De rechtbank Oost-Brabant heeft op 12 mei 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen bij het verschaffen van verblijf en het laten verrichten van arbeid door personen met een wederrechtelijk verblijf in Nederland.
De tenlastelegging betrof twee feiten: het uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verschaffen van verblijf aan personen met de Servische nationaliteit, terwijl verdachte wist dat dit verblijf wederrechtelijk was, en het laten verrichten van arbeid door deze personen, waarbij verdachte dit misdrijf tot een gewoonte had gemaakt. De feiten vonden plaats in de periode van maart tot december 2020 te Heemstede.
De rechtbank heeft de procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en verdachte gevolgd. Verdachte werd bijgestaan door raadsman en stemde vrijwillig in met de afdoening. De rechtbank achtte de bewezenverklaring wettig en overtuigend en stelde vast dat verdachte strafbaar is. Gelet op de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, legde de rechtbank een geldboete van €4000 op, conform de gemaakte afspraken.
De uitspraak is gebaseerd op de artikelen 197a en 197b van het Wetboek van Strafrecht en aanverwante bepalingen. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.