ECLI:NL:RBOBR:2026:4629

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
01.023423.26
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 5 WVWArt. 9a SrArt. 36f SrArt. 177 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor schuld aan dodelijk verkeersongeval, wel schuldig aan gevaar en hinder op de weg

Op 22 september 2025 vond in Maashees een ernstig verkeersongeval plaats waarbij de bestuurster van een motorfiets overleed en de opzittende zwaar letsel opliep. Verdachte sloeg linksaf zonder voldoende te controleren of de kruising vrij was en verleende geen voorrang aan de motorfiets, wat leidde tot de botsing.

De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte in aanmerkelijke mate onvoorzichtig of onoplettend was geweest, waardoor schuld aan het ongeval niet kon worden vastgesteld. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte gevaar en hinder op de weg veroorzaakte door het niet verlenen van voorrang, een overtreding van artikel 5 WVW Pro.

Gezien de ernst van het ongeval en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn berouw en blanco strafblad, achtte de rechtbank het opleggen van een straf niet opportuun en paste artikel 9a Sr toe, waardoor geen straf werd opgelegd. Daarnaast werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten behoeve van de moeder van het overleden slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van schuld aan het dodelijk verkeersongeval, wel schuldig aan gevaar en hinder op de weg, maar krijgt geen straf opgelegd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.023423.26]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.023423.26
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2002] ,
wonende te [adres]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 mei 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 22 september 2025 te Maashees, gemeente Land van Cuijk, althans in Nederland,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmede rijdende over de weg, De Breid en/of Op Den Bosch, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend:
- een kruising van de wegen De Breid en Op Den Bosch te naderen en/of
- zich er (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate, van te vergewissen dat voornoemde kruising vrij was van verkeer en/of
- (in een aangesloten rijbeweging) linksaf te slaan en/of
- (daarbij) geen voorrang te verlenen aan een tegemoetkomende motorfiets en/of
- (vervolgens) in botsing te komen met voornoemde motorfiets,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood en/of
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere breuken in de bekken en/of letsel aan grote ader in de bekken met een bloeduitstorting rond de darmen en/of zenuwschade aan het been en/of de voet,
of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
t.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 22 september 2025 te Maashees, gemeente Land van Cuijk, althans in Nederland,
als bestuurder van een voertuig (bestelauto), daarmee rijdende op de weg, De Breid en/of Op Den Bosch,
- een kruising van de wegen De Breid en Op Den Bosch is genaderd en/of
- zich er (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate, van heeft vergewist dat voornoemde kruising vrij was van verkeer en/of
- (in een aangesloten rijbeweging) linksaf is geslagen en/of
- (daarbij) geen voorrang heeft verleend aan een tegemoetkomende motorfiets en/of
- (vervolgens) in botsing is gekomen met voornoemde motorfiets,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De bewijsvraag.

Inleiding
Op maandag 22 september 2025, om 15:49 uur, heeft in Maashees op het kruispunt van De Breid met de Op Den Bosch een ernstig verkeersongeval met dodelijke afloop plaatsgevonden. Verdachte heeft als bestuurder van een bestelauto bij het naar links afslaan vanaf De Breid naar de Op Den Bosch geen voorrang verleend aan de hem tegemoetkomende motorfiets. Verdachte is daarbij in botsing gekomen met de bestuurster ( [slachtoffer 1] ) en opzittende ( [slachtoffer 2] ) van die motorfiets. Als gevolg van de botsing is de bestuurster van de motorfiets ter plaatse aan haar verwondingen overleden en is de opzittende van de motorfiets zwaar gewond geraakt.
Over deze feiten bestaat geen discussie. De centrale vraag in deze zaak is of verdachte voor het veroorzaken van dit verkeersongeval een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt; oftewel, heeft verdachte schuld aan het verkeersongeval?
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Onder verwijzing naar het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de omstandigheden van het geval, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte schuld heeft aan het ontstaan het verkeersongeval. Daarbij stelt de officier van justitie dat de mate van schuld als
aanmerkelijk onvoorzichtig/onoplettend(de laagste schuldgradatie) gekwalificeerd kan worden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde. Voor wat betreft een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde (kort gezegd: het veroorzaken van gevaar op de weg) heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Juridisch kader artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 (WVW)
Voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 WVW Pro moet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro, moet sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid en/of onachtzaamheid. Daarbij moet de rechtbank volgens vaste jurisprudentie kijken naar het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van deze gedragingen en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Dit brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld. Daarnaast is van belang dat niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat strafrechtelijk sprake is van schuld in de hier bedoelde zin.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat de enkele omstandigheid dat verdachte een andere verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, nog niet kan volgen dat de verdachte zich “aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig” heeft gedragen. De Hoge Raad heeft recent (HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398) nog overwogen dat de achtergrond hiervan is dat van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op (onder meer) andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden. Als bijvoorbeeld in een voorrangssituatie aannemelijk is geworden dat hij daadwerkelijk heeft gekeken of sprake was van zo’n andere verkeersdeelnemer maar hij desondanks een andere verkeersdeelnemer niet heeft opgemerkt, kan niet zonder meer worden gezegd dat hij in vergelijking met de verkeersdeelnemer in het algemeen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag heeft vertoond. Dat betekent echter niet dat bij een enkel moment van onoplettendheid, als gevolg waarvan een verkeersongeval ontstaat, nooit sprake zal kunnen zijn van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro. Er kunnen omstandigheden bestaan – zoals de aard van de verkeerssituatie – die maken dat zodanige aandacht van de verkeersdeelnemers wordt gevergd, dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.
Vrijspraak overtreding artikel 6 WVW Pro
De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte in aanmerkelijke mate onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam is geweest en acht dus niet bewezen dat hij schuld heeft gehad aan het verkeersongeval, hoe tragisch en ernstig de gevolgen daarvan ook zijn geweest.
Verdachte heeft de motorfiets niet gezien en was in de veronderstelling dat hij kon afslaan. Waarom verdachte de motorfiets niet heeft gezien, is niet duidelijk geworden. Verdachte heeft verklaard dat hij wel voor zich heeft gekeken voor hij linksaf sloeg en dat hij toen niets zag aankomen. Verdachte heeft verder verklaard dat hij niet met zijn telefoon bezig was of op een andere manier was afgeleid en dat hij niet gestrest of gehaast was; hij was juist ontspannen en vrolijk. Onderzoek aan de telefoon van verdachte wijst er niet op dat verdachte wel degelijk handelingen heeft verricht op zijn telefoon kort voor het ongeval. Er zijn ook geen andere onderzoeksbevindingen waaruit zou blijken dat verdachte zou zijn afgeleid of dat hij andere verkeersregels (anders dan het geen voorrang verlenen aan de motorfiets) heeft overtreden, bijvoorbeeld door te hard te rijden.
De verkeerssituatie betrof een overzichtelijke, nagenoeg kaarsrechte weg en er waren geen belemmeringen in het zicht van verdachte. Dat betekent echter nog niet dat verdachte (veel) langer dan een kort moment onoplettend is geweest en daarom aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, zoals de officier van justitie heeft betoogd. Op basis van het dossier zijn geen nadere, objectieve vaststellingen te doen (bijvoorbeeld aan de hand van een zogenoemde ‘zichtreconstructie’) over, onder andere, wanneer en hoe lang verdachte de motorfiets had kunnen waarnemen voordat hij linksaf sloeg. Dat maakt dat de rechtbank aannemelijk vindt dat sprake is van een enkel moment van onoplettendheid, waarbij verdachte weliswaar heeft gekeken maar desondanks de motorfiets niet heeft opgemerkt. Van omstandigheden die maken dat van verdachte meer of bijzondere aandacht mocht worden gevergd, zodanig dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig geldt, is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.
Wel schuldig aan overtreding artikel 5 WVW Pro
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verdachte gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt zoals bedoeld in artikel 5 WVW Pro. Uit het ongeval dat heeft plaatsgevonden blijkt dat daarvan zonder meer sprake is.
De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen: [1]
een proces-verbaal FO Verkeer met nummer PL2100-2025214127 (p. 10-26), inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ;
de bekennende verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 18 juni 2026.
Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
t.a.v. feit 1 subsidiair:
op 22 september 2025 te Maashees, gemeente Land van Cuijk,
als bestuurder van een voertuig (bestelauto), daarmee rijdende op de weg, De Breid,
- een kruising van de wegen De Breid en Op Den Bosch is genaderd en
- zich er daarbij in onvoldoende mate van heeft vergewist dat voornoemde kruising vrij was van verkeer en
- in een aangesloten rijbeweging linksaf is geslagen en
- daarbij geen voorrang heeft verleend aan een tegemoetkomende motorfiets en
- vervolgens in botsing is gekomen met voornoemde motorfiets,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het primair ten laste gelegde te veroordelen tot een taakstraf van 240 uren en een rijontzegging van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft primair verzocht te volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarbij heeft zij gewezen op de impact van het ongeval op verdachte en de positieve herstelbemiddeling die heeft plaatsgevonden met de nabestaanden en slachtoffer [slachtoffer 2] . Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen in de vorm van een geldboete of taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg. Hij is met zijn auto linksaf geslagen zonder zich in voldoende mate ervan te vergewissen dat de kruising vrij was van verkeer. Doordat verdachte geen voorrang heeft verleend aan een hem tegemoetkomende motorfiets, heeft er een ongeval plaatsgevonden. Als gevolg van dit ongeval is de bestuurster van de motorfiets (slachtoffer [slachtoffer 1] ) overleden en heeft de opzittende (slachtoffer [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Aan de nabestaanden is onherstelbaar leed toegebracht en zij zullen moeten leven met het grote gemis van hun dochter, zus, partner of vriendin. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring die op de zitting werd voorgedragen door de moeder slachtoffer [slachtoffer 1] , blijkt op indringende wijze hoe diep dat verlies en verdriet is. Ook slachtoffer [slachtoffer 2] heeft dat op invoelende wijze verwoord.
De rechtbank houdt er rekening mee dat ook verdachte de noodlottige gevolgen van zijn handelen vanzelfsprekend nooit heeft gewild. Ter terechtzitting heeft de rechtbank een zeer schuldbewuste verdachte gezien die er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan het slachtoffer en de nabestaanden aangedane leed inziet en oprecht berouw heeft getoond. Door Perspectief Herstelbemiddeling heeft inmiddels een positief gesprek plaatsgevonden tussen verdachte, de nabestaanden van slachtoffer [slachtoffer 1] en slachtoffer [slachtoffer 2] . Verder draagt verdachte, een goedaardige jongeman met een blanco strafblad, zelf nog dagelijks de last met zich dat hij een ongeval heeft veroorzaakt met tragische gevolgen voor slachtoffer [slachtoffer 2] en de nabestaanden van slachtoffer [slachtoffer 1] . Dat trauma zal hij nog moeten verwerken.
De reclassering heeft in haar rapport van 9 juni 2026 opgeschreven dat vanwege de positieve capaciteiten van verdachte, de steun die hij zoekt en krijgt en de zware wissel die het ongeluk op hem lijken te trekken, het risico op herhaling als laag wordt ingeschat. Zij vindt hulp of reclasseringsbemoeienis daarom niet aangewezen.
De rechtbank vindt verder van belang dat voor het bepalen van de straf niet alleen rekening wordt gehouden met de, in dit geval desastreuze, gevolgen van de gemaakte verkeersfout. Een eventuele straf dient ook in verhouding te blijven met de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte.
In deze zaak spreekt de verdachte vrij van de zwaarste beschuldiging tegen hem, te weten het aan zijn schuld te wijten veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop (overtreding van artikel 6 WVW Pro, een misdrijf). De rechtbank houdt verdachte wel verantwoordelijk voor het maken van een verkeersfout in de vorm van een overtreding (artikel 5 WVW Pro). De strafbedreiging van artikel 5 WVW Pro wijkt substantieel af van de strafbedreiging van artikel 6 WVW Pro.
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat in dit geval met het opleggen van een straf geen strafdoel is gediend. Vanuit het oogpunt van vergelding en vanuit het oogpunt van preventie heeft een straf in deze zaak geen toegevoegde waarde.
Alles afwegende acht de rechtbank – hoezeer zij het verdriet van de nabestaanden erkent – de oplegging van een straf niet opportuun.
De rechtbank zal dan ook toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a Sr en aan verdachte geen straf opleggen.
De vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer] (vader [slachtoffer 1] ).
In het door [vader slachtoffer] ingediende verzoek tot schadevergoeding is een bedrag van
€ 1.090,- ingevuld, met verwijzing naar de vordering van [moeder slachtoffer] . Om die reden beschouwt de rechtbank het stuk niet als een formele vordering tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 51f Sv en zal deze dan ook buiten behandeling laten.
De vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] (moeder [slachtoffer 1] ).
De vordering van benadeelde partij [moeder slachtoffer] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.090,- ter vergoeding van materiële schade (laten maken van een persoonlijke urn), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering in zijn geheel zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering toe te wijzen.
Beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade rechtstreeks is geleden door het gepleegde delict en voldoende is onderbouwd. De rechtbank acht de vordering dan ook in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2026, zijnde de factuurdatum, tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
36f Wetboek van Strafrecht
5, 177 Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
- verklaart het onder
feit 1 primairten laste gelegde feit niet bewezen en
spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het onder
feit 1 subsidiairten laste gelegde
bewezenzoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de overtreding:
t.a.v. feit 1 subsidiair:
overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
De rechtbank bepaalt dat ten aanzien van het bewezenverklaarde
geen strafwordt opgelegd.
De rechtbank legt op de volgende maatregel:
Maatregel van schadevergoeding:
De rechtbank legt aan de verdachte op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [moeder slachtoffer] , van een bedrag van
1.090,- euroen bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] :
De rechtbank
wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [moeder slachtoffer] , van een bedrag van
1.090,- euro, bestaande uit materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.M.T. Keukens, voorzitter,
mr. M.E. Bartels en mr. I.C. Meuris, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,
en is uitgesproken op 2 juli 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Operationele Samenwerking, Afdeling Infrastructuur, Team Verkeer Verkeersongevallen Afhandeling, Tactische Opsporing, nummer PL2100-2025214127, afgesloten op 1 december 2025, aantal doorgenummerde bladzijden: 74.