Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3303

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
SHE 25/2324T, 25/2512T en 25/2404T
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 21.1 OmgevingsplanArt. 21.2 OmgevingsplanArt. 22.1 OmgevingswetArt. 8.0a Besluit Kwaliteit Leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over onvoldoende motivering parkeernorm bij omgevingsvergunning tijdelijke woonunits

Deze bestuursrechtelijke tussenuitspraak betreft de omgevingsvergunning Buitensporige Planactiviteit (BOPA) voor het bouwen van twaalf tijdelijke woonunits in Sint-Michielsgestel. Eisers betwisten de vergunning, met name vanwege het ontbreken van een deugdelijke motivering over de toepassing van de parkeernorm en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De rechtbank stelt vast dat het college de vergunning terecht heeft verleend op grond van artikel 10, tweede lid, van het BOPA-beleid en dat de tijdelijkheid van de woningen voldoende is gewaarborgd. Wel oordeelt de rechtbank dat het college onvoldoende heeft toegelicht hoe de parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per woning inclusief bezoekersaandeel is toegepast, terwijl de CROW-publicatie aangeeft dat bezoekersparkeren exclusief is. Dit leidt tot een onvoldoende gemotiveerde besluitvorming.

Verder beoordeelt de rechtbank dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies, dat alternatieve locaties niet aannemelijk minder bezwaren opleveren, en dat de financiële haalbaarheid niet onredelijk is betwist. De rechtbank wijst het college op het gebrek in de motivering en geeft het de mogelijkheid dit binnen acht weken te herstellen. Tot die tijd wordt de verdere beslissing aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het college de omgevingsvergunning BOPA niet mocht verlenen vanwege onvoldoende motivering van de parkeernorm en geeft het college de gelegenheid dit gebrek binnen acht weken te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/2324T , 25/2512T en 25/2404T /OW/BOPA

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[naam] (25/2324),

[naam] en [naam] (25/2512) en
[naam] en [naam] (25/2404) (gemachtigde: mr. A.A. Bouwman), uit [woonplaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Sint-Michielsgestel, het college
(gemachtigden: mr. I.J.M. Vantien en mr. I. de Groot).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Woningcoöperatie [naam] uit [woonplaats] ,
(gemachtigden: [naam] en [naam] ), vergunninghoudster.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college aan vergunninghoudster heeft verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (omgevingsvergunning BOPA) voor het bouwen van 12 tijdelijke woonunits aan de [adres] in [woonplaats] . Eisers zijn het niet eens met het verlenen van die vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de zaak.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet mocht verlenen
.Eisers krijgen dus gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster is voornemens om op de locatie [adres] [nummers] (kadastraal bekend [woonplaats] , [nummer] (hierna: het perceel), twaalf tijdelijke woningen te plaatsen. Op 30 oktober 2024 heeft zij daarvoor een omgevingsvergunning aangevraagd. Het college heeft op 17 januari 2025 een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en de omgevingsplanactiviteit bouwen verleend.
3. Met het bestreden besluit van 15 augustus 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven, zij het dat de tekeningen behorende bij de parkeerplaatsen en de ruimtelijke onderbouwing zijn aangepast.
3.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van eisers [naam] en [naam] , de gemachtigden van het college en de gemachtigden van vergunninghoudster.

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader
4. Op het perceel is het "Omgevingsplan gemeente Sint-Michielsgestel" van toepassing. Op het perceel rusten de enkelbestemming "Groenvoorzieningen" en de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie". De beheersverordening "Partiele Wijziging Kamerbewoning Beheersverordening Sint-Michielsgestel Oost" (hierna de beheersverordening) maakt, op grond van artikel 4.6., eerste lid, aanhef en onder I, van de Invoeringswet Omgevingswet, onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet.
5. Het oprichten van de tijdelijke woningen voldoet niet aan de artikelen 21.1 en 21.2 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, omdat de voor "Groenvoorzieningen" bestemde gronden niet zijn bestemd voor het gebruik ten behoeve van wonen en op deze gronden alleen gebouwen mogen worden gebouwd voor nutsvoorzieningen.
De bouw van de tijdelijke woningen en het gebruik van de betrokken gronden voor woondoeleinden is in strijd is met het Omgevingsplan. Het Omgevingsplan bevat hiervoor geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Dit betekent dat voor het bouwplan een omgevingsvergunning BOPA nodig is.
6. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) wordt een omgevingsvergunning BOPA alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna: evenwichtige toedeling). Aan het bestreden besluit ligt een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ter motivering daarvan. Deze ruimtelijke onderbouwing maakt onder de naam "Motivering Tijdelijke Flexwoningen [adres] Gemeente [naam] " onderdeel uit van de omgevingsvergunning BOPA.
7. Het college heeft, voor de beoordeling van aanvragen van omgevingsvergunningen BOPA, de "Beleidsregels buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA) Sint-Michielsgestel 2025" (het BOPA-beleid) vastgesteld. In artikel 3 van Pro hoofdstuk 2 van het BOPA-beleid zijn de algemene afwegingscriteria neergelegd voor het afwijken van het omgevingsplan. In elk geval moet worden beoordeeld dat sprake is van een evenwichtige toedeling, dat er niet wordt gehandeld in strijd met de beoordelingsregels uit de artikelen 8 0b en 8.0e van het Bkl en dat in ieder geval wordt voldaan aan de onderstaande criteria, mits deze van toepassing zijn op het specifieke geval:
er dient geen onevenredige aantasting plaats te vinden van het woon- en leefmilieu;
er dient geen onevenredige aantasting plaats te vinden van de verkeersveiligheid en de bestaande parkeerbelasting;
het straat- en bebouwingsbeeld mogen niet in negatieve zin worden beïnvloed;
e uitbreiding mag de bestaande rechten van omliggende bedrijven niet beperken
Omvang van de beroepen
8. De rechtbank stelt vast dat eisers alleen beroepsgronden hebben gericht tegen de verlening van de omgevingsvergunning, voor zover het gaat om het afwijkend gebruik van gronden of bouwwerken (voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit) en niet tegen de omgevingsplanactiviteit bouwen. De rechtbank zal daarom alleen ingaan op de vraag of het college de omgevingsvergunning BOPA kon verlenen.
Eiser [naam] (25/2324)
9. Ter zitting heeft eiser [naam] de nadere gronden van zijn beroepschrift overhandigd. Dit stuk had hij, naar zijn zeggen, eerder aan de rechtbank toegezonden. De rechtbank heeft dit stuk echter niet in het dossier aangetroffen. Niettemin heeft de rechtbank het stuk als gedingstuk aanvaard, omdat de gronden inhoudelijk overeenkomen met wat de andere eisers hebben aangevoerd en [naam] de nadere gronden alsnog ter zitting zou kunnen aanvoeren.

De beroepsgronden

Beleidsregels
10. Eisers stellen allereerst dat het college de verkeerde beleidsregel bij de verlening van de omgevingsvergunning hebben toegepast. De omgevingsvergunning is verleend op basis van artikel 10, tweede lid, van het BOPA-beleid. Eisers zijn echter van mening dat artikel 10, eerste lid, van het BOPA-beleid van toepassing is. De tijdelijke woningen kunnen volgens eisers niet aan de voorwaarden van dit artikel voldoen en om deze reden kan geen omgevingsvergunning worden verleend.
10.1.
De rechtbank volgt het college dat in dit geval sprake is van een situatie zoals opgenomen in artikel 10, tweede lid, van het BOPA-Beleid. Artikel 10, eerste lid, van het BOPA-Beleid ziet voornamelijk op situaties waarbij een (tijdelijke) tweede woning wordt gebouwd en gebruikt in het geval van calamiteiten, ingrijpende verbouwingen en het bouwen van een nieuwbouwwoning. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze situatie zich hier niet voordoet. In dit geval worden de twaalf tijdelijke woningen gebouwd om in de reguliere vraag naar woningen te voldoen.
Dit betoog slaagt niet.
Waarborging van de tijdelijkheid
11. Het college heeft volgens eisers niet alsnog gemotiveerd op welke wijze kan worden gegarandeerd dat na het verstrijken van de termijn voor bewoners andere woonruimte beschikbaar is om te voorkomen dat onverhoopt de tijdelijke situatie langer duurt dan is vergund. De tijdelijkheid zou worden gewaarborgd in de huurovereenkomst. Een garantie wordt echter niet gegeven. Het gevaar bestaat dat de tijdelijke woningen, omdat een periode van 15 jaar financieel gezien niet haalbaar is, niet worden weggehaald waardoor de tijdelijkheid niet is gewaarborgd.
11.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat aan de omgevingsvergunning voorschriften zijn verbonden die erop toezien dat de tijdelijkheid van de omgevingsvergunning is gewaarborgd. De omgevingsvergunning wordt verleend voor een periode van 15 jaar vanaf dagtekening van de omgevingsvergunning, binnen één maand na de periode van 15 jaar moeten de tijdelijke woningen en de bergingen verwijderd zijn en blijven en het perceel moet weer in de oude worden hersteld. In de laatste versie van de ruimtelijke onderbouwing is bovendien een motivering opgenomen over hoe [naam] nastreeft dat de bewoning tijdig zal zijn beëindigd.
11.2
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder. Met de nadere motivering over hoe de bewoning tijdig kan worden beëindigd, is voldaan aan de kritiek van de onafhankelijke bezwaarschriftencommissie in het advies dat het college tot het zijne heeft gemaakt. De rechtbank acht de tijdelijkheid van de bewoning afdoende onderbouwd.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
12. Eisers betogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten behoeve van de realisatie van de twaalf tijdelijke woningen. In dat kader voeren zij aan dat de gekozen locatie ertoe leidt dat een groene buffer met een sociale functie voor langere tijd verdwijnt, wat resulteert in een onevenwichtige toedeling die ten nadele van omwonenden uitvalt. Daarnaast heeft het college volgens eisers niet inzichtelijk gemaakt waarom deze woningen niet op een alternatieve locatie kunnen worden gerealiseerd. Daarmee handelt het college volgens hen in strijd met artikel 8.0a van het Bkl en het eigen BOPA-beleid. Verder heeft het college volgens eisers onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een tijdelijke behoefte aan twaalf flexwoningen. Evenmin is naar hun mening toereikend onderzoek verricht naar de geluidshinder die het gebruik van deze woningen kan veroorzaken voor omliggende woningen, of naar de overige nadelige gevolgen daarvan voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. Daarbij wijzen eisers erop dat de beoogde woningen op een afstand van circa 5,4 tot 14,4 meter van bestaande bebouwing worden gesitueerd.
Daarnaast achten eisers de motivering ten aanzien van het tijdelijke karakter van het project ontoereikend. De daaraan ten grondslag liggende afspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst waarop eisers zich niet kunnen beroepen. Volgens eisers komt het bovendien geregeld voor dat na afloop van de gestelde termijn alsnog wordt besloten om flexwoningen een permanent karakter te geven. In het kader van de evenwichtige toedeling dient te worden beoordeeld of de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Eisers wijzen er in dit verband op dat het huidige ruimtelijke advies afwijkt van twee eerdere adviezen van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Het college heeft naar hun mening onvoldoende gemotiveerd waarom deze adviezen van een onafhankelijke instantie terzijde worden geschoven en waarom een interne memo van een eigen stedenbouwkundige zwaarder zou moeten wegen. Voorts achten eisers het onbegrijpelijk dat toetsing aan redelijke eisen van welstand achterwege wordt gelaten, enkel vanwege het tijdelijke karakter van de bouwwerken. Tot slot voeren zij aan dat de woningen rondom het betreffende veld zijn voorzien van de aanduiding 'open bebouwing'. De realisatie van twaalf aaneengebouwde flexwoningen is naar hun oordeel in strijd met deze aanduiding en past niet binnen het bestaande straat- en bebouwingsbeeld.
12.1.
Het college stelt dat het bouwplan voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling. Om te beoordelen of daarvan sprake is, heeft het college getoetst of het project stedenbouwkundig aanvaardbaar is. Stedenbouwkundig moet worden gekeken of 12 huizen van deze omvang afbreuk doen aan eventuele ruimtelijke structuren, of aan het stedenbouwkundige beeld en de uitstraling ter plaatse. Uit het advies volgt dat het straat- en bebouwingsbeeld niet in negatieve zin wordt beïnvloed en dat dus sprake is van een evenwichtige toedeling. Verder zijn aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden om de tijdelijkheid te waarborgen. In de voorschriften is duidelijk bepaald dat de omgevingsvergunning wordt verleend voor een periode van 15 jaar vanaf dagtekening ervan. Verder is bepaald dat binnen één maand na afloop van deze periode de tijdelijke woningen en de bergingen moeten worden verwijderd en verwijderd moeten blijven. Tot slot is in een voorschrift voorgeschreven dat het perceel weer in de oude staat hersteld moet worden. Mocht onverhoopt niet aan deze voorschriften worden voldaan, dan kunnen eisers om handhaving verzoeken.
12.2.
In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl is bepaald dat, als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsvergunning BOPA, deze alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ingevolge artikel 8.0b, eerste lid, onder a, van het Bkl zijn op de beoordeling van de aanvraag van een dergelijke vergunning, als de activiteit niet van provinciaal of nationaal belang is, de regels van hoofdstuk 5 van het Bkl van overeenkomstige toepassing.
12.3.
De rechtbank moet beoordelen of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Het criterium van een evenwichtige toedeling is een open norm en het bevoegd gezag heeft beleidsruimte om deze norm in te vullen. De wetgever heeft beoogd om aan te sluiten bij het criterium 'goede ruimtelijke ordening' dat gold onder de Wet ruimtelijke ordening. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
12.4.
Een evenwichtige toedeling betekent dat er een balans bestaat tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving ten gevolge van verschillende functies op deze locatie. Het bevoegd gezag moet beoordelen of de aangevraagde activiteit kan worden toegestaan met het oog op een evenwichtige toedeling. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante omgevingsaspecten en andere thema’s (voor zover relevant voor het project en de omgeving daarvan) zorgvuldig worden onderzocht en gewogen. Om die beoordeling mogelijk te maken is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Deze is op 30 juli 2025 aangevuld.
12.5.
De rechtbank zal hierna, aan de hand van de beroepsgronden van eisers over de gevolgen van het project, beoordelen of de definitieve ruimtelijke onderbouwing toereikend is om de conclusie van het college, dat sprake is van een evenwichtige toedeling, te kunnen dragen. De rechtbank betrekt hierbij de, naar aanleiding van het advies van de onafhankelijke bezwaarschriftencommissie, in het bestreden besluit opgenomen nadere motivering. Van belang is dat, naarmate een omgevingsvergunning voor een langere periode wordt verleend, de eisen die worden gesteld aan de motivering dat sprake is van een evenwichtige toedeling zwaarder zijn en niet de enkele omstandigheid dat sprake is van tijdelijke woningen maakt dat de gevolgen minder ingrijpend zijn.
Water
13. Eisers stellen dat het college niet voldoende heeft gemotiveerd wat de gevolgen van de bouw op de waterhuishouding zijn en dat geen rekening is gehouden met het gemeentelijke regenwaterbeleid uit de Klimaatstrategie [woonplaats] . De Klimaatstrategie legt een bergingseis op van 70 mm berging per m2 verharde oppervlakte. Het Waterschap geeft aan dat er een noodoverloop moet worden gemaakt naar het gemeentelijke riool. In de verleende omgevingsvergunning met onderliggende stukken komt deze niet terug. Tot slot stelt het Waterschap dat de wadi boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand moet liggen, zodat de wadi zich niet vult met grondwater. Uit de overgelegde stukken blijkt niet of aan deze eis wordt voldaan.
13.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de wadi's toereikend zijn voor de waterberging, gelet op de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse en de puthoogte van de riolering in de nabijheid van het project. Volgens het college is de Klimaatstrategie niet vastgesteld, zodat deze geen onderdeel uitmaakt van het toetsingskader.
13.2.
De wadi's hebben een diepte van 0,5 meter. De gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse ligt op 5,20 meter +NAP. De puthoogte van de riolering in de nabijheid van het project ligt op 5,90 meter +NAP. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat de wadi's hiermee toereikend zijn voor de waterberging. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt over de Klimaatstrategie. Dat een noodzakelijke noodoverloop naar de gemeentelijke riolering niet zichtbaar is op de vergunningstekening betreft een kwestie van uitvoering, die niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Dit betoog slaagt niet.
Parkeren
14. Eisers betogen dat het aantal van zestien parkeerplaatsen niet voldoet aan de in de Nota parkeernormen 2025 opgenomen parkeernormen. Dit aantal gaat uit van 1 parkeerplaats per woning. Dit is te weinig. Een parkeernorm van 1,45 voor grondgebonden sociale huurwoningen is reëler. Anders dan in de voorheen geldende beleidsregels, staat in de Nota geen toevoeging voor tijdelijke woningen. Ook is niet langer de mogelijkheid opgenomen voor maatwerk, zodat het college niet kan afwijken van de parkeernormen.
Ook kunnen de parkeerplaatsen niet verkeersveilig worden aangelegd.
Bovendien valt te verwachten dat de parkeerplaatsen aan de rechterzijde van de [adres] deels gebruikt zullen worden door bezoekers en medewerkers van het nabijgelegen bedrijventerrein, omdat er daar te weinig parkeerplaatsen zijn.
14.1.
Het college bevestigt dat in de Nota parkeernormen 2025 geen specifieke parkeernormen zijn opgenomen voor tijdelijke woningen. Daarom heeft het de norm voor sociale huur in artikel 4.1.1 van de nota (1,3 per woning) gehanteerd. Ter zitting heeft het college betoogt dat binnen deze norm ook het aandeel voor bezoekers zit. Voor 12 woningen betekent dit afgerond 16 parkeerplaatsen. De ontwikkeling voorziet hiermee volledig in het opvangen van de behoefte aan parkeerplaatsen in de openbare ruimte. De norm is gebaseerd op CROW-kencijfers en betreft een rekenkundig gemiddelde. Met betrekking tot 3 door eisers genoemde parkeerplaatsen merkt het college op dat deze niet in de bocht, maar direct na de bocht komen met goed zicht. Uitgangspunt is dat er ook 13 haakse parkeerplaatsen komen, waarbij bestaande bomen en bosschages verwijderd moeten worden. Om ervoor te zorgen dat hier 13 parkeerplaatsen kunnen komen, is het noodzakelijk om één openbaar verlichtingspunt te verplaatsen naar de andere kant van een voetpad. De inrichting van de haakse parkeerplaatsen voldoet aan de ASVV-richtlijnen, inclusief de juiste afmetingen en voldoende manoeuvreerruimte.
14.2.
De rechtbank volgt eisers niet in hun opvatting dat het college rekening had moeten houden met het gebrek aan parkeerplaatsen op het bedrijfsterrein. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat alleen rekening behoeft te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan. [1]
14.3.
De rechtbank volgt eisers wel in hun stelling dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd hoe zij aan de parkeernorm van 1,3 per woning komt. Zoals gezegd heeft het college aansluiting gezocht bij de CROW-kencijfers (deze staan in de CROW-publicatie 744
‘Parkeerkencijfers-basis voor parkeernormering’uit 2024). In deze publicatie zijn geen kencijfers voor tijdelijke woonvoorzieningen opgenomen. De rechtbank acht het niet onredelijk dat het college aansluiting heeft gezocht bij de cijfers voor de functie 'sociale huur', omdat deze functie het meest vergelijkbaar is met de aard van het project. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Het college heeft ter zitting gesteld dat in het gehanteerde kengetal van 1,3 tevens het bezoekersaandeel is begrepen. De rechtbank is echter uit de Nota parkeernormen 2025 niet duidelijk geworden hoe hiermee in de daarin opgenomen normen rekening is gehouden. In het bestreden besluit ontbreekt hierover een toelichting. Dit wreekt zich temeer, omdat uit de toelichting bij de CROW-publicatie volgt dat de daarin opgenomen kencijfers exclusief bezoekersparkeren zijn. Als het bezoekersaandeel afzonderlijk in aanmerking zou worden genomen, zou dit leiden tot een hogere parkeernorm (bijvoorbeeld 1,6 per woning), wat zou resulteren in een behoefte van 19,2, afgerond 20, parkeerplaatsen.
Het bestreden besluit is, voor zover het de gehanteerde parkeernorm van 1,3 betreft, dan ook onvoldoende gemotiveerd.
Dit betoog slaagt.
Alternatieve locaties
15. Eisers stellen dat het college geen alternatieven heeft onderzocht en dat de woningen beter elders kunnen worden gerealiseerd. Eisers noemen hierbij onder andere de locatie aan de overzijde van de [adres] . Er is daar meer vrije ruimte en de bestaande bebouwing bevindt zich op grotere afstand. Ook bevindt zich hier bestrating en zijn er nutsvoorzieningen zoals gas, licht, water en riool aanwezig. De woningen kunnen hier direct op worden aangesloten. Verder is ook een locatie aan de [adres] geschikt, die in bezit is van [naam] . Tot slot wijzen eisers op een stuk grond achter de tennisbaan, waarvan de gemeente eigenaar is.
Ook zou het college bij voorkeur moeten kiezen voor nieuwe woningbouwlocaties aan de rand van de huidige dorpen. Die keuze is in het Bestuursakkoord 2022-2026 van de gemeente verwoord, omdat het aantal locaties waar inbreiding mogelijk is eindig is en dit ten koste gaat van groenstructuren en leefbaarheid. waar ook flexwoningen gebouwd kunnen worden.
15.1.
De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt. Zoals het college in het verweerschrift heeft gesteld, geldt, op grond van vaste rechtspraak, dat, als een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingt, als op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. [2] De rechtbank kan het college, gelet op de nadere toelichting in het verweerschrift en ter zitting, volgen in het standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat op de door hen aangedragen locaties kan worden voorzien in een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bewaren.
Dit betoog slaagt niet.
Financiële haalbaarheid
16. Eisers betogen dat de financiële haalbaarheid van het plan onvoldoende is aangetoond. Zij wijzen erop dat tijdelijke woningen bij een termijn van 15 jaar niet rendabel zijn en pas bij verlenging van de termijn financieel haalbaar worden. Eisers wijzen op een raadsinformatiebrief van 4 februari 2025 over de realisatie van tijdelijke woningen op een andere locatie.
16.1.
Volgens het college is het project financieel uitvoerbaar. De gemeente neemt diverse kosten voor haar rekening, zoals die van het bouw- en woningrijp maken van de locatie, de plankosten en de eventueel te betalen nadeelcompensatie.
De opzet van het plan op de door eisers genoemde andere locatie is totaal niet vergelijkbaar met die van het project, waardoor de kosten aanzienlijk hoger zijn. Bovendien zijn daar geen vergelijkbare afspraken gemaakt met de initiatiefnemer.
16.2.
De rechtbank volgt eisers niet in hun opvatting over de financiële uitvoerbaarheid van het project. Gelet op de vaststaande uitspraken van de Afdeling [3] kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van het project, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat het bevoegd gezag op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het project niet zou kunnen worden uitgevoerd. De rechtbank acht aannemelijk dat de economische uitvoerbaarheid met de gemaakte afspraken in voldoende mate is gewaarborgd en het college op voorhand had moeten inzien dat het project niet haalbaar was.
Dit betoog slaagt evenmin.

Conclusie en gevolgen

17. De conclusie is dat het bestreden besluit, voor zover het de onderbouwing van de parkeerbehoefte betreft, onvoldoende is gemotiveerd, zoals overwogen rechtsoverweging 14.3. Dit is een gebrek in de besluitvorming.
18. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om van deze gelegenheid gebruik te maken.
19. Het college kan het besluit herstellen in een nieuwe beslissing op bezwaar met een aanvullende motivering. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
20. Het college moet, op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, aan de rechtbank mededelen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
21. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013 [4] .
22. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dit laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt het college op om de rechtbank binnen twee weken mede te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;
  • stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen, met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
griffier
De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.De uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2547.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2058.
3.De uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2018 ECLI:NL:RVS:2018:2544