ECLI:NL:RBOBR:2026:372

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
10446952 CV EXPL 23-1612
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid van feitelijk beleidsbepaler in een eenmanszaak voor niet betaalde facturen juridische bijstand

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Oost-Brabant, is er een geschil ontstaan over niet betaalde facturen voor juridische bijstand. Eiseres, een besloten vennootschap, heeft gedaagde sub 1, die als feitelijk beleidsbepaler fungeerde in de eenmanszaak van gedaagde sub 2, aangesproken voor de betaling van deze facturen. Gedaagde sub 2 is bij verstek veroordeeld, maar de vraag is of gedaagde sub 1 ook aansprakelijk kan worden gesteld. De kantonrechter heeft in een tussenvonnis van 21 november 2024 geoordeeld dat gedaagde sub 2 aansprakelijk is voor de betaling van facturen, maar heeft ook de rol van gedaagde sub 1 onderzocht. De kantonrechter heeft vastgesteld dat gedaagde sub 1 handelde op basis van een volmacht van gedaagde sub 2, maar dat er onder bepaalde omstandigheden een analoge toepassing van de Beklamel-norm mogelijk is. Dit houdt in dat een feitelijk beleidsbepaler ook aansprakelijk kan zijn voor verplichtingen die zijn aangegaan namens de eenmanszaak, indien hij wist of had moeten weten dat de eenmanszaak niet aan haar verplichtingen kon voldoen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat gedaagde sub 1 in dit geval aansprakelijk is voor een deel van de niet betaalde facturen, omdat zij feitelijk de zeggenschap had over de eenmanszaak en op de hoogte was van de financiële situatie. De vordering van eiseres is deels toegewezen, en gedaagde sub 1 is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 9.075,00, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Zaaknummer: 10446952 CV EXPL 23-1612
Vonnis van 15 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V., h.o.d.n. [handelsnaam eiser] ,
statutair gevestigd te ’ [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigden: mrs. G.G.W.G. van der Valk-van den Bosch & M.P.W. Bax,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te ’ [woonplaats] ,
gedaagde ,
gemachtigde: mr. P.K. de Blieck-Willemsen,
en,

2.[gedaagde 2] , h.o.d.n. [handelsnaam gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna “ [eiser] ”, “ [gedaagde 1] ” en “ [gedaagde 2] ” genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 november 2024;
- de akte uitlaten zijdens [eiser] met producties 22 en 23;
- de akte indienen aanvullende producties zijdens [eiser] met producties 24 t/m 27;
- de antwoordakte zijdens [gedaagde 1] ;
- de akte uitlating tevens akte uitlating aanvullende producties zijdens [gedaagde 1] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Het tussenvonnis van 21 november 2024 is voor wat betreft [gedaagde 2] een eindvonnis. [gedaagde 2] is daarin – verkort weergegeven – veroordeeld tot betaling van facturen van [eiser] voor een bedrag van € 25.000,00 vermeerderd met de wettelijke handelsrente en kosten. De kantonrechter blijft bij wat zij in het tussenvonnis van 21 november 2024 heeft overwogen.
2.2.
Daarin heeft de kantonrechter [eiser] in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of een feitelijk beleidsbepaler in een eenmanszaak gelijkgesteld kan worden aan een bestuurder van een besloten vennootschap. Vervolgens is [gedaagde 1] in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren.
2.3.
Volgens [eiser] kan zij naast [gedaagde 2] ook [gedaagde 1] aanspreken voor het uitblijven van betaling van facturen voor door [eiser] aan [handelsnaam gedaagde 2] geleverde juridische diensten. [gedaagde 1] betwist dat en voert aan dat zij die opdrachten enkel als gevolmachtigde van [handelsnaam gedaagde 2] dan wel [gedaagde 2] heeft verstrekt. [eiser] betwist dat [gedaagde 1] handelde op basis van een volmacht en stelt dat [gedaagde 1] als feitelijk beleidsbepaler ook niet te allen tijde die volmacht kan tegenwerpen. Dat is de kantonrechter met [eiser] eens.
2.4.
De kantonrechter volgt [gedaagde 1] dat zij bij het verstrekken van opdrachten aan [eiser] handelde op basis van een volmacht van [gedaagde 2] / [handelsnaam gedaagde 2] . Uit het uittreksel uit het handelsregister van [handelsnaam gedaagde 2] dat [eiser] in het geding heeft gebracht blijkt dat [gedaagde 1] sinds 9 juni 2019 volledig gevolmachtigd is. Dat [gedaagde 1] niet gemachtigd was om namens [gedaagde 2] opdrachten aan [eiser] te verstrekken heeft [eiser] in dat licht onvoldoende onderbouwd. In haar dagvaarding stelt [eiser] onder randnummer 16 zelf ook:

[gedaagde 1] heeft een ruime bevoegdheid - middels een volledige volmacht - om
[handelsnaam gedaagde 2] te vertegenwoordigen.(…)
Uit voornoemde WhatsApp-
gesprekken kan worden afgeleid dat [gedaagde 1] deze vergaande bevoegdheid ook
daadwerkelijk heeft gebruikt om zelfstandig te beslissen over door [handelsnaam gedaagde 2]
verschuldigde betalingen aan Eiseres.
2.5.
[gedaagde 1] handelde dus op grond van een (toereikende) volmacht. Dat betekent dat [gedaagde 1] in beginsel geen partij wordt bij een overeenkomst die door haar namens [handelsnaam gedaagde 2] met [eiser] is aangegaan. Zij valt er ‘tussenuit’.
2.6.
Op grond van de Beklamel-norm [1] kan een bestuurder of feitelijk beleidsbepaler van een vennootschap persoonlijk aansprakelijk zijn als hij namens de vennootschap verplichtingen aangaat en daarbij wist, of er niet aan behoefde te twijfelen, dat de vennootschap niet, of niet binnen een redelijke termijn, aan die verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade die de schuldeiser als gevolg van die wanprestatie zou lijden.
2.7.
Ook in geval van een eenmanszaak moet worden aangenomen dat onder omstandigheden een gevolmachtigde van een eenmanszaak op gelijke wijze onrechtmatig kan handelen.
De vordering op [gedaagde 1] wordt deels toegewezen
2.8.
In het tussenvonnis van 21 november 2024 is overwogen dat [gedaagde 1] feitelijk beleidsbepaler was van [A] , de in naam eenmanszaak van [gedaagde 2] . Voor zover [gedaagde 1] zich erop zou beroepen dat zij slechts werknemer c.q. gevolmachtigde was gaat dat niet op. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat het [gedaagde 1] was die feitelijk de zeggenschap had in de eenmanszaak van [gedaagde 2] .
2.9.
Onder deze omstandigheden is er naar het oordeel van de kantonrechter ruimte voor een analoge toepassing van de Beklamel-norm. Daarvoor moet wel voldoende vast komen te staan dat aan die norm is voldaan.
2.10.
[eiser] stelt dat het beleid dat (mede) door [gedaagde 1] is gevoerd ertoe heeft geleid dat de eenmanszaak van [gedaagde 2] niet aan haar financiële verplichtingen kon voldoen. Door [gedaagde 1] werd richting [eiser] stelselmatig volgehouden dat opeisbare betalingen zouden worden voldaan, terwijl zij tegelijkertijd de kosten liet oplopen door namens [gedaagde 2] nieuwe adviesopdrachten aan [eiser] te verstrekken. [eiser] stelt dat [gedaagde 1] hiermee een financieel onhoudbare situatie creëerde: er werden nieuwe opdrachten aan [eiser] verstrekt, terwijl de eenmanszaak van [gedaagde 2] al achterliep met haar betalingen. [gedaagde 1] heeft niet betwist dat zij destijds op de hoogte was van de penibele financiële situatie van [gedaagde 2] / [handelsnaam gedaagde 2] . Daarmee staat vast dat [gedaagde 1] wist of behoorde te weten dat zij opdrachten verstrekte waarvoor [gedaagde 2] /Soulsistah zeer waarschijnlijk niet zou betalen.
2.11.
Uit de stellingen van [eiser] volgt één duidelijk moment waarop [gedaagde 1] volgens [eiser] geen nieuwe opdrachten meer had mogen verstrekken, namelijk 27 september 2021. Daarom laat de kantonrechter de opdrachten van vóór die datum buiten beschouwing. Het gaat dan nog om volgende facturen:
  • factuur d.d. 6 oktober 2021 ad € 3.781,25;
  • factuur d.d. 4 november 2021 ad € 2.268,75; en
  • factuur d.d. 2 december 2021 ad € 3.025,00.
2.12.
Het is voldoende duidelijk dat sprake was van een stromanconstructie waarbij [gedaagde 2] weliswaar in juridische zin contractspartij was maar [gedaagde 1] feitelijk de volledige zeggenschap had. Het was [gedaagde 1] die feitelijk de onderneming voerde, volledige kennis had van en inzicht in de financiële positie van de eenmanszaak. Zo nam [gedaagde 1] alleen en zelfstandig beslissingen over de opdrachtverstrekking, respectievelijk de betalingen voor die opdrachten aan [eiser] en was [gedaagde 1] het primaire aanspreekpunt voor belangrijke zaken zoals juridische geschillen. [gedaagde 1] wilde zichzelf bovendien naar de buitenwereld toe profileren als “creative director”.
2.13.
De kantonrechter ziet in dit geval daarom aanleiding om [gedaagde 1] aansprakelijk te achten voor het tot op heden onbetaald blijven van alle facturen, voor zover die zien op opdrachten verstrekt na 27 september 2021. [gedaagde 1] had van verdere opdrachtverlening in ieder geval na 27 september 2021 moeten afzien. In zoverre is de vordering voor de facturen zoals benoemd onder r.o. 2.11 toewijsbaar. Hierbij geldt dat als [gedaagde 2] de facturen alsnog betaalt, [gedaagde 1] zal zijn gekweten.
Wettelijke rente in plaats van contractuele of wettelijke handelsrente
2.14.
[eiser] vordert primair contractuele rente en subsidiair wettelijke handelsrente. De vordering op [gedaagde 1] vloeit voort uit een onrechtmatige daad. Daarover is de contractuele rente of de wettelijke handelsrente niet toewijsbaar, maar wel de gewone wettelijke rente. De wettelijke rente zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat [gedaagde 1] vanaf die datum in ieder geval in verzuim is. Voor zover [gedaagde 1] of [gedaagde 2] de wettelijke (handels)rente voldoet zal de ander ook voor dat bedrag gekweten zijn.
De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
2.15.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is niet van toepassing op een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad. De vraag of buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd, zal daarom moeten worden beantwoord aan de hand van de eisen zoals geformuleerd in het Rapport Voorwerk 2 en bijgesteld in het Rapport BGK-Integraal. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.
[gedaagde 1] moet de proceskosten betalen
2.16.
[gedaagde 1] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op € 1.463,32 (€ 107,32 dagvaardingskosten en 4 punten x € 339,00 aan salaris gemachtigde) en aan nakosten € 135,00.
2.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter:
- veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van € 9.075,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.356,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
- veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders gevorderde af
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2026.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Hoge Raad van 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627.