De rechtbank Oost-Brabant heeft op 12 mei 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen bij het verschaffen van verblijf en het laten verrichten van arbeid door personen zonder rechtmatig verblijf in Nederland. De tenlastelegging betrof twee feiten, gepleegd in de periode van maart tot december 2020 te Heemstede, waarbij verdachte uit winstbejag personen met de Servische nationaliteit hielp aan verblijf en werk terwijl zij wist dat dit verblijf wederrechtelijk was.
De rechtbank heeft de procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en verdachte gevolgd, waarbij verdachte vrijwillig afstand deed van bepaalde verdedigingsrechten en instemde met een taakstraf van 60 uren. De rechtbank achtte de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen op basis van de feiten en omstandigheden, en concludeerde dat verdachte strafbaar is. Er was sprake van overschrijding van de redelijke termijn, wat meegewogen is in de strafoplegging.
De rechtbank benadrukte de ernst van het feit, onder meer vanwege de aantasting van de openbare orde, de acute gevaarzetting voor de publieke kas en de onwenselijke afhankelijke positie van de tewerkgestelde personen. Verdachte was niet in het bezit van de vereiste tewerkstellingsvergunningen. De opgelegde taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, werd passend geacht en rechtvaardigt zowel het belang van de verdachte als dat van de maatschappij.