2026 heeft het college de bestreden besluit genomen en verzoeksters gelast de in dat besluit genoemde overtredingen uiterlijk 15 mei 2026 te beëindigen op straffe van verbeurte van dwangsommen.
3.6.
Met de besluiten van 1 mei 2026 en 8 mei 2026 heeft het college de begunstigingstermijn voor verzoekster 1 respectievelijk verzoeksters 2 en 3 verlengd tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Wettelijk kader
3.7.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Dat betekent dat Omgevingswet van toepassing is. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente [1] . Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.
3.8.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
3.9.
Voor het perceel was voor 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Eindhoven Airport ” van toepassing. Het bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Eindhoven. Volgens het bestemmingsplan en de plankaart geldt op het perceel [adres] de bestemming ‘Bedrijf-3 [2] met de functie aanduiding “specifieke vorm van bedrijf -3-4”.
3.10.
Op grond van artikel 5.5.2 aanhef en onder i, van het bestemmingsplan wordt onder strijdig gebruik met de bestemming zoals vermeld in artikel 5.1 in ieder geval gerekend het gebruik, in gebruik geven of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken en/of gebouwen ten behoeve van een parkeerbedrijf.
3.11.
Een parkeerbedrijf is gedefinieerd als het bedrijfsmatig aanbieden van parkeerplaatsen in een bebouwde voorziening of op een onbebouwde voorziening, anders dan voor werknemers en bezoekers van het eigen bedrijf. Het betreft in ieder geval autoparkeerterreinen en/of parkeergarages met SBI-code 5221 (SBI-2008) [3] .
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
4.1.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeksters een spoedeisend belang hebben bij hun verzoek, nu verzoeksters niet enkel forse dwangsommen dreigen te verbeuren, maar verzoeksters ook het gebruik dat zij van [adres] maken of laten maken dienen te staken hetgeen consequenties kan hebben voor hun bedrijfsvoering.
Is er aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen?
5. In de bezwaarfase is het aan het college om te beslissen op de bezwaren die verzoeksters tegen de opgelegde lasten onder dwangsom hebben ingediend. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de bezwaarfase is in beginsel alleen aanleiding als het besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging in bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet (volledig) in stand kan blijven. Hierbij beperkt de voorzieningenrechter zich tot een beoordeling op hoofdlijnen van de kans van slagen van het bezwaarschrift. Daarna zal hij afwegen of de belangen van verzoeksters om het besluit te schorsen al dan niet zwaarder wegen dan de belangen van verweerder en vergunninghouder bij het in stand laten van het besluit. Daarbij geldt dat, hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemprocedure niet.
Is er sprake van een overtreding?
5.1.
Volgens het college is er sprake van gebruik van [adres] in strijd met het bestemmingsplan omdat verzoeksters de parkeerplaatsen op het perceel (laten) gebruiken voor commercieel parkeren door een parkeerbedrijf. Het gebruik van [adres] door of ten behoeve van een parkeerbedrijf is in strijd met het bestemmingsplan. Parkeren is alleen maar toegestaan van voertuigen van werknemers en bezoekers van de bedrijven van [adres] , alle andere vormen van parkeren vallen onder de definitie van een parkeerbedrijf, wat op de locatie van [adres] verboden is. Er is sprake van een overtreding op grond van artikel 5.1, onder a, van de Omgevingswet omdat er zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit wordt verricht.
5.2.
Verzoekster 1 en 3 voeren aan dat er geen sprake is van een overtreding omdat op [adres] geen parkeerplaatsen aan derden worden aangeboden in de zin van artikel 1.55 van de planregels. Op [adres] vindt het aanbieden van de auto’s, de reservering, de sleuteloverdracht en het klantcontact plaats. Dat is daar ook toegestaan en [adres] fungeert als logistiek bufferterrein waar de klanten niet komen. Het verbod waar artikel 1.55 op ziet, vereist dat op het betrokken perceel parkeerplaatsen worden aangeboden en daarvan is op [adres] geen sprake Volgens verzoekster 1 en 3 is er daarmee geen sprake van overtreding van artikel 5.5.2, aanhef en onder 1, van de planregels. Verzoekster 1 en 3 verwijzen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 november 2021 [4] respectievelijk de uitspraak van 29 november 2022 [5] over [adres] waarin in rechtsoverweging 8.3 respectievelijk rechtsoverweging 15 uitdrukkelijk overwogen zou zijn dat artikel 4.1 en 1.55 van de planregels, in onderlinge samenhang bezien, betrekking hebben op het parkeren op de locatie zelf. Niet de fysieke aanwezigheid van voertuigen op de locatie is doorslaggevend, maar het feit dat op de locatie commercieel parkeren wordt aangeboden. Artikel 1.55 ziet op het commercieel aanbieden van op de locatie zelf en niet enkel en alleen op de aanwezigheid van voertuigen.
5.3.
Het college stelt zich op het standpunt dat de door verzoekster 1 genoemde rechtsoverweging 8.3 ziet op de vraag in die procedure of valet-parking valt onder het gebruiksgebod. In die procedure werd betoogt dat met het enkel innemen van een auto er nog geen sprake was van strijd met het gebruiksverbod van artikel 1.55 van de planregels. In rechtsoverweging 8.4 van de genoemde uitspraak stelt de voorzieningenrechter vast dat valet-parking ook onder het strijdig gebruik valt voor zover het het innemen van auto’s op een bepaalde locatie betreft. Dit oordeel van de voorzieningenrechter is bevestigd in de uitspraak van 29 november 2022 die inmiddels onherroepelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat het (laten) parkeren van auto’s op een terrein waar deze klanten niet werken, als onderdeel van de bedrijfsformule van het parkeerbedrijf voldoet aan de bewoordingen van artikel 1.55 en 5.2.2.. aanhef en onder 1, van de planregels. Het college stelt dat in tegenstelling tot wat verzoekster 1 stelt, de fysieke aanwezigheid op een locatie wel degelijk doorslaggevend is. De rechtbank heeft expliciet benoemd dat alleen medewerkers of bezoekers van een (kantoor)functie ter plaatse kunnen parkeren zonder dat zij onder artikel 1.55 en 5.5.2, aanhef en onder 1, van de planregels kunnen worden geschaard.
5.4.
De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat het tijdelijk en zonder medeweten van de klant van hun op [adres] ingenomen auto’s parkeren op [adres] om ze vervolgens elders te parkeren, in strijd is met artikel 1.55 en 5.5.2, aanhef en onder 1 van de planregels. Dat geldt ook voor de situatie dat elders door de klant afgegeven auto’s tijdelijk op [adres] worden geparkeerd in afwachting van het moment dat de klant de auto op [adres] komt ophalen. Omdat deze handelingen plaatsvinden in het kader van de uitoefening van een parkeerbedrijf, wat door verzoekster 1 en 3 niet wordt bestreden, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het parkeren op [adres] in strijd met de planregels. Het college is daarom bevoegd om handhavend op te treden.
Het betoog faalt.
Kon het college overgaan tot handhavend optreden?
5.5.
Het is vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan in beginsel verplicht is om handhavend op te treden tegen overtredingen. Onder bijzondere omstandigheden kan dat anders zijn. Bij de vraag of het college in dit geval had moeten afzien van handhavend optreden, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is.
5.6.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
5.7.
De voorzieningenrechter overweegt dat gebruiksverbod van artikel 5.5.2 aanhef en onder i, van het bestemmingsplan door het college is ingesteld om wildgroei aan parkeerbedrijven rond de Eindhoven Airport te voorkomen dan wel een halt toe te roepen en te bevorderen dat de parkeerterreinen van kantoorgebouwen rondom de luchthaven ten behoeve van de kantoorbestemming worden gebruikt. Het college heeft in het dossier en ter zitting aangegeven dat het niet van plan is om medewerking te verlenen aan het verlenen van een omgevingsvergunning om het parkeerterrein van [adres] te gebruiken ten behoeve van een parkeerbedrijf. Er is dus geen concreet zicht op legalisatie. De voorzieningenrechter ziet ook geen bijzondere omstandigheden in de omstandigheid dat er rondom Eindhoven Airport te weinig parkeerplaatsen zouden zijn, hetgeen door het college overigens wordt bestreden. Ook hetgeen verzoeksters hebben aangevoerd over de verkeersveiligheid op de Luchthavenweg als gevolg het gebruik van deze weg als een grote Kiss and Ride-zone, wat daar verder ook van zij, is geen bijzondere omstandigheid om van handhavend op te treden.
Is de begunstigingstermijn lang genoeg?
5.8.
Verzoeksters voeren aan dat de begunstigingstermijn te kort is en dat het college bij het vaststellen van de begunstigingstermijn geen rekening heeft gehouden met de tijdelijke sluiting van Eindhoven Airport vanaf 1 februari 2027, waardoor de gestelde overtredingen vanaf die datum sowieso tijdelijk niet meer plaatsvinden. Verzoeksters verzoeken om de begunstigingstermijn tot 1 februari 2027 te verlengen.
5.9.
Verzoekster 1 en 2 voeren aan dat verzoekster 1 het contract met verzoekster 2 kan opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste één volledige kalendermaand. De bij het besluit van 13 maart 2026 gegeven begunstigingstermijn tot 15 mei 2026 is te kort omdat verzoekster 1 op grond van de overeenkomst met verzoekster 2 de overtreding pas per 1 juni 2026 kon beëindigen. Het college heeft dit niet in de besluitvorming betrokken. Het college heeft ook niet gemotiveerd waarom er een noodzaak is om zo’n korte begunstigingstermijn te geven.
5.10.
Verzoekster 3 voert aan zij voor haar bedrijfsvoering afhankelijk is van het operationeel zijn van de luchthaven en zal in de periode van de tijdelijke sluiting geen inkomsten generen. Een begunstigingstermijn die afloopt voor de aanvang van de tijdelijke sluiting van de luchthaven plaatst verzoekster 3 voor de keuze tussen het verbeuren van hoge dwangsommen en een onmiddellijke beëindiging van haar activiteiten op een moment dat de parkeerbehoefte hoog is.
5.11.
Het college stelt zich op het standpunt dat sprake is van een passende begunstigingstermijn zeker nu de uitspraak van de voorzieningenrechter wordt afgewacht. Een begunstigingstermijn behoort niet langer te zijn dan nodig is om aan de last te voldoen. Er is volgens het college, behoudens het financiële gewin van verzoeksters, geen enkele aanleiding om de overtreding langer te laten voortduren. De datum van de tijdelijke sluiting van de luchthaven ligt veel te ver weg om, zoals door verzoeksters verzocht, de begunstigingstermijn tot die datum te verlengen. Daarbij betrekt het college dat verzoekster 2 en 3 bewust het gebruiksverbod overtreden terwijl dat verbod bij hen bekend is vanwege de vele procedures die over het parkeren bij Eindhoven Airport reeds zijn gevoerd. Ook verzoekster 1 kan geacht worden daarvan op de hoogte te zijn. Anders dan verzoeksters menen is de begunstigingstermijn niet te kort. Het stoppen van het parkeren op [adres] kan op zeer korte termijn gerealiseerd worden waarbij het college betrekt dat de huurovereenkomst tussen verzoekster 1 en 2 daaraan niet in de weg hoeft te staan. Verzoekster 1 kan afdwingen dat haar terrein niet langer voor parkeren wordt gebruik en verzoekster 2 kan haar activiteiten die onderdeel zijn van het uitoefenen van een parkeerbedrijf staken zonder de opzegging van de huurovereenkomst af te wachten.
5.12.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bij de besluiten van 13 maart 2026 gegeven begunstigingstermijn van negen weken niet te kort is om de overtreding van artikel 5.2.1, aanhef en onder a, van de planregels beëindigen. Dat dat voor verzoekster 3 de noodzaak van logistieke aanpassingen van haar bedrijfsproces met zich brengt maakt dat niet anders. Nog los van het feit dat een privaatrechtelijke overeenkomst niet in de weg kan staan aan handhavend optreden, had verzoekster 1 de overeenkomst met verzoekster 2 per 1 mei 2026 kunnen opzeggen zodat vanaf die datum van het terrein van verzoekster 1 geen gebruik meer had kunnen gemaakt voor het parkeren van klanten van de luchthaven. Verzoekster 2 en 3 hebben in hun samenwerkingsovereenkomst in artikel 11 een Pro bepaling opgenomen dat zijn in het geval van overheidsingrijpen dat ertoe leidt dat parkeerplaatsen niet meer kunnen worden gebruikt met elkaar in overleg gaan. Beide overeenkomsten staan derhalve niet in de weg aan het op korte termijn beëindigen van het parkeren op [adres] .
Het betoog slaagt niet.
Is de dwangsom te hoog?
5.13.
Verzoeksters voeren aan dat de gehanteerde dwangsommen onredelijk hoog zijn en ook niet goed gemotiveerd. De gemeente Eindhoven heeft gemeentelijke beleidsregels vastgesteld met betrekking tot de hoogte van dwangsommen. Daarbij is aansluiting gezocht bij de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht Eindoven (LHSO). Op grond van dit gemeentelijk handhavingsbeleid zou bij bedrijfsmatig strijdig gebruik een dwangsom van € 10.0000,00 per constatering tot een maximum van € 75.000,00 aangewezen zijn.
Het college heeft dwangsommen opgelegd van € 50.000,00 respectievelijk € 75.000,00 met een maximum van € 250.000,00 respectievelijk € 375.000,00.
5.14.
Het college stelt zich op het standpunt de afwijking van het normbedrag van
€ 10.000,00 bij bedrijfsmatig strijdig gebruik voorkomt uit de noodzaak om de dwangsom een voldoende prikkel te laten zijn om de overtreding te beëindigen. De omzet die door verzoeksters kunnen worden gegenereerd door het (laten) parkeren op [adres] is dermate hoog dat een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding niet in verhouding staat een omzet van € 65.000,00 per maand die verzoekster 3 kan genereren met haar bedrijfsmatige strijdige gebruik. Verzoekster 2 ontvangt voor de verhuur van de parkeerplaatsen op [adres] een bedrag van ongeveer € 17.000,00 per maand en verzoekster 1 een bedrag van ongeveer € 10,000,00 per maand. Daarbij heeft het college het niet onbelangrijk geacht dat er in het geval verzoekster 3 sprake is van recidive. Met betrekking tot LHSO stelt het college dat de LHSO niet gaat over de hoogte van de dwangsom zelf, die staan in de dwangsommenlijst die bij de LHSO is gevoegd. Het hanteren van uniforme dwangsommen in geval van bedrijfsmatig strijdig gebruik is niet altijd mogelijk gezien de diversiteit van mogelijke overtreding en het daarmee te behalen financieel gewin. Omdat de dwangsommenlijst enkel een bedrag noemt kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot het opleggen van een van de lijst afwijkende dwangsom. Omdat op het perceel [adres] drie verschillende partijen in verschillende rollen betrokken zijn, zijn de hoogte van de dwangsommen niet voor elke partij gelijk. Het college heeft volgens hem op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de ruimte om af te wijken van de LHSO en kan dat zo nodig in de bezwaarfase nog nader motiveren.
5.15.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college heeft besloten tot vaststelling van de beleidsregel voor de uitvoering van beleidsregel Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht van de gemeente Eindhoven. In de bij deze beleidsregels gevoegde dwangsommenlijst is de hoogte van de dwangsom in het geval van bedrijfsmatig strijdig gebruik (anders dan wonen) € 10.000,00 per constatering/ per week € 100.000,00 waarbij de modaliteit afhangt van de overtreding. Het college heeft besloten tot het vaststellen van een hogere dwangsom en heeft daarbij betrokken dat er sprake is van recidive en/of calculerend gedrag van verzoeksters. Uit het verweerschrift volgt dat bij de bepaling van de hoogte aansluiting is gezocht bij twee samenhangende elementen. Ten eerste is de LHSO en de daarbij behorende dwangsommenlijst gebruikt voor het vaststellen van zwaarte van de overtreding en de hoogte van de dwangsom. Ten tweede is bezien welke financiële prikkel in deze concrete situatie nodig is om beëindiging van de overtreding te bewerkstelligen. Daarbij is betrokken dat verzoekster 1 op grond van de huurovereenkomst een aanzienlijke huurprijs ontvangt van ongeveer € 10.000,00 per maand en verzoekster 2 en 3 met het verhuren van de parkeerplaatsen op [adres] respectievelijk het exploiteren van deze aanzienlijke omzetten behalen. Zolang het strijdige gebruik voortduurt, blijven deze (huur)inkomsten een relevante financiële factor voor verzoeksters.
Op grond van artikel 5:32b, derde lid, van de Awb moet de dwangsom in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Een bestuursorgaan komt bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsruimte toe. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde dwangsom wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. [6]
5.16.
De voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat de keuze van het college voor een dwangsom van € 50.000,00 respectievelijk € 75.00,00 per overtreding niet onredelijk is. In de hoogte van de dwangsommen ziet het college geen reden om de besluiten van 13 maart 2026 te schorsen. Dat verzoekster de dwangsommen niet kunnen voldoen is niet aangetoond en het college kan in de bezwaarprocedure de hoogte van de dwangsommen nog nader motiveren.
Het betoog faalt

Conclusie en gevolgen

6. De bezwaren van verzoeksters hebben naar voorlopig oordeel van de voorzieningen geen redelijke kans van slagen.
6.1.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat de bestreden besluiten van 13 maart 2026 niet worden geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Artikel 5.1 van het bestemmingsplan.
3.Artikel 1.55 van het bestemmingsplan
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:118