Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3621

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
25/3118 en 25/3647
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.11 BalArt. 2.13 BalArt. 3.1.1 OmgevingsvergunningArt. 5:32a AwbArt. 5:32b Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid van lasten onder dwangsom en invordering bij afvalstoffenbedrijf

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft drie aan eiseres opgelegde lasten onder dwangsom vanwege overtredingen bij haar afvalstoffenbedrijf, waaronder schending van de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en een vergunningvoorschrift. Tevens gaat het om de invordering van verbeurde dwangsommen van in totaal €1.000.000,- wegens overtreding van de eerste last.

De rechtbank stelt vast dat de opslag van shredderresidu leidde tot broei en brand, met nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving, waardoor het college terecht handhavend optrad op grond van de specifieke zorgplicht. De lasten onder dwangsom zijn rechtmatig opgelegd en de begunstigingstermijn van 23 juli 2025 is niet onredelijk kort. De hoogte van de dwangsommen is proportioneel en gericht op naleving.

De derde last, die het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool reguleert, is inhoudelijk rechtmatig, maar de herstelmaatregelen zijn te dwingend geformuleerd, waardoor eiseres onvoldoende keuzevrijheid wordt gelaten. Dit onderdeel wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Het beroep tegen het invorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard. De rechtbank veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond voor het te dwingend formuleren van herstelmaatregelen bij last III en vernietigt dat onderdeel, terwijl de overige lasten en het invorderingsbesluit in stand blijven.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/3318 OWHAND
SHE 25/3647 OWHAND

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W.J.W. van Eijk),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant,het college
(gemachtigden: P. Hoefnagels, R. Adriaens en P. Thijssen).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over drie aan eiseres opgelegde lasten onder dwangsom in verband met overtredingen van haar afvalstoffenbedrijf aan de [adres] te [vestigingsplaats] . De uitspraak gaat ook over de invordering van verbeurde dwangsommen van in totaal
€ 1.000.000,- wegens overtreding van de eerste last. Eiseres is het niet met deze besluiten eens en heeft daarom beroep ingesteld.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de drie lasten onder dwangsom rechtmatig zijn. De herstelmaatregelen zijn bij de derde last echter te dwingend geformuleerd. De rechtbank vernietigt dat onderdeel van het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand omdat inmiddels duidelijk is dat het eiseres vrij staat om een keuze te maken voor herstelmaatregelen. Het beroep tegen het invorderingsbesluit is ongegrond.
Onder 1. staat het procesverloop. Onder 2. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling van de lasten onder dwangsom staat onder 3. tot en met 5. Onder 6. staat de beoordeling van het invorderingsbesluit. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

1. Met het besluit van 2 april 2025 heeft het college aan eiseres drie lasten onder dwangsom opgelegd voor haar afvalstoffenbedrijf aan de [adres] te [vestigingsplaats] , te weten:
I. Partijen shredderresidu.
Eiseres dient overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a t/m c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door alle partijen shredderresidu die ten tijde van dit besluit nog aanwezig zijn (ca. 5.700 ton) volledig af te voeren naar een daarvoor erkende inzamelaar/verwerker. Wanneer na 14 mei 2025 wordt geconstateerd dat er nog shredderresidu op het terrein van het bedrijf van eiseres aanwezig is, wordt een dwangsom verbeurd van € 250.000,- per constatering, waarbij maximaal 1 dwangsom per week wordt verbeurd tot een maximum te verbeuren bedrag van € 1.000.000,-.
II. Bodemlozing bluswater/koelwater/hemelwater langs het bedrijf nabij de N279.
Eiseres dient een herhaling van overtreding van artikel 2.11, eerste lid, a t/m c van het Bal te voorkomen. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door de partij shredderresidu die nu tegen de ommuring ligt en natgehouden werd, zodanig ver van de muur af te halen dat water dat uit de partij shredderresidu vrijkomt niet meer door de ommuring in de bodem loopt. Wanneer na 9 april 2025 wordt geconstateerd dat bluswater/koelwater/hemelwater van het terrein door de ommuring van het bedrijf in de bodem uitspoelt, wordt een dwangsom verbeurd van € 15.000,- per etmaal waarop een herhaling van de overtreding wordt vastgesteld tot een maximum te verbeuren bedrag van € 60.000,-.
III. Afvoeren van afvalwater anders dan via het gemeentelijk riool.
Eiseres dient herhaling van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning te voorkomen. Dit kan zij doen door bijvoorbeeld bluswater/koelwater/hemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger/verwerker af te voeren. Wanneer na 9 april 2025 wordt geconstateerd dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger/verwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd van
€ 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert met een maximum te verbeuren dwangsom van € 300.000,-.
Eiseres mag weer afvalwater van het bedrijf op het rioolstelsel lozen zodra zij heeft aangetoond dat de kwaliteit van het afvalwater daaraan niet in de weg staat. Daarvoor zal tenminste nodig zijn dat de partijen shredderresidu volledig weg zijn. Het college laat zich adviseren door het waterschap om te bepalen of de afvalwaterkwaliteit acceptabel is.
1.1.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Bij brief van 13 mei 2025 heeft eiseres het college verzocht om de begunstigingstermijn van de last onder I op te schorten dan wel te verlengen omdat zij niet in staat is om voor het aflopen van de begunstigingstermijn al het shredderresidu af te voeren.
1.3.
Bij uitspraak van 2 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening gedeeltelijk toegewezen.
1.4.
Met het bestreden besluit van 21 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college last II ongewijzigd gehandhaafd. Het college heeft de lasten I en III als volgt aangepast:
I. Eiseres dient overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a t/m c van het Bal te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan bijvoorbeeld door alle partijen shredderresidu die ten tijde van het besluit in primo aanwezig waren, volledig af te voeren naar een daarvoor erkende inzamelaar/verwerker. Het college verwijst hierbij ook naar het plan van aanpak dat is verstrekt op 7 februari 2025, waarbij ook een plattegrond is meegestuurd waarop de partijen shredderresidu zijn weergegeven. Het college gaat ervan uit dat op het moment van verzenden van het besluit in primo nog ca. 5.700 ton shredderresidu af te voeren valt. Het college gaat er daarnaast van uit dat 1.000 ton per week afvoeren mogelijk is. Wanneer het college na 23 juli 2025 overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, van het Bal constateert en er in zoverre nog shredderresidu als hiervoor bedoeld op het terrein van het bedrijf aanwezig is, wordt een dwangsom verbeurd van
€ 250.000,- per constatering, waarbij maximaal 1 dwangsom per week wordt verbeurd tot een maximum te verbeuren bedrag van € 1.000.000,- (4 dwangsommen). De opslag van nieuwe partijen shredderresidu die na 2 juli 2025 binnenkomen, is toegestaan mits deze afzonderlijk worden opgeslagen, niet worden vermengd met andere partijen en overeenkomstig de omgevingsvergunning worden geregistreerd. Als dit laatste niet gebeurt, dan wordt het shredderresidu geacht deel uit te maken van de partij shredderresidu die er vóór 3 juli 2025 lag en waar de last op ziet. De bewijslast hiervoor ligt bij eiseres.
III. Eiseres dient overtreding van voorschrift 3.1.1 van haar omgevingsvergunning te voorkomen. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door bluswater/koelwater/hemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger/verwerker af te voeren.
Wanneer het college na 9 april 2025 constateert dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger/verwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd van € 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert, tot een maximum te verbeuren bedrag van € 300.000,- (6 dwangsommen). Eiseres mag weer afvalwater op het rioolstelsel lozen, zodra het shredderresidu – waarop last I ziet – is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen, is gereinigd. Wanneer eiseres er voor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag zij lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool ook hervatten. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en eiseres hebben medegedeeld dat hij met de getroffen maatregelen instemt.
Verder heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 23 juli 2025.
1.5.
Met het besluit van 24 oktober 2025 heeft het college besloten de wegens overtreding van last I verbeurde dwangsommen, ten bedrage van € 1.000.000,- in te vorderen (het invorderingsbesluit).
1.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 21 oktober 2025. Dit beroep is geregistreerd als SHE 25/3318.
1.7.
Het college heeft het door eiseres tegen het invorderingsbesluit ingediende bezwaarschrift ter behandeling als beroep doorgezonden aan de rechtbank. Omdat het beroep tegen de lasten onder dwangsom van rechtswege ook wordt aangemerkt als beroep tegen het invorderingsbesluit [1] , beschouwt de rechtbank het door het college doorgezonden bezwaarschrift tegen het invorderingsbesluit als aanvullend beroepschrift. Dit is bij de rechtbank geregistreerd als SHE 25/3647.
1.8.
Eiseres heeft de voorzieningenrechter verzocht om het invorderingsbesluit te schorsen. Bij uitspraak van 24 december 2025 heeft de voorzieningenrechter het invorderingsbesluit bij wijze van ordemaatregel geschorst. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat partijen worden uitgenodigd op een nader te bepalen zitting om te beoordelen of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.
1.9.
Het college heeft op het beroep van eiseres en op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.10.
Eiseres heeft op 19 en 26 februari 2026 nadere stukken ingediend.
1.11
De rechtbank heeft de beroepen op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] (voor eiseres) en [naam] (voor eiseres) en de gemachtigden van het college. De zitting heeft in het openbaar plaatsgevonden. Op verzoek van eiseres heeft de rechtbank de deuren alleen gesloten voor de behandeling van gegevens over de financiële positie van het bedrijf. [2]

Feiten en omstandigheden

2. Eiseres exploiteert aan de [adres] in [vestigingsplaats] een bedrijf dat handelt in metaal, afkomstig van metaalschroot dat ter plaatse wordt opgeslagen en verwerkt. Op het buitenterrein wordt onder meer shredderresidu afkomstig uit metaalrecycling opgeslagen. Het bedrijf ligt op een bedrijventerrein en wordt begrensd door de spoorlijn [vestigingsplaats] aan de zuidzijde, de provinciale wegen [nummer] aan de noordzijde en de [nummer] aan de westzijde en een bedrijfshal voor logistieke doeleinden aan de oostzijde.
2.1.
Het college heeft voor de gehele inrichting van eiseres op 8 juni 2021 een (revisie) omgevingsvergunning verleend. Deze omgevingsvergunning is aan te merken als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van de Omgevingswet.
2.2.
Er zijn meerdere controles uitgevoerd door toezichthouders van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (de ODZOB).
  • Op 23 oktober 2024 heeft een toezichthouder een sterke chemische (plastic)geur ter hoogte van het bedrijf van eiseres waargenomen.
  • Op 20 november 2024 is vastgesteld dat onder meer aan de voet van het grote depot met shredderresidu, aan de noord- en noordoostzijde, sprake is geweest van brand. Deze brand is door eiseres zelf gedoofd door het met een shovel uit de opslag weg te nemen.
  • In een brief van 14 januari 2025 heeft het college eiseres medegedeeld dat de ODZOB tijdens op 8 en 20 november 2024 gehouden controles heeft vastgesteld dat op het terrein van het bedrijf van eiseres shredderresidu (circa 40.000 m3) werd opgeslagen waarin een brandonveilige situatie als gevolg van broei is ontstaan. Hierbij is onder meer vastgesteld dat de maximaal toegestane opslaghoogte van afvalstoffen op het buitenterrein wordt overschreden en dat vrijkomende afvalstoffen (waaronder shredderresidu) onvoldoende worden gescheiden en gescheiden bewaard.
  • Op 31 januari 2025 is na een melding van geuroverlast door een toezichthouder broei in afvalbergen van het bedrijf geconstateerd.
  • Op 7 februari 2025 heeft eiseres op verzoek van de ODZOB een afvoerplan voor het shredderresidu aangeleverd. Op 24 februari 2025 is eiseres gestart met afvoeren.
  • Op 14 februari 2025 heeft een periodieke controle ter plaatse door een toezichthouder plaatsgevonden. Er zijn sporen van brand en broei geconstateerd (locatie B). In het gesprek tussen de toezichthouders van de ODZOB en de heren [naam] en [naam] is, in gezamenlijkheid, de conclusie getrokken dat afvoer de enige oplossing is in het geval van deze grootschalige opslag.
2.3.
Bij brief van 21 februari 2025 heeft het college aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt tot het opleggen van een last onder dwangsom om herhaling te voorkomen van overtreding van artikel 5.5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Omgevingswet en
(1) voorschrift 2.2.1 van de omgevingsvergunning door het verspreid raken van foliesnippers buiten het terrein van het bedrijf,
(2.) voorschrift 8.1.1 van de omgevingsvergunning door het veroorzaken van geur buiten de grenzen van het bedrijf door het opslaan van shredderresidu.
Eiseres heeft een zienswijze ingediend tegen dit voornemen.
2.4.
Hierna zijn opnieuw meerdere controles uitgevoerd door toezichthouders van de ODZOB.
  • Op 14 en 15 maart 2025 heeft een controle door een toezichthouder plaatsgevonden. Op deze data hebben zich twee branden voorgedaan in een partij shredderresidu op het terrein van het bedrijf (locatie B).
  • Bij e-mail van 21 maart 2025 heeft eiseres melding gedaan van de ongewone voorvallen. Zij heeft hierbij aangegeven dat de partij waar tweemaal brand is geweest, preventief wordt natgehouden. Ook heeft eiseres aangegeven dat 1.000 ton materiaal per week zal worden afgevoerd naar erkende afvalverwerkers en dat zal worden gestreefd naar 1.250 ton per week.
  • Op 19, 22 en 23 maart 2025 hebben opnieuw controles plaatsgevonden. Omdat hierbij is geconstateerd dat het afvloeiende, mogelijk ernstig verontreinigde, blus- en koelwater richting de nabijgelegen rioolput stroomde, heeft de toezichthouder eiseres gesommeerd het lozen op het gemeentelijk riool te staken totdat de waterkwaliteit is onderzocht en het waterschap akkoord geeft voor hervatting.
  • Op 24 maart 2025 heeft een toezichthouder bij een schouw aan de buitenzijde van het terrein geconstateerd dat langs de afscheidingsmuur ter hoogte van depot B een aanzienlijke hoeveelheid afvalwater onbeschermd in de bodem is geïnfiltreerd. Het betreft met name koel- en bluswater. Het bedrijf heeft geen maatregelen getroffen om dit te voorkomen. Er zijn ook monsters genomen van het afvalwater.
2.5.
Bij e-mail van 26 maart 2025 heeft het waterschap Aa en Maas de ODZOB meegedeeld dat het betreffende afvalwater giftig is voor het bacteriële zuiveringsproces van de RWZI. Dat blijkt uit de uitslagen van de genomen monsters. Het waterschap deelt mee dat het afvalwater van eiseres niet kan worden ontvangen.
2.6.
Bij het besluit van 2 april 2025 (het dwangsombesluit) heeft het college de drie lasten onder dwangsom aan eiseres opgelegd.
2.7.
Op 12 mei 2025 heeft het college eiseres op haar verzoek een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het plaatsen van een nieuwe zeefinstallatie. Het college heeft met dit besluit ook enkele voorschriften (2.2.1, 7.2.1 en 7.2.2) van de omgevingsvergunning van 8 juni 2021 ambtshalve gewijzigd en voorschriften toegevoegd met betrekking tot het voldoen aan de BBT-conclusies voor afvalbehandeling met betrekking tot het aspect milieubeheersysteem en geluid.
2.8.
Bij e-mail van 16 mei 2025 heeft eiseres het college meegedeeld dat zij na 15 april 2025 de volgende acties heeft uitgevoerd:
• het reinigen en leegpompen van haar bedrijfsriolering waar bluswater in aanwezig was;
• het afvoeren van dit afvalwater naar een erkend verwerker;
• het laten uitvoeren van de monstername (24 april 2025) en de analyse van het water in het bedrijfsriool na leegpompen/reiniging na een regenbui.
Eiseres vraagt het college in deze e-mail om het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool te mogen hervatten.
2.9.
Bij e-mail van 23 mei 2025 heeft de ODZOB eiseres laten weten dat nog niet kan worden ingestemd met het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool.
2.10.
Bij brief van 11 juli 2025 heeft het college eiseres, conform het advies van het waterschap Aa en Maas meegedeeld dat zij lozing van afvalwater op het riool mag hervatten zodra het shredderresidu – waarop last I ziet – is afgevoerd, het riool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het was opgeslagen is gereinigd. Wanneer eiseres ervoor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag zij lozen van afvalwater op het riool ook hervatten. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en eiseres meegedeeld hebben dat het met de getroffen maatregelen instemt.
Het college houdt er onverkort aan vast dat het shredderresidu op 23 juli 2025 moet zijn afgevoerd.
2.11.
Na afloop van de voor last I gestelde begunstigingstermijn heeft het college op 24 juli 2025, 1 augustus 2025, 11 augustus 2025 en 19 augustus 2025 controles laten verrichten. Hierbij is telkens geconstateerd dat niet werd voldaan aan last I. Dit heeft geleid tot het invorderingsbesluit.

Oordeel van de rechtbank

Last I: afvoer shredderresidu

Is sprake van een overtreding van de specifieke zorgplicht?
3. Volgens eiseres is het college niet bevoegd handhavend op te treden wegens schending van de in artikel 2.11 van het Bal neergelegde zorgplicht. Het opslaan van shredderresidu is vergund in voorschrift 2.3.1 van de omgevingsvergunning van 8 juni 2021. In die vergunning zijn voorschriften gesteld om geur-, broei- en brandgevaar te voorkomen en te beperken (voorschrift 8.1.2). Eiseres houdt zich hieraan. Als het college dit onvoldoende acht, had het op de weg van het college gelegen extra voorschriften hierover op te nemen in de vergunning. De zorgplicht is niet bedoeld voor situaties waarin een vergunning had kunnen (en moeten) voorzien.
Daarbij komt dat eiseres met extra maatregelen die zij heeft getroffen en nog altijd treft om geurhinder en brand- en broeigevaar te voorkomen dan wel te beperken, invulling geeft aan haar zorgplicht. Sinds het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom tot en met 18 december 2026 is ruim 11.458 ton shredderresidu afgevoerd. De nog aanwezige partijen worden gezeefd, waarbij de fijne fractie wordt gescheiden van de grovere fractie. Als de temperatuur van het residu oploopt, worden de partijen nat gehouden. Er is een brandwacht ingesteld die dit 24/7 controleert en bijhoudt in een logboek. Van schending van artikel 2.11 van het Bal is volgens eiseres geen sprake, laat staan van een
evidenteschending.
3.1.
Het college erkent dat de opslag van shredderresidu is vergund. Dat geldt echter niet voor de nadelige gevolgen die voor de fysieke leefomgeving (zijn) ontstaan door de opslag van shredderresidu waarin zich broei en branden manifesteerden.
De vergunningvoorschriften hebben betrekking op het voorkomen van broei, maar in de vergunning is niet geregeld wat te doen als broei en brand eenmaal is ontstaan. De specifieke zorgplicht werkt aanvullend naast vergunningvoorschriften en algemene regels en leent zich volgens het college juist bij uitstek om niet vergunde nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving spoedig te doen beëindigen. Als eenmaal brand is ontstaan in het shredderresidu, waardoor nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan en blijven voortduren én de kans bestaat op een nieuwe brand, schieten de vergunningvoorschriften tekort. Handhaven wegens handelen in strijd met de in artikel 2.11 Bal opgenomen specifieke zorgplicht is dan volgens het college gerechtvaardigd.
De “extra” maatregelen waarop eiseres doelt zoals temperatuurmetingen en het bijhouden van een logboek, zijn geen maatregelen om de nadelige gevolgen van broei en brand te beëindigen, maar maatregelen om broei en brand te voorkomen. Die maatregelen moeten al worden getroffen op grond van de vergunning (voorschrift 8.1.2).
Naast geuroverlast, heeft de broei en brand ertoe geleid dat er blusactiviteiten hebben plaatsgevonden en een waterscherm in gebruik is geweest. Hierdoor hebben schadelijke, zo niet zeer zorgwekkende, emissies plaatsgevonden naar lucht, water en bodem. Eiseres heeft ook elders een onderneming gehad ( [naam] ), waar hetzelfde materiaal werd opgeslagen en waarin ook branden hebben plaatsgevonden. Zij had dan ook redelijkerwijs kunnen weten dat hier nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving door (kunnen) ontstaan. Ook had zij volgens het college kunnen weten dat alleen met het zo snel mogelijk afvoeren van de betreffende partijen shredderresidu de schadelijke emissies zo snel als mogelijk konden worden beëindigd.
3.2.
Op grond van artikel 2.11 van het Bal is degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, verplicht
a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Op grond van het tweede lid van artikel 2.11 houdt deze zorgplicht voor milieubelastende activiteiten in ieder geval in dat:
a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
(…)
d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
In artikel 2.13 van het Bal wordt de bevoegdheid gegeven om maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften te stellen over onder meer artikel 2.11 van het Bal.
3.3.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres beschikt over een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Handhaving van de zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal komt in dat geval alleen in beeld als de omgevingsvergunning geen specifieke voorschriften bevat voor een bepaald milieuaspect, bij ongebruikelijke activiteiten, in bijzondere omstandigheden, of als de (doel- en middel)voorschriften ontoereikend zijn om de nadelige gevolgen in voldoende mate te voorkomen. Uit een oogpunt van rechtszekerheid moet deze aanvullende werking van de specifieke zorgplicht naar het oordeel van de rechtbank beperkt worden opgevat als voor een bepaald milieuaspect specifieke (doel- of middel)voorschriften zijn gesteld en een vergunninghouder de activiteiten op de gebruikelijke wijze uitoefent. Een overtreding op grond van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 Bal kan naar het oordeel van de rechtbank alleen aan de orde zijn als hetzelfde resultaat niet kan worden bereikt met een voorschrift dat al aan de omgevingsvergunning is verbonden.
3.4.
Als overtreding van de specifieke zorgplicht aan de orde is, moet voor de vergunninghouder redelijkerwijs zijn te voorzien wat de overtreding in een concreet geval inhoudt. [3] Als er voldoende tijd is, kan dat door de vergunninghouder te laten weten wat van hem wordt verwacht, in overleg te treden over ongedaanmaking van de overtreding, een maatwerkvoorschrift (in het vooruitzicht) te stellen of een (ontwerp voor) wijziging van de voorschriften van de omgevingsvergunning kenbaar te maken. De nadelige gevolgen van een overtreding van de specifieke zorgplicht kunnen in een concrete situatie echter meebrengen dat daar niet op kan worden gewacht. Dan is de vraag aan de orde of directe handhaving op grond van overtreding van de specifieke zorgplicht mogelijk is.
3.5.
Directe handhaving op de specifieke zorgplicht is naar het oordeel van de rechtbank mogelijk bij evidente overtredingen. De activiteit moet evident in strijd zijn met de zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal. [4] Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. Directe handhaving van het overtreden van de specifieke zorgplicht is niet gerechtvaardigd als de betrokkene redelijkerwijs niet kon weten wat in het concrete geval een goede invulling is van de specifieke zorgplicht. De rechtbank wijst ter onderbouwing op de wetsgeschiedenis van de Omgevingswet en het Bal. [5]
3.6.
Het college heeft lasten onder dwangsom opgelegd omdat broei en brand was ontstaan in het shredderresidu. Dat veroorzaakte volgens het college dusdanig nadelige gevolgen voor het milieu, dat het shredderresidu zo snel mogelijk moest worden verwijderd. Gelet op de aanvullende werking van de zorgplicht bespreekt de rechtbank eerst of het college de lasten had kunnen baseren op de overtreding van één of meer vergunningvoorschriften.
3.7.
Op grond van voorschrift 2.3.1 van de omgevingsvergunning van 8 juni 2021 is de opslag van bepaalde afvalstoffen toegestaan. Hieronder valt onder meer het shredderresidu. Uit voorschrift 2.2.4 volgt dat afvalstoffen maximaal één jaar mogen worden opgeslagen. Ten tijde van het dwangsombesluit lag het shredderresidu er nog niet langer dan één jaar. Deze voorschriften waren op dat moment niet overtreden en konden dus niet aan de lasten ten grondslag worden gelegd.
3.8.
Voorschrift 2.5.2 van de omgevingsvergunning houdt in dat de hoogte van de opgeslagen afvalstoffen niet hoger mag zijn dan de ommuring ter plaatse van de opslag. Dit voorschrift kon ook niet aan de lasten ten grondslag worden gelegd omdat het college beoogt dat al het shredderresidu volledig wordt verwijderd, ongeacht de hoogte.
3.9.
In de omgevingsvergunning zijn voorschriften gesteld om geur-, broei- en brandgevaar te voorkomen dan wel te beperken. Eiseres wijst op voorschrift 8.1.2. In dit voorschrift is echter niet geregeld wat moet worden gedaan
nadatbroei en brand zijn ontstaan. Dat is ook niet geregeld in andere vergunningvoorschriften. De omgevingsvergunning biedt geen basis om eiseres te gelasten een partij shredderresidu waarin broei en brand is ontstaan versneld af te voeren om verdere milieuverontreiniging te voorkomen. De vergunningvoorschriften zijn naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend om de nadelige gevolgen in voldoende mate te voorkomen. Dat betekent dat de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal in beeld komt. De stelling van eiseres dat de omgevingsvergunning had kunnen en moeten voorzien in voorschriften voor de situatie na het ontstaan van broei en brand, doet hieraan niet af. Als een onderwerp niet in de omgevingsvergunning is geregeld, dient de vergunninghouder de eisen van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal in acht te nemen. De specifieke zorgplicht heeft hier een aanvullende werking.
3.10.
Naar het oordeel van de rechtbank was ten tijde van het dwangsombesluit van 2 april 2025 sprake van een evidente schending van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Bij de op 8 en 20 november 2024 gehouden controle is geconstateerd dat de maximaal toegestane opslaghoogte van afvalstoffen op het buitenterrein werd overschreden en dat vrijkomende afvalstoffen (waaronder shredderresidu) onvoldoende werden gescheiden en gescheiden bewaard. Hierdoor is een brandonveilige situatie en ook daadwerkelijk brand ontstaan in de partijen shredderresidu die afkomstig zijn van het bedrijf [naam] van eiseres. Ook op 14 februari 2025 zijn sporen van brand en broei geconstateerd. Tijdens het gesprek dat toen heeft plaatsgevonden tussen de toezichthouders van de ODZOB en de heren [naam] en [naam] hebben zij samen de conclusie getrokken dat afvoer de enige oplossing is in het geval van deze grootschalige opslag.
Na de verkoop van [naam] op 18 februari 2025, is eiseres met de hierdoor vrijgekomen financiële middelen op 24 februari 2025 begonnen met het afvoeren van shredderresidu. Daarna zijn er nog branden geweest in het shredderresidu op 14 en 15 maart 2025, ten gevolge waarvan (nog meer) verontreiniging van zowel lucht, bodem als (riool)water heeft kunnen plaatsvinden. Gelet op het voorgaande heeft het college terecht overwogen dat de opslag van shredderresidu, afkomstig van eiseresses toenmalige bedrijf [naam] , de broei en vervolgens de branden die erin zijn ontstaan, gepaard gaan met geuremissie en rookontwikkeling. Via de lucht zijn schadelijke stoffen in de leefomgeving terechtgekomen. Ook heeft het college terecht overwogen dat blus/koelwater van het residu in de bodem infiltreert en dat via die route schadelijke - zo niet zeer zorgwekkende - stoffen in de bodem terecht zijn gekomen en/of terechtkomen en dat het water buiten de inrichting weglekt. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de opslag van het aanwezige shredderresidu nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft opgeleverd en een groot risico blijft opleveren voor de fysieke leefomgeving. In de gegeven omstandigheden was evident dat de partijen shredderresidu die aanwezig waren in november 2024 zo spoedig mogelijk hadden moeten worden afgevoerd. Dat was ten tijde van het dwangsombesluit op 2 april 2025 nog niet gerealiseerd. Het college heeft dan ook tot de conclusie mogen komen dat eiseres evident in strijd heeft gehandeld met de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal. Dat betekent dat het college bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is last I te verstrekkend?
3.11.
Eiseres voert aan dat de herstelmaatregel, volledige afvoer van het shredderresidu, te verstrekkend is. Zij wijst erop dat de opslag van shredderresidu is vergund. Zij wijst ook op paragraaf 4.104 “Opslaan van goederen” van het voorkomen of te beperken.
3.12.
Het college vindt de last niet te verstrekkend. Het materiaal moet al periodiek worden afgevoerd. De last vergt slechts dat het afvoeren eerder plaatsvindt. Als eenmaal broei en brand is ontstaan, is het niet mogelijk een minder verstrekkende maatregel op te leggen om de emissie van schadelijke stoffen te doen beëindigen, aldus het college.
3.13.
De rechtbank acht het niet onevenredig dat het college, om te voorkomen dat opnieuw branden uitbreken, van eiseres verlangt dat zij
alhet op dat moment aanwezige shredderresidu afvoert. Het college beoogt met last I te voorkomen dat opnieuw brand en broei in de partij shredderresidu uitbreken en dat (verdere) verontreiniging van lucht, bodem en riolering (water) plaatsvindt. Omdat zich al branden en broei hebben voorgedaan in deze partij shredderresidu, en dat gevaar voor de omgeving heeft opgeleverd, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid de afvoer van de hele partij kunnen gelasten. Dat inmiddels door afvoer een kleinere partij ter plaatse resteert, maakt niet dat geen (nieuwe) branden en broei zouden kunnen ontstaan.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is de begunstigingstermijn te kort?
3.14.
De begunstigingstermijn is in het bestreden besluit verlengd van 15 mei 2025 naar 23 juli 2025. Eiseres voert aan dat de begunstigingstermijn nog steeds te kort is. Eiseres is niet in staat gebleken om al het shredderresidu voor 23 juli 2025 af te voeren. De afnemers konden in een bepaalde periode wekelijks maar een bepaalde hoeveelheid aan. Bovendien lieten de beschikbare financiële middelen geen grotere wekelijkse afvoer toe. Verder zijn in het afvoerplan van eiseres per abuis ook partijen verwerkingsmateriaal als residu vermeld. Na het opstellen van het plan is een veranderingsvergunning in werking getreden voor onder andere een zeef. Dat maakt het mogelijk om de aanwezige partijen metaalafvalstoffen ten behoeve van verdere verwerking te zeven. Ten tijde van het bestreden besluit (21 oktober 2025) was het aanwezige volume residu flink verminderd en waren er extra maatregelen getroffen. Daardoor waren er volgens eiseres geen milieubelangen (meer) in het geding die zich tegen een langere termijn verzetten.
3.15.
Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres in staat was om al het shredderresidu vóór 23 juli 2025 af te voeren. Het college wijst erop dat eiseres in februari 2025 zelf een plan heeft opgesteld voor de afvoer van het shredderresidu. Hierin is een afvoerintensiteit opgenomen van circa 1.000 ton per week. Ook hierna hebben nog twee branden plaatsgevonden. Omdat de gevolgen voor de fysieke leefomgeving in ernstige mate toenamen, heeft het college verlangd om de volledige afvoer binnen afzienbare maar volgens het afvoerplan redelijke en haalbare termijn uit te voeren (1.000 ton per week). De ontvangers van het shredderresidu hebben bevestigd dat zij 1.000 ton per week kunnen ontvangen. Er zijn bovendien meerdere partijen die shredderresidu afnemen. Van het bedrijf mag worden verwacht dat het liquide middelen reserveert voor het afvoeren van restfracties. De veranderingsvergunning voor een zeef leidt er volgens het college niet toe dat de begunstigingstermijn te kort is.
3.16.
Op grond van artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb wordt bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Dat is de zogeheten begunstigingstermijn.
Aan het college komt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn geldt als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Een begunstigingstermijn mag ook niet wezenlijk korter worden gesteld dan nodig is om de overtreding te kunnen opheffen. [6]
3.17.
De begunstigingstermijn is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk kort.
Het college heeft bij het bepalen van de begunstigingstermijn mogen uitgaan van de inschatting dat het mogelijk is om ongeveer 1.000 ton per week shredderresidu af te voeren. Hierbij heeft het college rekening mogen houden met het afvoerplan dat eiseres zelf heeft opgesteld. De twee afnemers van het shredderresidu hebben bevestigd dat afvoer van 1.000 ton per week mogelijk is. De stelling van eiseres dat de afnemers deze hoeveelheid in werkelijkheid niet kunnen verwerken, wijkt af van wat de afnemers hierover hebben meegedeeld. Eiseres heeft deze afwijkende stelling niet onderbouwd. Daarom gaat de rechtbank daaraan voorbij.
De stelling van eiseres dat zij onvoldoende liquiditeitsruimte had om het shredderresidu vóór 23 juli 2025 af te voeren, slaagt niet. Het college heeft terecht naar voren gebracht dat van eiseres mag worden verwacht dat zij liquide middelen reserveert voor de vereiste afvoer van het shredderresidu.
De inwerkingtreding van de veranderingsvergunning voor onder andere een nieuwe zeefinstallatie, leidt evenmin tot het oordeel dat de begunstigingstermijn te kort is. De veranderingsvergunning noodzaakt niet tot vertraging in de afvoer van het shredderresidu. Dat eiseres met behulp van de veranderingsvergunning andere keuzes wil maken bij de afvoer van het shredderresidu en daardoor meer tijd nodig zou hebben voor de afvoer, komt voor haar rekening en risico.
De stelling van eiseres dat er na het afvoeren van een gedeelte van het shredderresidu geen milieubelangen meer zijn die zich tegen een langere termijn verzetten, slaagt niet. Zoals hiervoor al is overwogen heeft het college onder dwangsom verwijdering van de volledige partij shredderresidu mogen gelasten. De begunstigingstermijn mag niet langer worden gesteld dan noodzakelijk is om dat te realiseren.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is de dwangsom onevenredig hoog?3.18. De hoogte van de dwangsom van € 250.000,- per keer en € 1.000.000,- in totaal is volgens eiseres niet evenredig. Het college heeft de dwangsom aan de hoge kosten van afvoeren van de afvalstoffen gekoppeld. Dat kan alleen als er een voordeel voor eiseres bestaat bij het niet afvoeren. Dat voordeel is er niet omdat de afvalstoffen volgens voorschrift 2.2.4 sowieso binnen één jaar moeten worden afgevoerd. Bovendien mag eiseres de stoffen volgens de omgevingsvergunning opslaan. De dwangsom van € 1.000.000,- staat volgens eiseres niet in verhouding tot de overtreding en zij is ook niet in staat om dit bedrag te voldoen.
3.19.
Het college heeft de hoogte van de dwangsom gekoppeld aan de kosten van afvoer. Van de dwangsom moet een prikkel uitgaan om overtredingen te beëindigen zonder dat dwangsommen worden verbeurd. Een erkende ontvanger/verwerker hanteert een tarief van ongeveer € 142,- per ton. Volgens het college moest ten tijde van het handhavingsbesluit nog ongeveer 5.700 ton shredderresidu worden afgevoerd. De kosten daarvan zijn 5.700 x
€ 142,- = € 809.400,-. Om de werking van de dwangsom als prikkel te waarborgen, is van een hoger maximum van € 1.000.000,- uitgegaan.
3.20.
Op grond van artikel 5:32b, derde lid, van de Awb dienen de dwangsombedragen in redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
3.21.
Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. [7] Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten als hij de last niet uitvoert. Gelet hierop heeft het college de hoogte van de dwangsommen naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen afstemmen op de geschatte kosten van het afvoeren van de afvalstoffen. Het college heeft daarbij voor een hoger maximumbedrag mogen kiezen dan de geschatte totale kosten van het afvoeren. De stelling dat eiseres die kosten op een later moment toch al zou moeten maken omdat de afvalstoffen binnen een jaar moeten worden afgevoerd, leidt niet tot de conclusie dat het bedrag aan dwangsommen te hoog is.
3.22.
Het gaat om een overtreding met ernstige gevolgen voor het milieu. De rechtbank kan eiseres dan ook niet volgen in de stelling dat een maximumbedrag van € 1.000.000,- niet in verhouding staat tot de overtreding.
3.23.
De stelling dat eiseres niet in staat is dat bedrag te voldoen, is in dit kader niet relevant. De financiële draagkracht van de overtreder kan in beginsel geen rol spelen bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom. [8] Daartoe overweegt de rechtbank dat van een dwangsom die naar draagkracht zou worden vastgesteld, geen zodanige prikkel zou uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd om te voorkomen dat een dwangsom wordt verbeurd.
3.24.
Gelet op de ernst van de overtreding en het financiële voordeel van het niet uitvoeren van de last, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid voor een dwangsom van € 250.000,- per week met een maximum van € 1.000.000,- kunnen kiezen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Last II: lozen afvalwater4. Eiseres heeft tijdens de zitting aangegeven dat haar beroep niet tegen deze last is gericht. De rechtbank zal deze last dan ook niet beoordelen.
Last III: niet mogen lozen op het gemeentelijk riool
5. Op grond van vergunningvoorschrift 3.1.1 mag bedrijfsafvalwater uitsluitend in een openbaar vuilwaterriool worden gebracht, als door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid hiervan:
a. de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar vuilwaterriool (…).
Tussen partijen is niet in geschil dat met het lozen van verontreinigd bluswater/hemelwater de doelmatige werking van het rioolsysteem is belemmerd. Dat betekent dat vergunningvoorschrift 3.1.1 is overtreden. Het college was dan ook bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen om herhaling van deze overtreding te voorkomen.
Is last III te verstrekkend?
5.1.
In het bestreden besluit staat dat eiseres herhaling van de overtreding bijvoorbeeld dient te voorkomen door bluswater/koelwater/hemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger/verwerker af te voeren. Wanneer het college na afloop van de begunstigingstermijn constateert dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger/verwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd. Eiseres mag weer afvalwater van het bedrijf op het rioolstelsel lozen zodra het shredderresidu - waarop last I ziet - is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen is gereinigd. Eiseres mag het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool ook hervatten wanneer zij ervoor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en met de getroffen maatregelen instemmen.
5.2.
Deze last is volgens eiseres te verstrekkend. De eis dat pas weer met het lozen van afvalwater mag worden aangevangen als alle partijen shredderresidu volledig zijn afgevoerd of afgedekt en het terrein en riolering zijn schoongemaakt, gaat te ver. Opslaan van shredderresidu is vergund. Met het afvoeren van de partijen waarin zich brand heeft voorgedaan, het schoonvegen van dat gedeelte van het terrein en het reinigen van het riool, is weer sprake van een representatieve bedrijfssituatie. De omgevingsvergunning vereist niet dat afvalstoffen worden afgedekt. Van overtreding van vergunningvoorschrift 3.1.1 is geen sprake meer. Uit recente monsterneming van het afvalwater is gebleken dat het veel schoner is dan kort na de broeibranden. Eiseres heeft de indruk dat het college via handhaving probeert de normstelling in de vergunning aan te scherpen. Dat is onrechtmatig. Als het college bepaalde stoffen niet aanvaardbaar acht, ligt het op de weg van het college om concrete lozingsnormen per parameter op te nemen in de omgevingsvergunning, aldus eiseres.
5.3.
Volgens het college zijn nog niet alle partijen shredderresidu waarin zich broei en branden manifesteerden afgevoerd. Zolang dat niet is gebeurd, kan verontreiniging die is ontstaan door brand en broei blijven uitspoelen. Omdat eiseres er niet voor heeft gekozen om de partijen af te dekken, is het volgens het college niet mogelijk om hemelwater buiten beschouwing te laten, omdat dit één afvalstroom vormt met blus- en koelwater.
5.4.
Op grond van artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb omschrijft de last onder dwangsom te nemen herstelmaatregelen. De last moet in combinatie met de herstelmaatregelen zodanig duidelijk en concreet geformuleerd zijn dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan moet worden om toepassing van de aangekondigde dwangmaatregelen te voorkomen. [9] Een last is dwingend. Herstelmaatregelen zijn dat niet. Een lastgeving [10] moet de overtreder vrijlaten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel. De grondslag voor de lastgeving ligt namelijk uitsluitend in het feit dat er een overtreding is van een bepaald voorschrift. Een lastgeving mag daarom nooit verder strekken dan het ongedaan maken van deze overtreding. [11]
5.5.
De rechtbank stelt voorop dat de omschrijving van last III niet te verstrekkend is. De last houdt in dat eiseres herhaling van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning moet voorkomen.
5.6.
Vervolgens is aan de orde of de herstelmaatregelen niet te dwingend zijn geformuleerd. In het bestreden besluit is aangegeven dat eiseres herhaling van de overtreding
bijvoorbeeldkan voorkomen door bluswater/koelwater/hemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger/verwerker af te voeren. Uit deze formulering volgt dat het slechts om een voorbeeld gaat.
In het bestreden besluit staat echter ook het volgende:
“U mag weer afvalwater van uw bedrijf op het rioolstelsel lozen, zodra het shredderresidu -waarop last I ziet - is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen is gereinigd. Wanneer u er voor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag u lozen van afvalwater op het gemeentelijke riool ook hervatten. Wij moeten dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en u meegedeeld hebben dat wij met de getroffen maatregelen instemmen”.
5.7.
Het college heeft dus twee herstelmaatregelen genoemd: afvoer van het shredderresidu in combinatie met reiniging en afdekking van het shredderresidu. De rechtbank kan en zal in het midden laten of deze twee herstelmaatregelen verder gaan dan nodig is om herhaling van de overtreding van vergunningvoorschrift 3.1.1 te voorkomen. Het staat eiseres volgens de systematiek van artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb immers vrij om ook voor andere herstelmaatregelen te kiezen. [12] Indien mogelijk kan zij zelf voor minder vergaande herstelmaatregelen kiezen. De door het college gekozen formulering wekt echter de indruk dat eiseres geen keuzevrijheid heeft en alleen maar op deze twee wijzen aan vergunningvoorschrift 3.1.1 mag voldoen. Daarmee wordt de keuzevrijheid van eiseres ten onrechte beperkt. Vergunningvoorschrift 3.1.1 bevat een resultaatsverplichting voor de kwaliteit van het afvalwater. Het vergunningvoorschrift geeft geen middelen aan waarmee dat resultaat moet worden bereikt. Vaststaat dat het shredderresidu in elk geval gedeeltelijk is afgevoerd. Het bedrijf van eiseres beschikt inmiddels over apparatuur om beter te kunnen monitoren of in het resterende shredderresidu de temperatuur naar brandgevaarlijke hoogten stijgt. Ook is sprake van meer toezicht. Uit het advies van het waterschap Aa en Maas (waterkwaliteitsbeheerder) van 2 juli 2025 naar aanleiding van een analyserapport van 16 juni 2025 van op 6 juni 2025 bemonsterd afvalwater blijkt dat de kwaliteit van het afvalwater toen nog niet voldoende verbeterd was. Niet uitgesloten is echter dat de kwaliteit van het afvalwater inmiddels wel voldoende is verbeterd. Als met behulp van analyseresultaten van bemonsterd afvalwater zou worden aangetoond dat de kwaliteit van het afvalwater zodanig is verbeterd dat geen sprake meer is van een belemmering van de doelmatige werking van het rioolsysteem, zou geen sprake meer zijn van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning. In dat geval zou het mogelijk moeten zijn om de lozing op het gemeentelijke riool te hervatten. Die mogelijkheid lijkt echter te worden uitgesloten door het college. Op dit punt is de formulering van het bestreden besluit niet juist. De rechtbank zal dit onderdeel van het bestreden besluit dan ook vernietigen wegens strijd met artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb.
De beroepsgrond slaagt.
5.8.
De rechtbank ziet aanleiding om het geschil op dit punt finaal te beslechten. Last III is rechtmatig. Gelet op het voorgaande had het college eiseres echter vrij moeten laten om zo mogelijk voor andere herstelmaatregelen te kiezen. Uit deze uitspraak blijkt dat eiseres zelf mag kiezen op welke wijze zij aan vergunningvoorschrift 3.1.1 zal voldoen. Nu hierover duidelijkheid bestaat, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen onderdeel van het bestreden besluit in stand te laten.
Is de dwangsom onevenredig hoog?
5.9.
De hoogte van de dwangsom is € 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert, tot een maximum te verbeuren bedrag van € 300.000,-. Volgens eiseres is dit niet evenredig. Voor de nadere onderbouwing van deze beroepsgrond verwijst zij naar wat is opgemerkt ter bestrijding van de hoogte van de dwangsom verbonden aan last I. Volgens eiseres kan het college in redelijkheid geen aansluiting zoeken bij de kosten die afvoer naar een erkende verwerker met zich brengen.
5.10.
Het college wijst erop dat er voldoende prikkel uit moet gaan van de hoogte van de dwangsom om eiseres ertoe te bewegen aan de last te voldoen. Het college ziet niet in waarom het voor het bepalen van de dwangsomhoogte niet kan uitgaan van afvoerkosten van afvalwater op een andere wijze dan lozing via het riool.
5.11.
De rechtbank acht ook deze dwangsommen niet onevenredig hoog. Daartoe wijst zij op wat zij onder 3.20 tot en met 3.24 heeft overwogen. Het college heeft de hoogte van deze dwangsom in redelijkheid kunnen afstemmen op de kosten van de afvoer van het afvalwater op een andere wijze dan via het riool. Volgens de inschatting van het college zou eiseres per etmaal minimaal € 30.000,- moeten uitgeven voor afvoer via een erkende verwerker. Ervan uitgaande dat van een dwangsombedrag een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd, heeft het college voor een maximumbedrag mogen kiezen dat hoger is dan de geschatte totale kosten van het afvoeren.
De beroepsgrond slaagt niet.
Invordering wegens overtreding van last I
6. In het invorderingsbesluit heeft het college vermeld dat op 24 juli 2025, 1 augustus 2025, 11 augustus 2025 en 19 augustus 2025 controles zijn uitgevoerd waarbij is vastgesteld dat eiseres niet heeft voldaan heeft aan last I. Het aanwezige shredderresidu is niet volledig verwijderd. Daarmee zijn volgens het college vier dwangsommen à € 250.000,- per keer verbeurd. Het gaat in totaal om een bedrag van € 1.000.000,-.
6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de volledige partij shredderresidu op de hiervoor genoemde data inderdaad nog niet volledig was afgevoerd. Dat betekent dat eiseres in strijd heeft gehandeld met last I. Zij heeft van rechtswege bij elke constatering een dwangsom van € 250.000,- verbeurd. Het gaat om vier dwangsommen van € 250.000,-. Het college was dan ook bevoegd om over te gaan tot invordering van € 1.000.000,-.
6.2.
Eiseres verzoekt om de beroepsgronden tegen de opgelegde last onder dwangsom ook aan te merken als de beroepsgronden tegen het invorderingsbesluit.
6.3.
Dit verzoek leidt niet tot het door eiseres gewenste resultaat. In een procedure tegen een invorderingsbeschikking kan de belanghebbende in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. De rechtbank is niet gebleken dat zich in dit geval een dergelijk uitzonderlijk geval voordoet.
6.4.
Eiseres voert aan dat het bedrag van € 1.000.000,- te hoog en onvoldoende aanwezig is om dat te kunnen betalen. De invordering van dit bedrag brengt het bedrijf volgens eiseres serieus in financiële problemen.
6.5.
De rechtbank stelt voorop dat bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend. [13] Een andere opvatting zou namelijk afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb. [14] Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. [15] Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
6.6. Volgens vaste rechtspraak hoeft het bestuursorgaan bij een besluit over invordering van verbeurde dwangsommen in beginsel geen rekening te houden met de vraag of de overtreder in staat is om de verbeurde dwangsommen te voldoen. De financiële draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. [16] Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. Ook de liquiditeitspositie van de overtreder kan in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. In dit kader is onder meer van belang dat het college bevoegd is om een betalingsregeling te treffen voor verbeurde dwangsommen.
6.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij gezien haar financiële draagkracht of andere financiële aspecten evident niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen te betalen. Zij heeft naar het oordeel van de rechtbank geen zodanige informatie verstrekt dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt gegeven over haar financiële situatie, de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben en de mogelijkheid om deze financiële last binnen de holding te dragen waartoe eiseres behoort.
De beroepsgronden tegen het invorderingsbesluit slagen niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 is gegrond. De enige fout is echter slechts dat de twee herstelmaatregelen om gevolg te geven aan last III te dwingend zijn geformuleerd. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het college heeft nagelaten eiseres vrij te laten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel. Voor het overige blijft dit besluit in stand. Last I, II en III blijven dus gelden. Zoals onder 5.8. is overwogen, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde onderdeel van het bestreden besluit in stand. [17]
7.1.
Omdat het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van
€ 934,-. De gemachtigde heeft een (aanvullend) beroepschrift ingediend en heeft de zitting van de rechtbank bijgewoond. De vergoeding bedraag daarom in totaal € 1.868,-.
8. Het beroep tegen het invorderingsbesluit van 24 oktober 2025 is ongegrond.
In deze zaak bestaat dan ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
8.1. De rechtbank merkt op dat het invorderingsbesluit tot de datum van deze uitspraak was geschorst. Met deze uitspraak vervalt de schorsing. [18] Om te voorkomen dat eiseres onverwacht met de gevolgen van het invorderingsbesluit wordt geconfronteerd, ziet de rechtbank aanleiding om de schorsing van het invorderingsbesluit te verlengen tot zes weken na de bekendmaking van de uitspraak. [19]

Beslissing

De rechtbank:
in SHE 25/3318
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 gegrond;
  • vernietigt dit besluit voor zover het college heeft nagelaten eiseres in lastgeving III vrij te laten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dit besluit in stand blijven;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres;
in SHE 26/3647
  • verklaart het beroep tegen het invorderingsbesluit ongegrond;
  • verlengt de schorsing van het invorderingsbesluit tot zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzitter, en mr. K.A. Maarschalkerweerd en mr. R.H.W. Frins, leden, in aanwezigheid van mr.M.P.C. Moers-Anssems, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
griffier
De voorzitter is niet in de gelegenheid
de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 5:39 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb maakt dat mogelijk.
4.De rechtbank sluit hiermee aan bij het eerdere oordeel van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 2 juli 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3947 en bij jurisprudentie van de Afdeling. Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4631.
5.Zie bijvoorbeeld
6.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2808.
7.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3496.
8.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:321.
9.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:41.
10.Een lastgeving is de last en de herstelmaatregelen.
11.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI1247.
12.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1218.
13.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.
16.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:584.
17.Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb maakt dat mogelijk.
18.Dat volgt uit artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb.
19.Artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb maakt dat mogelijk.