Uitspraak
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter
[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster
de korpschef van politie, de korpschef
Inleiding
13 februari 2026 waarin de behandeling van de aanvragen van verzoekster wordt opgeschort. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist zij ook op het door verzoekster ingediende beroep naar aanleiding van de brief
van 13 februari 2026. Artikel 8:86, eerste lid, van de Awb [1] maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
13 februari 2026, waarbij een bestuursorgaan op grond van artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb de aanvrager in de gelegenheid stelt een aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen, een besluit is. Zij leidt immers tot een (nieuwe) verplichting voor de aanvrager, die berust op het standpunt van het bestuursorgaan dat de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn om tot een – zorgvuldig voorbereid en deugdelijk onderbouwd – besluit op de aanvraag te komen [2] .
13 februari 2026 een besluit is als bedoeld in artikel 6:3 van Pro de Awb. Het is immers een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit van de korpschef op de aanvragen van verzoekster. Verzoekster wordt door deze beslissing, los van het te nemen besluit, echter niet rechtstreeks in haar belang getroffen. Het in de brief vervatte besluit kan immers in het kader van bezwaar en beroep tegen een inhoudelijk besluit op de aanvraag – ten volle – worden aangevochten. [3] De omstandigheid dat een besluit tot gevolg heeft dat de beslistermijn wordt opgeschort, leidt evenmin tot het oordeel dat verzoekster daardoor in haar belang wordt getroffen. In het kader van bezwaar en beroep tegen een besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag of tegen een inhoudelijk besluit op de aanvraag kan immers ook (vertragings-)schade worden gevorderd. [4] De stelling van verzoekster dat de opschorting geen wettelijke grondslag heeft en in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur doordat verzoekster haar bedrijfsactiviteiten niet kan uitvoeren en schade lijdt, maakt evenmin dat verzoekster rechtstreeks in haar belangen wordt getroffen. Verzoekster kan dit aan de orde stellen in een procedure over het besluit op de aanvragen [5] .
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.