Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3717

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
82.190963.22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 47 SrArt. 51 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen bij het verschaffen van wederrechtelijk verblijf en arbeid

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 12 mei 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen bij het verschaffen van verblijf en het laten verrichten van arbeid door personen met een wederrechtelijk verblijf in Nederland.

De tenlastelegging betrof twee feiten: het uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verschaffen van verblijf aan personen met de Servische nationaliteit, terwijl verdachte wist dat dit verblijf wederrechtelijk was, en het laten verrichten van arbeid door deze personen, waarbij verdachte dit misdrijf tot een gewoonte had gemaakt. De feiten vonden plaats in de periode van maart tot december 2020 te Heemstede.

De rechtbank heeft de procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en verdachte gevolgd. Verdachte werd bijgestaan door raadsman en stemde vrijwillig in met de afdoening. De rechtbank achtte de bewezenverklaring wettig en overtuigend en stelde vast dat verdachte strafbaar is. Gelet op de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, legde de rechtbank een geldboete van €4000 op, conform de gemaakte afspraken.

De uitspraak is gebaseerd op de artikelen 197a en 197b van het Wetboek van Strafrecht en aanverwante bepalingen. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van €4000 voor medeplegen bij het verschaffen van wederrechtelijk verblijf en arbeid.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 82.190963.22
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] .,

gevestigd te [adres]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 oktober 2024 en 28 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 juli 2024.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
ten aanzien van feit 1:
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 16 maart 2020 tot en met 6 juni 2020 en/of 1 november 2020 tot en met 2 december 2020 te Heemstede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meerdere perso(o)n(en), te weten [persoon 1] en/of [persoon 2] , met deServische nationaliteit,
uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf inNederland, dan wel voornoemde perso(o)n(en) daartoe gelegenheid en/ofmiddelen en/of/ inlichtingen heeft verschaft, terwijl zij, verdachte, wist of ernstigeredenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft zij, verdachte, bovengenoemde perso(o)n(en) arbeid laten verrichten en/of gehuisvest bij en/of boven [verdachte] .;
ten aanzien van feit 2 primair:
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 16 maart 2020 tot en met 6 juni 2020 en/of 1 november 2020 tot en met 2 december 2020 te Heemstede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meerdere perso(o)n(en), te weten [persoon 1] en/of [persoon 2] , met de Servische nationaliteit, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland had(den) verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen laten verrichten en/of heeft gehuisvest,
terwijl verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de toegang of
dat verblijf wederrechtelijk was, en zij aldus van het plegen van dit misdrijf zijn beroep en/of een gewoonte heeft gemaakt;
ten aanzien van feit 2 subsidiair:
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 16 maart 2020 tot en met 6 juni 2020 en/of 1 november 2020 tot en met 2 december 2020 te Heemstede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meerdere perso(o)n(en), te weten [persoon 1] en/of [persoon 2] , met de Servische nationaliteit, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland had(den) verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen laten verrichten en/of heeft gehuisvest, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De beoordeling van de overeenkomst tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie betreffende procesafspraken.
De rechtbank is bij de beoordeling van de overeenkomst uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat de verdachte bij de totstandkoming van de overeenkomst werd bijgestaan door haar raadsman en dat de verdachte kennis heeft genomen van de inhoud van die overeenkomst.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen weten dat de vragen van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging en dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken. Tevens heeft de rechtbank dit ter terechtzitting van 28 april 2026 met de partijen besproken.
De rechtbank heeft de procesafspraken die de verdachte en haar raadsman met de officier van justitie hebben gemaakt, ter terechtzitting doorgenomen. De in de overeenkomst vastgelegde afspraken en de consequenties daarvan zijn met de verdachte besproken. De verdachte heeft ter terechtzitting van 28 april 2026 ten overstaan van de rechtbank nogmaals bevestigd de inhoud van de overeenkomst en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen.
De rechtbank constateert dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl zij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten en dat de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen geen afbreuk doet aan het aan de verdachte op grond van artikel 6 EVRM Pro toekomende recht op een eerlijk proces.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
ten aanzien van feit 1:
op tijdstippen in de periode 16 maart 2020 tot en met 6 juni 2020 en 1 november 2020 tot en met 2 december 2020 te Heemstede, tezamen en in vereniging met een ander, personen, te weten [persoon 1] en [persoon 2] , met de Servische nationaliteit, uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl zij, verdachte, wist dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft zij, verdachte, bovengenoemde personen arbeid laten verrichten en gehuisvest boven [verdachte] .
ten aanzien van feit 2 primair:
op tijdstippen in de periode 16 maart 2020 tot en met 6 juni 2020 en 1 november 2020 tot en met 2 december 2020 te Heemstede, tezamen en in vereniging met een ander, personen, te weten [persoon 1] en [persoon 2] , met de Servische nationaliteit, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland hadden verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen laten verrichten en heeft gehuisvest,
terwijl verdachte wist dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was, en zij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft, overeenkomstig de tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie gesloten overeenkomst, een geldboete geëist ter hoogte van € 4000,--.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de overeenkomst.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tewerkstellen van personen, waarvan zij wist dat zij wederrechtelijk in Nederland verbleven. Verdachte was niet in het bezit van de daartoe vereiste tewerkstellingsvergunningen voor deze personen. Dit feit is strafbaar gesteld, omdat de openbare orde hierdoor wordt aangetast en omdat er een acute gevaarzetting mee wordt gevormd voor de publieke kas. De tewerkgestelden draaien immers niet mee in het stelsel van sociale verzekeringen en genieten niet de sociale rechten die een rechtmatig verblijvende werknemer heeft. Daarnaast verkeren de tewerkgestelden in een onwenselijk afhankelijke positie van hun werkgever. Door deze personen werk te verschaffen terwijl zij wist dat deze personen op deze wijze geen rechtmatig verblijf hadden in Nederland frustreerde zij tevens het Nederlandse migratiebeleid.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel van de justitiële documentatie van de verdachte van 2 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank constateert verder dat er ten tijde van deze uitspraak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor de afdoening van strafzaken. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen op 9 mei 2022 toen de wettelijk vertegenwoordiger van verdachte voor het eerst werd gehoord in het kader van de tenlastegelegde feiten. De rechtbank houdt dan ook bij het beoordelen van de procesafspraken rekening met de forse overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak.
Tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie is in de overeenkomst ten aanzien van feit 1 en feit 2 een strafeis van een geldboete ter hoogte van € 4000,-- overeengekomen. De rechtbank is van oordeel dat deze straf recht doet aan deze zaak, waarbij zowel het belang van de verdachte als dat van de maatschappij geëerbiedigd wordt. De rechtbank zal de verdachte daarom veroordelen tot de straf zoals de verdachte en het Openbaar Ministerie die in de overeenkomst hebben afgesproken.

De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 22c, 22d, 47, 51, 55, 197a, 197b, 197c Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

-
verklaarthet tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
-
verklaartniet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;
-
verklaartdat het bewezenverklaarde oplevert de misdrijven:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl zij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon
ten aanzien van feit 2 primair:
medeplegen van er een gewoonte van maken een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doen verrichten, terwijl zij weet dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is
-
verklaartverdachte hiervoor strafbaar en
legt opde volgende straf:

Een geldboete ter hoogte van € 4000,00.

Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Langstraat, voorzitter,
mr. F.H.E. Boerma en mr. A.H.J.J. van de Wetering, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,
en is uitgesproken op 12 mei 2026.