ECLI:NL:RBOBR:2026:3625

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
25/3788
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46.12.2 bestemmingsplan Buitengebied Vught 2022Art. 46.12.3 bestemmingsplan Buitengebied Vught 2022Art. 1.35 bestemmingsplan Buitengebied Vught 2022Art. 1.39 bestemmingsplan Buitengebied Vught 2022Art. 51.1 bestemmingsplan Buitengebied Vught 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgevingsvergunning nieuwbouw recreatiewoning in strijd met natuurbestemming

Eiser vroeg een omgevingsvergunning aan voor de nieuwbouw van een prefab recreatiewoning op een perceel binnen het Natuur Netwerk Brabant. De aanvraag volgde op de sloop van een half opgebouwde recreatiewoning die niet vergunningplichtig was. Het college wees de aanvraag af omdat de nieuwbouw in strijd was met het bestemmingsplan en de Omgevingsverordening.

De rechtbank oordeelde dat de aanvraag niet viel onder het overgangsrecht voor gedeeltelijke vernieuwing, omdat sprake was van herbouw op een bestaande fundering en niet van gedeeltelijke vernieuwing. De aanvraag betrof geen bestaande bebouwing zoals bedoeld in het bestemmingsplan en de Omgevingsverordening.

Eiser stelde dat de aanvraag als buitenplanse omgevingsplanactiviteit had moeten worden toegestaan, maar de rechtbank volgde het college dat dit niet mogelijk was vanwege de instructieregel in de Omgevingsverordening. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat het college geen ruimte had om de Omgevingsverordening buiten toepassing te laten.

Het beroep werd ongegrond verklaard, de afwijzing van de vergunning bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van de recreatiewoning.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3788 OWBOUW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats 1] (België), eiser

(gemachtigde: mr. J.A. Huijgen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught

(gemachtigde: I.A.G.J. Reijnders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een omgevingsvergunning voor de bouw van een prefab recreatiewoning. Volgens het college is de aangevraagde activiteit in strijd met het omgevingsplan. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Eiser meent dat hij een beroep kan doen op het overgangsrecht omdat sprake is van een gedeeltelijke vernieuwing van bestaande bouw.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Er is geen sprake van een gedeeltelijke vernieuwing. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 25 maart 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning bouw. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 november 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. V.M.S. Verschoor (vervanger van de gemachtigde van eiser) en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Eiser is eigenaar van een perceel net aan de rand van de Loonse en Drunense Duinen, ter hoogte van [woonplaats 2] . Op het perceel stond sinds 1938 een recreatiewoning. Eiser heeft deze recreatiewoning in 2017 gesloopt en is begonnen met het opnieuw opbouwen van de recreatiewoning. Eiser heeft deze werkzaamheden niet afgerond. In 2024 besloot eiser om de lopende bouwwerkzaamheden ongedaan te maken en in plaats daarvan een prefab recreatiewoning te bouwen op de bestaande fundering.
Overgangsrecht
4. Volgens eiser had het college de afvraag niet af kunnen wijzen omdat deze in strijd was met het omgevingsplan. De aanvraag valt volgens eiser onder het overgangsrecht. Volgens eiser is sprake van bestaande bebouwing die gedeeltelijk wordt vernieuwd.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom.
4.2.
Het perceel van eiser valt binnen de gebiedsaanduiding ‘Overige zone – Natuur Netwerk Brabant’. Op grond van de artikelen 46.12.2 en 46.12.3 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Vught 2022’ (het bestemmingsplan), dat deel uitmaakt van het omgevingsplan, is binnen deze gebiedsaanduiding voor de activiteit ‘bouwen’ alleen bestaande bebouwing toegestaan.
4.3.
Om vast te stellen of de aanvraag in overeenstemming is met het omgevingsplan, moet eerst worden gekeken wat onder ‘bestaande bebouwing’ moet worden verstaan. In artikel 1.35 van het bestemmingsplan – waar het college zich op heeft gebaseerd – is weliswaar een definitie gegeven voor ‘bestaand bouwwerk’, maar niet voor ‘bestaande bebouwing’. Artikel 1.39, onderdeel a, van het bestemmingsplan, bevat wel een op ‘bebouwing, gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde’ toegespitste definitie van ‘bestaand/bestaande situatie’. Deze begripsbepaling sluit gerichter aan op het begrip ‘bestaande bebouwing’. Daarom sluit de rechtbank hierbij aan. Deze definitie luidt:
‘legale bebouwing gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, dan wel de bebouwing die mag worden gebouwd krachtens een vóór het tijdstip van terinzagelegging aangevraagde vergunning’
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat er ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied Vught 2022’ een half opgebouwde recreatiewoning op het perceel stond waarvoor destijds geen omgevingsvergunning was verleend. Deze is verwijderd door eiser. De aanvraag van eiser heeft geen betrekking op de toen aanwezige bebouwing. Er is dus geen sprake van een aanvraag die betrekking heeft ‘bestaande bebouwing’ zoals bedoeld in artikel 1.39 van het bestemmingsplan. Dat betekent dat de aangevraagde vergunning betrekking heeft op een activiteit die in strijd is met de op het perceel rustende bestemming.
4.5.
Op grond van artikel 51.1 van het bestemmingsplan mag een bouwwerk dat afwijkt van het bestemmingsplan en dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd. Daarbij geldt wel dat dit overgangsrecht niet van toepassing is op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, maar die zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. Een gehele vernieuwing of verandering van het bouwwerk is – onder nadere voorwaarden – alleen toegestaan na het teniet gaan van het bouwwerk ten gevolge van een calamiteit.
4.6.
Partijen zijn het erover eens dat eiser alleen aan het overgangsrecht voldoet als de aanvraag van eiser betrekking heeft op een gedeeltelijke vernieuwing of verandering. Er is namelijk geen sprake geweest van een calamiteit. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gedeeltelijke vernieuwing, moet de aangevraagde situatie worden vergeleken met de situatie waarin het bouwwerk zich bevond op het moment waarop het bouwwerk voor het laatst in overeenstemming was met het bestemmingsplan. Ten opzichte van die situatie is sprake van een herbouw op een bestaande fundering. Zo’n herbouw kan niet worden aangemerkt als een gedeeltelijke vernieuwing. Dat is staande jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. [1] Er is dus geen sprake van een gedeeltelijke vernieuwing. Eiser kan dus geen beroep doen op het overgangsrecht.
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergunbaar?
5. Eiser voert aan dat het college aanleiding had moeten zien om de aanvraag toch te verlenen, namelijk als buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Volgens eiser wordt hij onevenredig getroffen door de toevallige omstandigheid dat de te herbouwen recreatiewoning is gesloopt voordat het bestemmingsplan ‘Buitengebied Vught 2022’ werd ingevoerd. Het college heeft nagelaten om te onderzoeken wat de gevolgen zouden zijn van het verlenen van deze omgevingsvergunning voor de natuurwaarden ter plaatse. Het college had ook kunnen volstaan met het opnemen van vergunningvoorschriften ter bescherming van de natuurwaarden.
5.1.
Het college heeft aangevoerd dat het Natuur Netwerk Brabant de bescherming en het herstel van de natuur beoogt. De nieuwbouw van een recreatiewoning is niet in lijn met dit beschermingsdoel. De bouw van de prefabwoning is daarom niet toelaatbaar met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovendien zou deze vergunningverlening in strijd zijn met de Omgevingsverordening Noord-Brabant
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college kan geen toepassing geven aan zijn bevoegdheid om op grond van artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit te vergunnen, als dat in strijd zou zijn met een instructieregel. Dat staat in artikel 8.0b, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bkl. Het college heeft in dit geval geen afwegingsruimte. Op grond van artikel 5.30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Omgevingsverordening Noord-Brabant staat een omgevingsplan dat van toepassing is op het Natuur Netwerk Brabant alleen
bestaandebebouwing en bestaande gebruiksactiviteiten toe zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd.
5.3.
Partijen zijn het erover eens dat het Natuur Netwerk Brabant nog niet is gerealiseerd. Daarom kan de omgevingsvergunning alleen buitenplans worden verleend als sprake is van bestaande bebouwing. Het begrip ‘bestaande bebouwing’ is in de Omgevingsverordening niet gedefinieerd. De rechtbank ziet echter geen grond voor het oordeel dat de aangevraagde prefab recreatiewoning een vorm van ‘bestaande bebouwing’ is in de zin van de Omgevingsverordening. De kennelijke strekking van de Omgevingsverordening is namelijk dat er geen nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd en dat de verordening hooguit een eerbiedigende werking heeft voor bebouwing die ten tijde van de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening al ter plaatse aanwezig was. De prefabwoning was ten tijde van de inwerkingtreding niet aanwezig. Daar doet het bestaan van de fundering niets aan af. Een fundering is immers iets wezenlijks anders dan de woning die op de fundering wordt gebouwd. De aanvraag heeft dus geen betrekking op ‘bestaande bebouwing’ zoals bedoeld in de Omgevingsverordening. Dat betekent dat het college niet bevoegd was om de aangevraagde buitenplanse omgevingsplansactiviteit te vergunnen, aangezien dat in strijd zou zijn met de instructieregel.
5.4.
Eiser heeft nog aangevoerd dat het college kenbaar had moeten bezien of het met toepassing van artikel 5.32 van de Omgevingsverordening had kunnen afwijken van artikel 5.30 van de Omgevingsverordening. Op grond van het eerste lid van artikel 5.32 is het namelijk mogelijk om onder voorwaarden toch nieuwe ontwikkelingen toe te staan. Volgens eiser heeft het college het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd door hieraan voorbij te gaan.
5.5.
Op grond van het tweede lid van artikel 5.32 is het eerste lid niet van toepassing op Natura 2000-gebied. Tussen partijen was en is niet in geschil dat eiser de prefabwoning wil realiseren in Natura 2000-gebied. Het college hoefde, nu eiser er ook in bezwaar geen punt van heeft gemaakt, niet uit te leggen waarom het geen toepassing geeft aan een artikel dat niet van toepassing is.
Evenredigheidsbeginsel
5.6.
Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is genomen met het evenredigheidsbeginsel. Eiser ziet niet in hoe het doel van natuurherstel wordt bevorderd door de afwijzing van de aanvraag. Daarom is het besluit niet doeltreffend. Het college had met minder ingrijpende maatregelen, zoals vergunningvoorschriften, een betere bijdrage kunnen leveren aan de beoogde doelen. Ook heeft het college de ingrijpende gevolgen voor eiser onvoldoende afgewogen tegen het belang van natuurherstel.
5.7.
De Omgevingsverordening laat voor het college bij de bestreden besluitvorming geen ruimte voor een eigen afweging van de betrokken belangen. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser daarom zo, dat hij meent dat het college de desbetreffende bepalingen van de Omgevingsverordening buiten toepassing had moeten laten omdat een toepassing ervan in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel.
5.8.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom.
5.9.
Het college heeft een eigen verantwoordelijkheid om te bezien of een onverkorte toepassing van de Omgevingsverordening in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel. Daarbij heeft het college echter niet de taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Ook de aard van de democratisch sterker gelegitimeerde wetgevende functie enerzijds en die van de uitvoerende macht anderzijds brengen met zich dat het college terughoudendheid moet betrachten bij het buiten toepassing laten van wetgeving in materiële zin, zoals de Omgevingsverordening. [2]
5.10.
In de Omgevingsverordening hebben Provinciale Staten als aangewezen en democratisch gelegitimeerd orgaan besloten om het Natuur Netwerk Brabant ruimte te geven en om daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen te beperken. Daarbij hebben Provinciale Staten aandacht gehad voor bestaande rechten, zoals het eigendomsrecht van eiser. Het college heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden, die zuiver economisch van aard zijn en die door Provinciale Staten met opneming van het overgangsrecht zijn meegewogen, terecht geen aanleiding gezien om de Omgevingsverordening op grond van het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing te laten.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J.A.B. Elsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
de griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie in het bijzonder haar uitspraak van 2 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4522.
2.Zie voor dit toetsingskader de uitspraken van de Hoge Raad van 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1360 en de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.