Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4571

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
01.033114.23
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen handel en voorbereidingshandelingen drugs met gevangenisstraf en boete

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van handel in softdrugs en medeplegen van voorbereidingshandelingen voor handel en productie van hard- en softdrugs. De feiten betreffen de periode van maart 2020 tot mei 2021, waarin verdachte samen met anderen grote hoeveelheden hasjiesj, hennep en harddrugs zoals cocaïne en amfetamine heeft verhandeld en voorbereid.

De tenlastelegging omvatte onder meer het opzettelijk binnenbrengen, verkopen en vervoeren van drugs, het beschikbaar stellen van locaties en personen, en het gebruik van versleutelde communicatie via telefoons en accounts. Verdachte sloot een procesafspraak met het Openbaar Ministerie, waarbij hij afstand deed van diverse verweren en een strafvoorstel accepteerde.

De rechtbank achtte het bewezenverklaarde wettig en overtuigend bewezen en oordeelde dat de straf van 204 dagen gevangenisstraf, waarvan 102 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een geldboete van €90.000 passend is gezien de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank volgde hiermee de procesafspraken en sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 204 dagen gevangenisstraf (waarvan 102 voorwaardelijk) en een geldboete van €90.000 wegens medeplegen van handel en voorbereidingshandelingen in soft- en harddrugs.

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.033114.23
Datum uitspraak: 26 juni 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1985] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 juli 2023, 22 september 2023 en 12 juni 2026.
In deze zaak is een overeenkomst tussen verdachte en het Openbaar Ministerie gesloten betreffende proces- en vonnisafspraken (hierna: de overeenkomst). De rechtbank heeft kennisgenomen van deze overeenkomst, van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 31 mei 2023.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 7 juli 2023 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 maart 2020 tot en met 4 mei 2021 te Oudheusden, Aalst en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)
een of meer grote hoeveelheden hasjiesj en/of hennep, in elk geval een of meer hoeveelheden hasjiesj en/of hennep van meer dan 30 gram, zijnde hasjiesj en hennep middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
A
opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of
B
in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk
heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad;
T.a.v. feit 2:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 maart 2020 tot en met 4 mei 2021 te Oudheusden, Aalst en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen te koop heeft aangeboden en/of heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad, en/of gegevens voorhanden heeft gehad, namelijk
• een of meer telefoontoestellen voor versleutelde communicatie,
• monsters en/of foto’s van (te verhandelen) hasjiesj en/of hennep, en/of
• informatie over (de beschikbaarheid en/of de prijs van te verhandelen) hasjiesj en/of hennep,
waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat deze stoffen, voorwerpen en/of gegevens bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11 lid 3 en Pro 5 Opiumwet strafbaar gestelde feiten;
T.a.v. feit 3:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 maart 2020 tot en met 4 mei 2021 te Oudheusden, Aalst en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit als bedoeld in artikel 10 lid 4 Opiumwet Pro, namelijk het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van een of meer hoeveelheden cocaïne, amfetamine, metamfetamine en/of MDMA, in elk geval een of meer middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)
een of meer anderen heeft getracht te bewegen om zo een feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of
voorwerpen, vervoersmiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat deze bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededaders met dat opzet
• een of meer telefoons voor versleutelde communicatie voorhanden gehad,
• met deze telefoons (via het [accountnaam1] , het [accountnaam2] en/of andere accounts) met en/of aan een of meer personen gecommuniceerd en/of informatie verschaft, gevraagd en/of ontvangen over:
- de beschikbaarheid, vraagprijs, opslag, bewerking, verwerking, vervaardiging, aankoop, verkoop, aflevering en/of het vervoer van een of meer hoeveelheden cocaïne, amfetamine, metamfetamine en/of MDMA, in elk geval van een of meer middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, en/of van een/of meer voorwerpen, stoffen en/of chemicaliën,
- de beschikbaarheid en/of inrichting van een of meer locaties en/of
- de beschikbaarheid en/of inzetbaarheid van een of meer personen en/of bedrijven;
• een of meer locaties geregeld, ter beschikking gesteld en/of ter beschikking laten stellen, en/of
• een of meer personen benaderd en/of aangeworven om werkzaamheden te verrichten.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De beoordeling van de overeenkomst tussen verdachte en het Openbaar Ministerie betreffende procesafspraken.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van de overeenkomst uit van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de overeenkomst werd bijgestaan door raadsman mr. J-H.L.C.M. Kuijpers en dat verdachte kennis heeft genomen van de inhoud van die overeenkomst.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen weten dat de vragen van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging en dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de procesafspraken die verdachte en zijn raadsman met de officier van justitie hebben gemaakt. De in de overeenkomst vastgelegde afspraken en de consequenties daarvan zijn door de rechtbank met verdachte besproken. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd de inhoud van de overeenkomst en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen.
De rechtbank constateert dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank stelt vast dat de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen geen afbreuk doet aan het aan verdachte op grond van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens toekomende recht op een eerlijk proces.
Dat betekent dat de rechtbank acht kan slaan op de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken.
De procesafspraken houden in dat
- verdachte in het kader van deze overeenkomst:
 geen (nadere) onderzoekswensen indient;
 geen rechtmatigheidsverweren voert;
 geen bewijsverweren voert;
 geen strafmaatverweren voert;
 geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
 afstand doet van de in beslag genomen voorwerpen (aangehecht aan de overeenkomst);
 zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken,
- het Openbaar Ministerie in het kader van deze overeenkomst:
 ter terechtzitting zal rekwireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten als hiervoor weergegeven en de volgende strafeis zal vorderen:
o een gevangenisstraf voor de duur van 204 dagen waarvan 102 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaar;
o een onvoorwaardelijke geldboete van € 90.000,00;
o ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van
€ 189.000,00.
Voorts zien beide partijen af van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.

Het bewijs.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie.
De officier van justitie heeft zich overeenkomstig de procesafspraken op het standpunt gesteld dat het aan verdachte ten laste gelegde bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen.
Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring en eventuele bewijsoverwegingen opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:
Ten aanzien van feit 1:
in de periode van 3 maart 2020 tot en met 4 mei 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens grote hoeveelheden hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,
A
opzettelijk binnen en buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en
B
in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd.
Ten aanzien van feit 2:
in de periode van 3 maart 2020 tot en met 4 mei 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, stoffen te koop heeft aangeboden en heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en gegevens voorhanden heeft gehad, namelijk
• een of meer telefoontoestellen voor versleutelde communicatie,
• monsters en foto’s van te verhandelen hasjiesj, en
• informatie over de beschikbaarheid en de prijs van te verhandelen hasjiesj en
waarvan hij en zijn mededaders wisten dat deze stoffen en gegevens bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11 lid 3 en Pro 5 Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Ten aanzien van feit 3:
in de periode van 3 maart 2020 tot en met 4 mei 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit als bedoeld in artikel 10 lid 4 Opiumwet Pro, namelijk het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van hoeveelheden cocaïne, amfetamine, metamfetamine en/of MDMA, in elk geval middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, telkens
een of meer anderen heeft getracht te bewegen om zo een feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
zich en anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of
voorwerpen, vervoersmiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededaders wisten dat deze bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet
• een of meer telefoons voor versleutelde communicatie voorhanden gehad,
• met deze telefoons via het [accountnaam1] , het [accountnaam2] en andere accounts met een of meer personen gecommuniceerd en informatie verschaft, gevraagd en ontvangen over:
- de beschikbaarheid, vraagprijs, opslag, bewerking, verwerking, vervaardiging, aankoop, verkoop, aflevering en/of het vervoer van hoeveelheden cocaïne, amfetamine, metamfetamine en/of MDMA, in elk geval middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, en voorwerpen, stoffen en chemicaliën,
- de beschikbaarheid en inrichting van een of meer locaties en
- de beschikbaarheid en inzetbaarheid van een of meer personen en bedrijven;
• een of meer locaties geregeld, ter beschikking gesteld en/of ter beschikking laten stellen, en/of
• een of meer personen benaderd en/of aangeworven om werkzaamheden te verrichten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft, overeenkomstig de overeenkomst, ten aanzien van de feiten 1, 2, en 3 gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 204 dagen met aftrek als bedoeld in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, waarvan 102 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daarnaast een geldboete van € 90.000,00.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft in overeenstemming met de overeenkomst geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht ook wat de strafmaat betreft aan te sluiten bij de overeenkomst.
Het oordeel van de rechtbank.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan – kort gezegd – het medeplegen van de handel in softdrugs en het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de handel in en/of productie van zowel harddrugs als softdrugs.
De rechtbank heeft acht geslagen op de afspraken in de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende door verdachte aanvaarde strafeis van de officier van justitie. De rechtbank heeft de uitkomst hiervan beschouwd in het licht van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Hierbij zijn ook het wettelijke strafmaximum, de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte betrokken.
Gelet op de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een straf die vrijheidsbeneming medebrengt.
Tussen verdachte en het Openbaar Ministerie is, als gezegd, in de overeenkomst ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 een strafeis van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 204 dagen met aftrek als bedoeld in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, waarvan 102 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daarnaast een geldboete van
€ 90.000,00 overeengekomen.
De rechtbank is van oordeel dat deze straf recht doet aan deze zaak, waarbij zowel het belang van verdachte als dat van de maatschappij geëerbiedigd wordt. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot de straf zoals de verdachte en het Openbaar Ministerie die in de overeenkomst hebben afgesproken.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11, 11a van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van in de uitoefening van een beroep/bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod
Ten aanzien van feit 2:
medeplegen van stoffen te koop aanbieden/ verkopen/ afleveren/ verstrekken / vervoeren en gegevens voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten
Ten aanzien van feit 3:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen/te doen plegen/ mede te plegen/ uit te lokken/ een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn/ een ander trachten te bewegen om daartoe gelegenheid/middelen/inlichtingen te verschaffen

en

zich en een ander gelegenheid/middelen/ inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

en

voorwerpen/vervoermiddelen/stoffen/ gelden/ andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen
Ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3:
Een gevangenisstraf voor de duur van 204 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht waarvan 102 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En

Een geldboete ter hoogte van € 90.000,00 subsidiair 333 dagen hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,
mr. N. Flikkenschild en mr. B.A.R. Janssen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Akkers en mr. T.J. Oosterman, griffiers,
en is uitgesproken op 26 juni 2026.