Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3439

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
25/3606
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet WIAArt. 4:84 AwbArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering te veel betaalde WIA-voorschotten zonder dringende redenen afgewezen

Eiser ontvangt sinds 2018 een WIA-uitkering op voorschotbasis vanwege wisselende inkomsten als zelfstandige. Na een inkomensmelding in 2023 heeft het UWV de uitkering definitief vastgesteld en geconcludeerd dat eiser over 2022 en 2023 € 15.460,77 te veel voorschot heeft ontvangen, wat teruggevorderd wordt.

Eiser betoogt dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien, onder meer vanwege tijdige inkomensmelding, eerdere afzien van terugvordering over 2018-2021, en zijn medische en financiële situatie na een heupoperatie. Het UWV stelt dat terugvordering terecht is en dat er geen dringende redenen zijn.

De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft gehandeld, ondanks vertraging in definitieve vaststelling. Het UWV heeft voor 2018-2021 afgezien van terugvordering, maar dit geldt niet voor 2022-2023. Eiser kon niet op terugvordering over 2023 vertrouwen. De medische situatie leidt niet tot volledige of gedeeltelijke kwijtschelding. Het UWV heeft rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden door aanpassing van maandelijkse termijnen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van te veel betaalde WIA-voorschotten over 2022 en 2023 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3606

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.G.B. Bergenhenegouwen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: A.G. Lavrijsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van € 15.460,77 aan te veel betaald voorschot op de WIA [1] -uitkering van eiser. De rechtbank moet beoordelen of er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Eiser vindt dat die dringende redenen er zijn en voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van die beroepsgrond beoordeelt de rechtbank of het UWV van de terugvordering moet afzien.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Onder 5 staan de conclusie en de gevolgen van die beoordeling. Op de laatste bladzijde staat de beslissing van de rechtbank.

Procesverloop

2. In deze zaak is tot en met de zitting bij de rechtbank op hoofdlijnen het volgende gebeurd.
2.1.
Met het besluit van 14 mei 2025 heeft het UWV de WIA-uitkering van eiser over 2023 definitief berekend en geconcludeerd dat eiser in totaal een bedrag van € 15.460,77 bruto te veel voorschot heeft ontvangen, wat van hem wordt teruggevorderd.
2.2.
Met het besluit van 15 mei 2025 heeft het UWV besloten dat eiser het te veel betaalde voorschot binnen zes weken moet terugbetalen.
2.3.
Met het besluit van 23 mei 2025 heeft het UWV het besluit van 15 mei 2025 gewijzigd en besloten dat eiser maandelijks een bedrag van € 704 moet terugbetalen.
2.4.
Met het bestreden besluit van 14 november 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij het besluit van 14 mei 2025 gebleven. Het UWV heeft het besluit van 15 mei 2025 (zoals gewijzigd met het besluit van 23 mei 2025) herroepen en besloten dat eiser maandelijks een bedrag van € 480,08 moet terugbetalen.
2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
Eiser heeft een nader stuk ingediend.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Feiten en omstandigheden

3. Eiser heeft recht op een WIA-uitkering. Hij ontvangt deze uitkering vanaf 2018 door middel van een voorschot, omdat hij daarnaast (naar zijn aard wisselende) inkomsten als zelfstandige heeft. Eiser heeft op 2 november 2023 twee meldingen bij het UWV gedaan waarin hij aangeeft dat zijn inkomen in 2022 en 2023 is gewijzigd. Naar aanleiding van deze meldingen is het volgende gebeurd.
3.1.
Met een besluit van 15 december 2023 heeft het UWV eisers voorschot op zijn WIA-uitkering per 1 december 2023 vastgesteld op € 0.
3.2.
Met een ander besluit van 15 december 2023 heeft het UWV de hoogte van de WIA-uitkering van eiser in de jaren 2018 tot en met 2021 definitief vastgesteld op de hoogte van de aan hem in die jaren verleende voorschotten.
3.3.
Met een besluit van 6 juni 2024 heeft het UWV de WIA-uitkering van eiser over 2022 definitief berekend en geconcludeerd dat eiser in totaal € 25.311,78 bruto te veel voorschot heeft ontvangen wat van hem wordt teruggevorderd.
3.4.
Daarna zijn de hiervoor (in overweging 2.1. tot en met 2.4.) genoemde besluiten van 14, 15 en 23 mei 2025 en vervolgens het bestreden besluit genomen.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit hierna aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4.1.
Op de zitting heeft eiser gezegd dat hij het (alleen nog) oneens is met het bestreden besluit, omdat vanwege dringende redenen niet is afgezien van gehele of aanzienlijk verminderde terugvordering.
4.1.1.
Volgens eiser zijn die dringende redenen wel aanwezig en hij heeft daarvoor de volgende argumenten. Eiser zegt allereerst dat hij de voor zijn uitkering relevante gegevens tijdig en volledig aan het UWV heeft doorgegeven, maar dat het UWV hier pas eind 2023 op heeft gereageerd. Verder heeft het UWV voor de jaren 2018 tot en met 2021 van terugvordering afgezien, zodat eiser erop mocht vertrouwen dat ook voor 2023 van terugvordering zou worden afgezien. Eiser wijst er ook op dat hij door de terugvordering in een medisch en financieel onmogelijke positie komt. Hij heeft tegen de terugvordering van 2022 geen bezwaar gemaakt, omdat zijn situatie toen nog stabiel was en de terugvordering was te dragen. Nu 2023 daar bijkomt, is dat niet meer zo. In medisch opzicht is van belang dat eiser recent een heupoperatie heeft ondergaan, waaraan pijn vooraf is gegaan en revalidatie van een jaar op kan volgen. Om het bedrag van de terugvordering te betalen, zegt eiser dat hij zich moet gaan overbelasten wat zijn herstelproces doorkruist, in verergering van klachten kan resulteren en tot nieuwe afhankelijkheid van een WIA-uitkering kan leiden. Dit wordt volgens eiser niet anders doordat na bezwaar de hoogte van de maandelijkse betalingstermijn is verlaagd. Eiser wijst er tot slot op dat de hiervoor genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien ook een dringende reden opleveren om van terugvordering af te zien.
4.1.2.
Het UWV heeft gezegd dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. De argumenten die het UWV hiervoor heeft worden hierna zo nodig besproken.
4.2.
De rechtbank beoordeelt of sprake is van een dringende reden aan de hand van de (recent gewijzigde) rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. [2]
4.2.1.
De rechtbank begrijpt het eerste argument van eiser zo dat hij vindt dat het UWV te traag heeft gereageerd op de meldingen van eiser, waardoor het bedrag van de terugvordering onnodig hoog is opgelopen. De rechtbank is dat niet met eiser eens. Het UWV erkent dat het te lang heeft geduurd voordat de hoogte van de WIA-uitkering van eiser definitief is vastgesteld. Normaal gebeurt dat ieder jaar als een uitkering op basis van een voorschot wordt verstrekt, zoals in het geval van eiser. Het UWV vraagt dan na afloop van een kalenderjaar inkomensgegevens bij de Belastingdienst op en gebruikt die om de uitkering definitief vast te stellen. Daarvoor is het wel nodig dat een medewerker van het UWV bij de eerste toekenning van een voorschot een melding plaatst in de systemen van het UWV. Maar dat is in het geval van eiser (in 2018) niet gebeurd. Daardoor is zijn uitkering nooit definitief vastgesteld, totdat eiser op 2 november 2023 bij het UWV meldde dat er in 2022 en 2023 wijzigingen in zijn inkomenssituatie waren. Het UWV heeft – gezien de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [3] – met deze gang van zaken rekening gehouden. Dat heeft het UWV gedaan door de hoogte van eisers uitkering over de jaren 2018 tot en met 2021 definitief vast te stellen op het niveau van de al eerder aan eiser betaalde voorschotten. Dit betekent dat eiser over die jaren niets hoeft terug te betalen, hoewel hij ook toen te veel aan voorschotten heeft ontvangen. Voor 2023 heeft het UWV terecht een andere afweging gemaakt. Eiser heeft op 2 november 2023 zelf gemeld dat in 2022 en 2023 in zijn inkomenssituatie iets was gewijzigd dat van invloed kon zijn op de hoogte van zijn uitkering. Dat het UWV naar aanleiding van die meldingen een onderzoek instelt en uiteindelijk tot een terugvordering besluit, is niet meer dan logisch. Verder heeft het UWV met het (in overweging 3.1. genoemde) besluit van 15 december 2023 het voorschot op eisers uitkering per 1 december 2023 op € 0 gesteld, zodat daardoor het bedrag van de terugvordering niet meer kon oplopen.
4.2.2.
De rechtbank is het ook niet met eiser eens dat het UWV in 2023 van terugvordering had moeten afzien, omdat het UWV dat voor de jaren 2018 tot en met 2021 wel had gedaan. In het (in overweging 3.2. genoemde) besluit van 15 december 2023 staat expliciet dat de hoogte van de WIA-uitkering van eiser voor de jaren 2018 tot en met 2021 niet wijzigt. Nergens in dat besluit staat dat dit ook voor 2023 het geval is. Ook blijkt uit het dossier niet dat het UWV op enig moment ook maar de minste toezegging heeft gedaan dat van terugvordering over 2023 zou worden afgezien. Integendeel. Het UWV heeft onbetwist gesteld dat op 8 december 2023 telefonisch contact vanuit het UWV met eiser is geweest en dat hem daarin is gezegd dat over 2022 en 2023 nog een terugvordering zou plaatsvinden. Eiser heeft er daarom niet op kunnen vertrouwen dat het UWV van terugvordering over 2023 zou afzien.
4.2.3.
Verder ziet de rechtbank geen dringende reden in wat eiser zegt over zijn medische en financiële situatie. De rechtbank gelooft eiser zonder meer dat hij recent een heupoperatie heeft ondergaan en dat hij daar op zijn minst enige tijd van moet revalideren waarbij hij zijn heup zal moeten ontzien. Maar de rechtbank vindt het geen uitgemaakte zaak dat eiser hierdoor helemaal geen bij zijn belasting passende werkzaamheden meer kan verrichten om het bedrag van de terugvordering te voldoen. Dit is dus geen reden om van de gehele terugvordering of een aanzienlijk deel daarvan af te zien. De rechtbank betrekt bij dit oordeel ook nog het volgende. Het UWV heeft op de zitting gezegd dat als eiser (door zijn arbeidsongeschiktheid) inmiddels minder inkomsten uit arbeid heeft, hij het UWV kan vragen een nieuwe draagkrachtmeting te doen zodat de hoogte van de maandelijkse terugbetalingstermijnen eventueel kan worden aangepast. Daarnaast zouden verminderde inkomsten uit arbeid er ook toe kunnen leiden dat eiser weer recht heeft op een betaling van zijn WIA-uitkering.
4.2.4.
De rechtbank is het tot slot niet met eiser eens dat de hiervoor genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien een dringende reden opleveren. Het UWV heeft al in zijn eerste reacties op de meldingen van 2 november 2023 erkend dat het de zaken op zijn beloop heeft gelaten, in die zin dat er veel te lang over is gedaan om eisers WIA-uitkering definitief vast te stellen. Het UWV heeft ook naar dat inzicht gehandeld, door überhaupt niet tot terugvordering over te gaan van de in 2018 tot en met 2021 te veel betaalde voorschotten. Het UWV heeft alleen teruggevorderd over de jaren 2022 en 2023, wat ook passend is bij de meldingen die eiser zelf heeft gedaan over zijn inkomsten in die jaren. Naar aanleiding van de meldingen van eiser heeft het UWV het betalen van voorschotten op de WIA-uitkering vrijwel meteen gestopt, zodat het bedrag van de terugvordering niet verder is opgelopen. Tot slot heeft het UWV in de bezwaarfase uitgebreid onderzoek gedaan naar eisers draagkracht en daarop de maandelijkse termijnbedragen van de terugbetaling aangepast. Op deze manier heeft het UWV voldoende rekening gehouden met eisers persoonlijke situatie.
4.3.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het beroep van eiser tegen het bestreden besluit niet slaagt. De rechtbank zal dat beroep daarom ongegrond verklaren.
4.4.
Eiser heeft verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over – zo begrijpt de rechtbank – het deel van de terugvordering dat eiser al heeft betaald. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat het UWV terecht en op goede gronden tot de terugvordering heeft besloten.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, voorzitter, en mr. J. Lie en mr. J. Woestenburg, leden, in aanwezigheid van drs. J.G.J. van Geesink en mr. Y. Mutsaers, griffiers. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffiers
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
2.Centrale Raad van Beroep 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726, overweging 4.3.4. en verder overwegingen 4.4. tot en met 4.4.4.
3.Centrale Raad van Beroep 13 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1486, overweging 4.3.