Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente ‘s-Hertogenbosch, de heffingsambtenaar
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Niet eens met de aanmaningskosten?
- “Op 30 oktober 2024 werd aanslag ten bedrage van € 926,84 gegrond verklaard.
- Op 22 december 2024 is € 223,93 betaald, waarvan € 14 werd afgeboekt als rente.
- Op 7 januari 2025 is € 50 aan rente bijgeschreven.
- Op 30 april 2025 volgde een eindafrekening met € 39 rente en € 21 aanmaningskosten.
- In totaal is dus€ 103 aan rente geheven.”
U tekende namens uw cliënt bezwaar aan tegen de opgelegde aanmaning d.d. 30 april 2025. Meer specifiek tegen het op de aanmaning genoemde bedrag aan invorderingsrente, betreffende de tot dusverre belopen rente (nog niet zijnde het definitieve bedrag aan rente). U maakt geen bezwaar tegen de juistheid van de opgelegde aanmaningskosten. De vermelding van de rente betreft op de aanmaning, zoals gezegd, enkel een mededeling en geen voor bezwaar vatbare beschikking. Om die reden staat ook de bezwaarmogelijkheid terzake van de aanmaning ook enkel open tegen de aanmaningskosten. Echter, daar hebt u geen bezwaren tegen ingediend. Ik verklaar u daarom niet-ontvankelijk in uw bezwaar tegen het op de aanmaning genoemde bedrag aan invorderingskosten.”