Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4443

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
82/329373-22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WvSrArt. 14a WvSrArt. 14b WvSrArt. 14c WvSrArt. 22c WvSr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen faillissementsfraude met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van faillissementsfraude gepleegd tussen 1 september 2016 en 9 februari 2018. Verdachte, als feitelijk leidinggever en bestuurder van twee failliete rechtspersonen, heeft goederen aan de boedel onttrokken en schuldeisers benadeeld door onder meer het overdragen van activa zonder vergoeding en het verrichten van onrechtmatige betalingen en verrekeningen.

De zaak werd behandeld op basis van procesafspraken tussen de officier van justitie en de verdediging, waarbij verdachte vrijwillig instemde met een afdoeningsvoorstel. De rechtbank heeft dit voorstel getoetst aan de ernst van de feiten, de omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank achtte het bewezenverklaarde wettig en overtuigend vastgesteld en oordeelde dat verdachte strafbaar is. Gezien de aard van de feiten en de gemaakte afspraken legde de rechtbank een taakstraf van 300 uur op, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden met een proeftijd van drie jaar.

De rechtbank benadrukte dat verdachte zich bewust was van de rechtsgevolgen van de procesafspraken en dat deze in overeenstemming zijn met artikel 6 EVRM Pro. Tevens werd rekening gehouden met een afzonderlijke vaststellingsovereenkomst met de curator en een schikking van een medeverdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 300 uur taakstraf en 10 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaar wegens medeplegen van faillissementsfraude.

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 82.329373.22
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1964] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 oktober 2025 en 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 maart 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1 primair:
[bedrijf 1] , op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 9 februari 2018 te Echt en/of Zaltbommel en/of Kerkrade en/of Venlo en/of elders in Nederland, en/of te Hoogstraten in België, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] , welke rechtsperso(o)n(en) bij vonnis van de rechtbank Limburg van 4 april 2017 in staat van faillissement was/waren verklaard, voor en/of tijdens dat faillissement, enig goed en/of activa aan de boedel heeft onttrokken en/of een of meer van de schuldeisers van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] , op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld, terwijl [bedrijf 1] wist dat hierdoor een of meer schuldeisers van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] , in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld, door toen aldaar - zakelijk weergegeven -:
- de activa en/of werknemers en/of het klantenbestand van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] over te dragen en/of te laten overdragen aan [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] , terwijl daar geen vergoeding voor is betaald (AMB-010) en/of
- een (totaal)bedrag van 128.378.43 euro van de G-rekening van [bedrijf 2] ( [rekeningnummer 1] ) over te maken en/of te laten overmaken naar de G-rekening van [bedrijf 6] ( [rekeningnummer 2] ) (AMB-004 en DOC-036) en/of
- een (totaal)bedrag van 361.772.47 euro van de G-rekening van [bedrijf 3] ( [rekeningnummer 3] ) over te maken en/of te laten overmaken naar de G-rekening van [bedrijf 6] ( [rekeningnummer 2] ) (AMB-004 en DOC-037) en/of
- een (totaal)bedrag van 2.769.193,93 euro aan vorderingen van [bedrijf 2] op (gelieerde) vennootschappen te verrekenen/af te boeken en/of te laten verrekenen/af te boeken met/op schulden aan (gelieerde) vennootschappen, terwijl die schulden zijn gecreëerd in het zicht van het faillissement van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] (AMB-006/AMB-006a) en/of
- een (totaal)bedrag van 953.460,71 euro aan vorderingen van [bedrijf 3] op (gelieerde) vennootschappen te verrekenen/af te boeken en/of te laten verrekenen/af te boeken met/op schulden aan (gelieerde) vennootschappen, terwijl die schulden zijn gecreëerd in het zicht van het faillissement van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] (AMB-019/AMB-019a) en/of
- een (totaal)bedrag van 307.848,29 euro van [bedrijf 2] aan een/of meer schuldeiser(s) te betalen en/of te laten betalen, waardoor andere schuldeisers zijn benadeeld (AMB-003) en/of
- een (totaal)bedrag van 67.430,84 euro van [bedrijf 3] aan een/of meer schuldeiser(s) te betalen en/of te laten betalen, waardoor andere schuldeisers zijn benadeeld (AMB-028) en/of
- een (totaal)bedrag van 1.055.287,83 euro van een schuld van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] aan [bedrijf 7] . te betalen en/of laten betalen door (gelieerde) vennootschappen, waarbij in het zicht van en/of tijdens het faillissement van [bedrijf 8] en/of [bedrijf 3] een schuld van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] is gecreëerd aan (gelieerde) vennootschappen, welke schuld is verrekend met vorderingen van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] op die (gelieerde) vennootschappen (AMB-025),
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
t.a.v. feit 1 subsidiair:hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2016tot en met 9 februari 2018 te Echt en/of Zaltbommel en/of Kerkrade en/of Venloen/of elders in Nederland, en/of te Hoogstraten in België, (telkens) tezamen en invereniging met [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] , welkerechtsperso(o)n(en) bij vonnis van de rechtbank Limburg van 4 april 2017 in staatvan faillissement was/waren verklaard, en/of een ander of anderen, voor en/oftijdens dat faillissement, enig goed en/of activa aan de boedel heeft onttrokkenen/of een of meer van de schuldeisers van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3], op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld, terwijl hij,verdachte, en [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of (een of meervan) hun medeverdachte(n) wist(en) dat hierdoor een of meer schuldeisers van[bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] , in hun verhaalsmogelijkhedenwerden benadeeld, door toen aldaar - zakelijk weergegeven -:
-
de activa en/of werknemers en/of het klantenbestand van [bedrijf 2] en/of[bedrijf 3] over te dragen en/of te laten overdragen aan [bedrijf 4]en/of [bedrijf 5] , terwijl daar geen vergoedingvoor is betaald (AMB-010) en/of
  • een (totaal)bedrag van 128.378.43 euro van de G-rekening van [bedrijf 2]( [rekeningnummer 1] ) over te maken en/of te laten overmaken naar de G-rekening van [bedrijf 6] ( [rekeningnummer 2] ) (AMB-004 en DOC- 036) en/of
  • een (totaal)bedrag van 361.772.47 euro van de G-rekening van [bedrijf 3]( [rekeningnummer 3] ) over te maken en/of te latenovermaken naar de G-rekening van [bedrijf 6] (NL66 ING 0990 110230) (AMB-004 en DOC-037) en/of
  • een (totaal)bedrag van 2.769.193,93 euro aan vorderingen van [bedrijf 2] op (gelieerde) vennootschappen te verrekenen/af te boeken en/of te latenverrekenen/af te boeken met/op schulden aan (gelieerde) vennootschappen,terwijl die schulden zijn gecreëerd in het zicht van het faillissement van [bedrijf 2]en/of [bedrijf 3] (AMB-006/AMB-006a) en/of
  • een (totaal)bedrag van 953.460,71 euro aan vorderingen van [bedrijf 3]op (gelieerde) vennootschappen te verrekenen/af te boeken en/of te latenverrekenen/af te boeken met/op schulden aan (gelieerde) vennootschappen,terwijl die schulden zijn gecreëerd in het zicht van het faillissement van [bedrijf 2]en/of [bedrijf 3] (AMB-019/AMB-019a) en/of
  • een (totaal)bedrag van 307.848,29 euro van [bedrijf 2] aan een/of meerschuldeiser(s) te betalen en/of te laten betalen, waardoor andere schuldeisers zijnbenadeeld (AMB-003) en/of
  • een (totaal)bedrag van 67.430,84 euro van [bedrijf 3] aan een/ofmeer schuldeiser(s) te betalen en/of te laten betalen, waardoor andereschuldeisers zijn benadeeld (AMB-028) en/of
  • een (totaal)bedrag van 1.055.287,83 euro van een schuld van [bedrijf 2]en/of [bedrijf 3] aan [bedrijf 7] . te betalen en/of latenbetalen door (gelieerde) vennootschappen, waarbij in het zicht van en/of tijdenshet faillissement van [bedrijf 8] en/of [bedrijf 3] een schuld van[bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] is gecreëerd aan (gelieerde)vennootschappen, welke schuld is verrekend met vorderingen van [bedrijf 2]en/of [bedrijf 3] op die (gelieerde) vennootschappen (AMB-025);

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen met betrekking tot de overeenkomst.

Totstandkoming.
Op 27 mei 2026 hebben de officier van justitie en de verdediging een overeenkomst gesloten, inhoudende procesafspraken en een afdoeningsvoorstel. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van die overeenkomst. De officier van justitie en de verdediging hebben gezamenlijk een voorstel voor afdoening van de zaak aan de rechtbank voorgelegd.
Inhoud afspraken.
De procesafspraken en het afdoeningsvoorstel strekken ertoe de behandeling van de strafzaak zo efficiënt mogelijk te maken, met inachtneming van de waarborgen van
artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), waarbij de officier van justitie zal volstaan met een relatief gematigde strafeis voor het primair ten laste gelegde feit, namelijk een taakstraf voor de duur van 300 uren met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met een proeftijd van drie jaren.
Hiertoe is overeengekomen dat:
  • de verdediging geen rechtmatigheids- en of bewijsverweren voert;
  • de verdediging geen (nieuwe) onderzoekswensen indient en al ingediende onderzoekswensen intrekt;
  • de verdachte geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
  • de verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken;
  • het Openbaar Ministerie geen ontnemingsvordering aanhangig zal maken;
  • beide partijen afzien van hoger beroep indien de procesafspraken op hoofdlijnen door de rechtbank worden gevolgd.
Het oordeel rechtbank met betrekking tot de overeenkomst.
De rechtbank is bij haar beoordeling van het afdoeningsvoorstel uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252.
De rechtbank constateert dat de gemaakte afspraken er blijk van geven dat partijen ervan doordrongen zijn dat de vragen van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging. Ook wordt tot uitdrukking gebracht dat partijen onderkennen dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken en het afdoeningsvoorstel.
Tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op de terechtzitting van 4 juni 2026 zijn de hiervoor weergegeven procesafspraken met verdachte besproken in aanwezigheid van een voor zijn raadsman waarnemende raadsvrouw. Daarbij heeft de rechtbank getoetst of verdachte vrijwillig aan de gemaakte afspraken heeft meegewerkt, of deze medewerking op basis van voldoende en duidelijke informatie heeft plaatsgevonden, of hij begreep wat deze afspraken inhielden en welke gevolgen deze voor hem en zijn zaak zouden hebben. Verdachte heeft verklaard dat hij bekend is met de inhoud van de procesafspraken, dat hij heeft begrepen wat de gemaakte afspraken inhouden, wat de gevolgen daarvan zijn en dat deze afspraken op basis van afdoende en duidelijke informatie tot stand zijn gekomen. Hij heeft vrijwillig ingestemd met de afspraken en is bij het proces om tot afspraken te komen voorzien geweest van rechtskundige bijstand.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken met het Openbaar Ministerie. De rechtbank stelt daarnaast vast dat verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Ook is voldaan aan de eisen die artikel 6 van Pro het EVRM stelt.
De rechtbank zal in de na te melden strafmotivering toelichten of zij van oordeel is dat het afdoeningsvoorstel in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak, zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat
t.a.v. feit 1 primair:
[bedrijf 1] , op een of meer tijdstippen in de periode van 1 september 2016 tot en met 9 februari 2018 te Echt en Zaltbommel en Venlo en te Hoogstraten in België, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , welke rechtspersonen bij vonnis van de rechtbank Limburg van 4 april 2017 in staat van faillissement waren verklaard, voor en tijdens dat faillissement, enig goed en/of activa aan de boedel heeft onttrokken, terwijl [bedrijf 1] wist dat hierdoor een of meer schuldeisers van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld, door toen aldaar - zakelijk weergegeven -:
  • het werknemers- en het klantenbestand van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] over te dragen aan [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] , terwijl daar geen vergoeding voor is betaald en
  • een totaalbedrag van 128.378,43 euro van de G-rekening van [bedrijf 2] ( [rekeningnummer 1] ) over te maken naar de G-rekening van [bedrijf 6] ( [rekeningnummer 2] ) en
  • een totaalbedrag van 361.772,47 euro van de G-rekening van [bedrijf 3] ( [rekeningnummer 3] ) over te maken naar de G-rekening van [bedrijf 6] ( [rekeningnummer 2] ) en
  • een bedrag aan vorderingen van [bedrijf 2] op vennootschappen te verrekenen/af te boeken met/op schulden aan vennootschappen, terwijl die schulden zijn gecreëerd in het zicht van het faillissement van [bedrijf 2] en
  • een bedrag aan vorderingen van [bedrijf 3] op vennootschappen te verrekenen/af te boeken met/op schulden aan vennootschappen, terwijl die schulden zijn gecreëerd in het zicht van het faillissement van [bedrijf 3] en
  • een totaalbedrag van 1.055.287,83 euro van een schuld van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 7] . te betalen door gelieerde vennootschappen, waarbij in het zicht van en tijdens het faillissement van [bedrijf 8] en [bedrijf 3] een schuld van [bedrijf 2] , is gecreëerd aan (gelieerde) vennootschappen, welke schuld is verrekend met vorderingen van [bedrijf 2] op gelieerde vennootschappen
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van de feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft, zoals tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie is overeengekomen, ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit gevorderd de oplegging van een taakstraf voor de duur van 300 uren met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met een proeftijd van drie jaren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit.
Verdachte heeft zich als feitelijk leidinggever schuldig gemaakt aan het medeplegen van faillissementsfraude. Hij heeft als bestuurder van een rechtspersoon, terwijl hij wist dat schuldeisers daardoor in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld, goederen aan de boedel onttrokken, zowel voor als tijdens het faillissement. Met zijn handelen heeft verdachte zijn eigen financiële belangen boven die van de schuldeisers geplaatst.
Het afdoeningsvoorstel.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het afdoeningsvoorstel van het Openbaar Ministerie en verdachte. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de in het afdoeningsvoorstel vermelde straf meegewogen dat sprake is van oude feiten die zijn gepleegd in de periode van 1 september 2016 tot en met 9 februari 2018 en dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro van bijna vier jaren.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de afzonderlijke vaststellingsovereenkomst die met de curator is gesloten. Medeverdachte [medeverdachte] heeft een schikking getroffen met de curator. [verdachte] heeft vervolgens separaat afspraken gemaakt met [medeverdachte] om hieraan naar draagkracht aan bij te dragen.
Het strafmaximum.
De rechtbank overweegt dat de tenlastelegging één feit omvat dat meermalen is gepleegd. De afzonderlijke gedragingen die tezamen dit feit vormen, hadden elk op zichzelf als een zelfstandig strafbaar feit ten laste kunnen worden gelegd, in welk geval voor elk feit een taakstraf van ten hoogste 240 uren had kunnen worden opgelegd. De omstandigheid dat de officier van justitie ervoor heeft gekozen de gedragingen als één feit, meermalen gepleegd, ten laste te leggen, heeft naar het oordeel van de rechtbank dezelfde rechtsgevolgen als wanneer die gedragingen afzonderlijk waren tenlastegelegd. De rechtbank acht zich daarom niet gebonden aan het maximum van 240 uren als bedoeld in artikel 22c lid 2 van het Wetboek van Strafrecht en ziet ruimte een taakstraf op te leggen die dit maximum overschrijdt.
Conclusie.
Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de voorgestelde straf in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak en alle overige betrokken belangen. In het bijzonder het belang dat de schuldeisers hebben bij de schulderkenning die door verdachte en zijn medeverdachte in een afzonderlijke overeenkomst met de curator overeen zijn gekomen. De rechtbank zal daarom, in overeenstemming met het afdoeningsvoorstel, aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 300 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met een proeftijd van drie jaren.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 343 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaartniet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
t.a.v. feit 1 primair:
medeplegen van het als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van en tijdens het faillissement, enig goed aan de boedel onttrekken, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen, meermalen gepleegd

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen.

- Een
taakstrafvoor de duur van
300 uren subsidiair 150 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht
De rechtbank waardeert elke dag die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, op 2 uur te verrichten arbeid.
- Een
gevangenisstrafvoor de duur van
10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,
mr. M. Langstraat en mr. A.A. Bloemberg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 4 juni 2026.