Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3974

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
25/3135
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenBeleidsregels beoordelingskader poortwachter
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonsanctie niet in stand wegens voldoende re-integratie-inspanningen in spoor 2

De werknemer was sinds november 2022 ziek gemeld en heeft in augustus 2024 een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV legde aan de werkgever een loonsanctie op wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor. De werkgever stelde dat zij voldoende inspanningen had geleverd, ondanks beperkte passende functies door de belastbaarheid en taal- en PC-vaardigheden van de werknemer.

De rechtbank oordeelt dat de werkgever terecht heeft gesteld dat er slechts 18 passende functies beschikbaar waren waarop de werknemer heeft gesolliciteerd. Hoewel ook op minder passende functies werd gesolliciteerd, is niet gebleken dat hierdoor re-integratiekansen zijn gemist. Het toekennen van een IVA-uitkering aan de werknemer ondersteunt dit standpunt.

De rechtbank concludeert dat de loonsanctie niet in stand kan blijven en vernietigt het bestreden besluit. De werkgever krijgt het betaalde griffierecht terug en er zijn geen proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 8 juni 2026.

Uitkomst: De loonsanctie wordt vernietigd omdat de werkgever voldoende passende re-integratie-inspanningen heeft geleverd in spoor 2.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3135

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: K.R. Groenewoud).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een door het UWV aan eiseres opgelegde loondoorbetalingsverplichting (ook wel loonsanctie genoemd). Eiseres is het daarmee niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het opleggen van de loonsanctie.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de loonsanctie niet in stand kan blijven. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de loonsanctie. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Onder 5 staan de conclusie en de gevolgen van die beoordeling. Op de laatste bladzijde staat de beslissing van de rechtbank.

Procesverloop

2. In deze zaak is tot en met de zitting bij de rechtbank op hoofdlijnen het volgende gebeurd.
2.1.
Met het besluit van 4 september 2024 heeft het UWV de periode waarin eiseres het loon van de (ex-)werknemer [naam] (werknemer) moet doorbetalen verlengd tot 30 oktober 2025.
2.2.
Met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens eiseres [naam] , arts, en de gemachtigde van het UWV.
2.6.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Feiten en omstandigheden

3. De werknemer heeft gewerkt bij eiseres als medewerker A Logistiek voor gemiddeld 35,88 uur per week. Op 2 november 2022 heeft hij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. De werknemer heeft op 5 augustus 2024 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een arbeidsdeskundige van het UWV onderzocht of eiseres voldoende heeft gedaan om de werknemer te re-integreren. Dit onderzoek heeft geleid tot de besluiten zoals die zijn opgenomen onder het kopje ‘Procesverloop’.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij oordeelt dat de aan eiseres opgelegde loonsanctie niet in stand kan blijven.
4.1.
Beide partijen zijn het erover eens dat de werknemer ten tijde van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen het werk niet heeft hervat en er dus geen sprake is van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Beleidsregels). [1] Ook zijn beide partijen het erover eens de inspanningen van eiseres in het eerste spoor van de re-integratie voldoende zijn. Het gaat daarom om de vraag of eiseres zich voldoende heeft ingespannen in de re-integratie van de werknemer in het tweede spoor.
4.2.
Bij de beoordeling of eiseres heeft voldaan aan haar re-integratie-inspanningen moet worden bekeken of eiseres de (medische) belastbaarheid van de werknemer juist heeft ingeschat en of de werknemer werkzaamheden heeft gezocht die passen bij zijn belastbaarheid. Wat betreft de (medische) belastbaarheid van de werknemer bestaat er tussen partijen geen verschil van inzicht. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) [naam] van 16 september 2025 blijkt namelijk dat hij geen redenen ziet om af te wijken van het belastbaarheidsoordeel dat de bedrijfsarts van eiseres op 5 januari 2024 heeft opgesteld.
4.3.
Partijen verschillen wel van inzicht over het antwoord op de vraag of de werknemer (bij zijn belastbaarheid) passende werkzaamheden heeft gezocht. In dit geval spitst de beoordeling zich toe op de vraag of er voldoende is gesolliciteerd op functies die voor de werknemer als passend kunnen worden beschouwd.
4.3.1.
Het UWV vindt dat dit niet het geval is en voert daartoe het volgende aan. In het rapport van arbeidsdeskundige [naam] van 3 september 2024 staat dat het zoekprofiel licht productiewerk, licht administratief werk en telefonische klantenservice medewerker vermeldt als passend werk. Uit het sollicitatieoverzicht blijkt dat de werknemer veel heeft gesolliciteerd op administratieve vacatures, maar hij beschikt niet over een goede taalbeheersing in het Duits, Nederlands en/of Engels en ook niet over adequate PC-vaardigheden. Dat er volgens eiseres uit het sollicitatieoverzicht blijkt dat er zorgvuldig is afgewogen dat de functies passen binnen de beperkingen en mogelijkheden, kan de arbeidsdeskundige nergens uit afleiden. Ook ontbreekt een toelichting waarom dit werk passend zou zijn. De overige sollicitaties van logistiek en/of magazijnmedewerker zijn ook niet passend, omdat de werknemer is aangewezen op overwegend zittend werk. Arbeidsdeskundige B&B [naam] sluit zich hierbij aan in haar rapport van 30 september 2025. Zowel de beheersing van de Nederlandse en Duitse taal van de werknemer is onvoldoende voor de uitoefening van een (eenvoudige) administratieve functie of klantenservicefunctie. De slechte beheersing van de Nederlandse taal bleek ook tijdens de hoorzitting. Uit het sollicitatieoverzicht en de spoor 2-rapportages blijkt niet dat zorgvuldig is afgewogen of de functies passen bij de beperkingen en mogelijkheden van de werknemer. Weliswaar is gesolliciteerd op functies zoals licht productiewerk of inpakwerk, maar er is nog steeds te veel gesolliciteerd op niet passende functies. Doordat het zoekprofiel niet correct is vormgegeven, is in spoor 2 gefocust op niet-passende functies. Het spoor 2-traject is niet adequaat, waardoor mogelijk re-integratiekansen zijn gemist. Met haar rapport van 11 maart 2026 reageert arbeidsdeskundige B&B Kruijen op wat eiseres in beroep aanvoert, maar ziet daarin geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de re-integratie-inspanningen van eiseres te komen.
4.3.2.
Eiseres vindt dat zij wel voldoende re-integratie-inspanningen heeft geleverd. Eiseres wijst erop dat de werknemer in vier maanden tijd heeft gesolliciteerd op 18 functies die door het UWV als passend zijn beoordeeld. Eiseres is het ermee eens dat de werknemer ook op functies heeft gesolliciteerd die minder goed passen bij zijn belastbaarheid of bekwaamheden. Maar volgens eiseres waren er feitelijk niet meer passende functies beschikbaar om op te solliciteren. Dat is het gevolg van een combinatie van enerzijds de (medische) beperkte belastbaarheid van de werknemer en anderzijds zijn beperkte taal- en PC-vaardigheid. De gemachtigde van eiseres – die arbeidsdeskundige is – heeft op de zitting gezegd dat als zij voor de werknemer drie functies had moeten selecteren in het kader van de beoordeling van zijn WIA-aanvraag, dat die niet voorhanden zouden zijn geweest. Dit verklaart volgens eiseres dat er voor de werknemer daadwerkelijk weinig passende functies voorhanden waren. Eiseres heeft zich toch ingespannen dat de werknemer ook op de minder passende functies zou solliciteren, omdat zij niet het verwijt van het UWV wilde krijgen dat er kwantitatief te weinig inspanningen in het tweede spoor waren geleverd. Nu krijgt eiseres het verwijt dat zij kwalitatief te weinig heeft gedaan. Zij voelt zich daardoor tussen hamer en aambeeld zitten.
4.4.
De rechtbank oordeelt dat de beroepsgrond van eiseres slaagt, namelijk dat de werknemer voldoende (bij zijn belastbaarheid) passende werkzaamheden heeft verricht.
4.4.1.
Over wat de feitelijke re-integratie-inspanningen in spoor 2 zijn geweest – en dus met name op welke functies de werknemer heeft gesolliciteerd – bestaat tussen partijen geen verschil van inzicht. In algemene zin heeft het UWV gelijk dat ondanks dat de werknemer op 18 geschikte functies heeft gesolliciteerd er nog steeds sprake kan zijn van een tekortkoming als er daarnaast op een (te) groot aantal niet passende functies is gesolliciteerd. Maar eiseres heeft gemotiveerd gesteld dat er feitelijk niet meer passende functies beschikbaar waren dan de genoemde 18 functies. Het UWV heeft slechts in algemene zin gesteld dat in het kader van de door de werknemer verrichte sollicitaties de niet passende functies hadden moeten worden vervangen door passende functies, maar daarmee weerspreekt het UWV onvoldoende dat die functies er volgens eiseres feitelijk niet waren.
4.4.2.
Verder heeft het UWV op de zitting medegedeeld dat het kort voor de zitting heeft besloten om aan de werknemer een IVA-uitkering [2] toe te kennen op arbeidskundige gronden. Het UWV heeft daarover op zich terecht opgemerkt dat uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat enkel het toekennen van een IVA-uitkering niet betekent dat er dus geen re-integratiekansen zijn gemist (in het tweede spoor). Toch volgt de rechtbank eiseres dat het toekennen van de IVA-uitkering in deze zaak wel gewicht in de schaal legt. In de door het UWV genoemde uitspraak van 20 maart 2013 zijn gedurende twee maanden helemaal geen re-integratie-inspanningen geleverd en is daarna alleen maar gekeken of de werknemer (op therapeutische basis) het eigen werk kon hervatten. [3] In de andere door het UWV genoemde uitspraak van 10 juni 2015 wees de betrokken werkgever slechts op de toekenning van een IVA-uitkering, maar dat vond de Raad geen argument om van een loonsanctie af te zien. [4] Dat laatste heeft de Raad ook in eerdere zaken al overwogen. [5] Maar het punt is dat eiseres in haar geval niet slechts wijst op het toekennen van de IVA-uitkering op arbeidskundige gronden. Eiseres voert dit aan als ondersteunend argument dat er feitelijk niet veel functies waren die bij de belastbaarheid en bekwaamheden van de werknemer pasten.
4.4.3.
De rechtbank gaat er bij deze stand van zaken dan ook van uit dat eiseres gelijk heeft met haar standpunt dat de werknemer op 18 geschikte functies heeft gesolliciteerd en dat er feitelijk niet meer geschikte functies beschikbaar waren. De vraag die dan nog overblijft, is of met het solliciteren op niet passende functies re-integratiekansen zijn gemist. De rechtbank vindt dat alleen tot dit oordeel kan worden gekomen als het UWV aannemelijk maakt dat de werknemer zich uit de markt heeft geprijsd voor wel geschikte functies door te solliciteren op de niet passende functies. Dit heeft het UWV echter niet gesteld en het is de rechtbank ook niet gebleken. Daarbij ziet de rechtbank ook het dilemma waar eiseres in spoor 2 voor stond. Namelijk om de werknemer bij gebrek aan meer geschikte functies op functies te laten solliciteren waarvan de passendheid twijfelachtig was, ofwel deze sollicitaties geheel achterwege te laten. In een dergelijk geval vindt de rechtbank de keuze die eiseres heeft gemaakt – om de werknemer ook op de laatstgenoemde functies te laten solliciteren – beter passen bij de doelstellingen van de Wet verbetering poortwachter. Die doelstellingen zijn er namelijk op zijn gericht om een zieke werknemer gedurende de eerste twee ziektejaren weer in arbeid te laten hervatten. In het geval waarin eiseres zich bevond is solliciteren op ‘iets’ beter dan solliciteren op ‘niets’.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de opgelegde loonsanctie niet in stand blijft. Eiseres krijgt dus gelijk. Zij krijgt daarom het griffierecht terug. Er zijn geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 1 oktober 2025;
  • herroept het besluit van 4 september 2024;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit van 1 oktober 2025;
  • draagt het UWV op om het door eiseres betaalde griffierecht van € 385 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzitter, en mr. A.F. Vink en
mr. J. Woestenburg, leden, in aanwezigheid van drs. J.G.J. van Geesink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Stcrt. 2002, nr. 236, p. 15. Laatst gewijzigd bij Stcrt. 2006, nr. 224, p. 34.
2.Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA).
3.Centrale Raad van Beroep 20 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4864.
4.Centrale Raad van Beroep 10 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1940.
5.Bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 29 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN8780.