Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3182

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
SHE 25/3791
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.16 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing nieuwe aanspraak studiefinanciering wegens ontbreken verergerde handicap tijdens opleiding

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een nieuwe aanspraak op studiefinanciering vanwege bijzondere medische omstandigheden die hem noodzaakten zijn opleiding Personeel en arbeid te beëindigen. De minister wees deze aanvraag af omdat niet was aangetoond dat de medische aandoening tijdens de opleiding was verergerd of gemanifesteerd.

Eiser voerde aan dat hij tijdens de opleiding concentratieproblemen, impulsiviteit en verslavingsproblemen ontwikkelde, waardoor hij de opleiding niet kon afronden. Hij overlegde medische verklaringen en een verklaring van een studentendecaan ter ondersteuning van zijn verzoek. De minister stelde dat de medische aandoening aangeboren was en dat er geen bewijs was van verergering tijdens de opleiding. Ook was de verklaring van de studentendecaan niet consistent en inzichtelijk gemotiveerd.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat de medische aandoening tijdens de opleiding was verergerd of dat deze de reden was voor het stoppen met de studie. De verklaring van de studentendecaan kon niet worden meegewogen omdat er geen contact was geweest tijdens de relevante periode. De minister mocht de aanvraag daarom terecht afwijzen.

Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, hij kreeg geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak werd gedaan door rechter G. de Jong op 13 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een nieuwe aanspraak op studiefinanciering.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3791

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert aan dat hij als direct gevolg van bijzondere medische omstandigheden genoodzaakt was om zijn opleiding te beëindigen. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering. De minister heeft die aanvraag met het besluit van 25 juli 2025 afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 14 november 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat aan de procedure vooraf ging
3. Eiser stond in de periode september 2001 tot en met december 2001 en in de periode september 2002 tot en met januari 2003 ingeschreven aan Fontys Hogescholen voor een opleiding Personeel en arbeid, variant Toegepaste psychologie (hierna ook: de opleiding). In verband daarmee is hem op grond van de Wsf 2000 [1] studiefinanciering toegekend. Hij heeft voor die opleiding geen diploma behaald.
3.1.
Van september 2005 tot en met augustus 2010 stond eiser ingeschreven voor een opleiding fysiotherapie. In 2008 heeft de minister, vanwege bijzondere medische omstandigheden, de prestatiebeurs van eiser met een jaar verlengd. Eiser heeft voor de opleiding fysiotherapie een diploma behaald.
3.2.
Op 3 maart 2025 heeft eiser met het formulier “Verzoek Voorziening hoger onderwijs bij bijzondere omstandigheden” de minister gevraagd om hem een nieuwe aanspraak op studiefinanciering toe te kennen vanwege bijzondere medische omstandigheden. Hij heeft bij zijn aanvraag een verklaring overgelegd van een verpleegkundig specialist van 2 juni 2025 en een verklaring van een studentendecaan van 3 juni 2025. In de verklaring van 3 juni 2025 staat dat de studentendecaan het verzoek van eiser ondersteunt.
De standpunten van partijen
4. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er sprake is van een tijdens de opleiding Personeel en arbeid gekregen, verergerde of manifesterende handicap of chronische ziekte die maakt dat de opleiding niet kon worden afgerond. Op het formulier ‘Medische informatie’ van 2 juni 2025 staat dat de medische aandoening van eiser is aangeboren. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat de medische aandoening tijdens de opleiding is verergerd.
4.1.
Eiser is het daar niet mee eens. Hij stelt dat de medische aandoening tijdens de opleiding Personeel en Arbeid (wel) is verergerd. Tijdens de opleiding kreeg eiser in toenemende mate last van concentratieproblemen, impulsiviteit en moeite met structureren en plannen. Ook heeft hij tijdens de opleiding verslavingsproblemen ontwikkeld. De toegenomen klachten en de verslavingsproblematiek hebben zoveel invloed gehad op zijn functioneren en de studievoortgang, dat hij de opleiding niet heeft kunnen afronden. Op latere leeftijd is eiser gediagnosticeerd met een medische aandoening. Toen heeft hij het verband tussen de studieproblemen en zijn medische situatie gelegd. De opleiding Personeel en arbeid was niet passend, omdat het een theoretische opleiding is, die gericht is op introspectie. Vanwege zijn medische aandoening was de opleiding voor eiser confronterend en ontregelend. De opleiding fysiotherapie, die eiser daarna heeft gevolgd, is praktisch, gestructureerd en doelgericht, en daardoor wel passend.
4.2.
Eiser onderbouwt zijn standpunt in beroep met een verwijsbrief van de huisarts van 5 november 2004, een intakeverslag van een instelling voor verslavingszorg van 11 februari 2005 en een brief van de psychiater van 6 november 2018. Daarnaast heeft eiser een aanvullende verklaring van de studentendecaan van 8 december 2025 overgelegd. In die verklaring staat dat de studentendecaan het zeer aannemelijk acht dat het beëindigen van de opleiding verband houdt met de medische aandoening die op latere leeftijd bij eiser is gediagnosticeerd.
4.3.
Naar aanleiding van de verklaring van 8 december 2025 heeft de minister per
e-mail vragen gesteld aan de studentendecaan. De studentendecaan heeft gereageerd in een e-mail van 9 april 2026. In antwoord op de vraag of eiser tijdens de studie Personeel en arbeid met de studentendecaan van de onderwijsinstelling contact heeft gehad over de bijzondere medische omstandigheden die tot de beëindiging van de opleiding hebben geleid, heeft de studentendecaan geantwoord dat eiser in de studieperiode van september 2001 tot en met januari 2003 geen contact met een studentendecaan heeft gehad. In 2007, tijdens de opleiding fysiotherapie, heeft eiser wel meerdere keren contact met een studentendecaan opgenomen.
4.4.
In het aanvullend verweerschrift van 10 april 2026 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de (aanvullende) verklaring van de studentendecaan niet inzichtelijk is gemotiveerd en niet consistent is. Uit het e-mailbericht blijkt dat de studentendecaan zich niet heeft gebaseerd op eigen wetenschap over de noodzaak om de opleiding te beëindigen. Volgens de minister kan de studentendecaan niet vaststellen dat er een causaal verband bestaat tussen de medische aandoening en het stopzetten van de opleiding, omdat hierover in de periode september 2001 tot en met januari 2003 geen contact is geweest tussen eiser en de onderwijsinstelling. De conclusie van de studentendecaan wordt niet gedragen door de gegeven motivering.
Het toetsingskader
5. De wetsartikelen die van belang zijn voor deze zaak staan in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Uit vaste rechtspraak van de hoger beroepsrechter volgt het volgende toetsingskader voor de beoordeling van een verzoek om een nieuwe aanspraak voor studiefinanciering. Uit verklaringen van het bestuur van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven, én van een arts zal moeten blijken dat is voldaan aan de in artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 gestelde voorwaarden voor toekenning van een nieuwe aanspraak op studiefinanciering. Het is niet aan de minister om zelfstandig te beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan. Het is wel aan de minister om te bezien of de door artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000 voorgeschreven verklaringen van de onderwijsinstelling en een arts op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inzichtelijk en consistent zijn. Pas als daarvan sprake is heeft de minister een toereikende grondslag voor zijn beslissing op het verzoek van de studerende. [2]
De redenen voor het oordeel van de rechtbank
6. Eiser heeft een medische verklaring overgelegd waarin is vermeld dat zijn medische aandoening is aangeboren. Dat betekent dat eiser de medische aandoening al had, voordat hij aan de opleiding Personeel en arbeid begon. Eiser heeft geen verklaring van een arts overgelegd waaruit blijkt dat de medische aandoening tijdens de opleiding is verergerd. Daarom kan de rechtbank de minister volgen als hij stelt dat er geen sprake is van een tijdens de opleiding gekregen, verergerde of manifesterende handicap of chronische ziekte waardoor eiser de opleiding moest beëindigen. De medische informatie die eiser in beroep heeft overgelegd leidt niet tot een ander oordeel. Uit de informatie blijkt dat eiser tijdens zijn studie met middelengebruik is begonnen, maar uit die informatie kan niet worden afgeleid wat het effect van het middelengebruik op zijn studie is geweest en dat hij als gevolg van zijn (medische) problematiek genoodzaakt was om met de opleiding te stoppen. De eigen verklaring van eiser, dat hij vanwege de medische aandoening en de verslavingsproblematiek de opleiding moest beëindigen, is daarvoor onvoldoende.
6.1.
De rechtbank volgt de minister ook in zijn standpunt dat de (aanvullende) verklaring van de studentendecaan niet inzichtelijk en consistent is gemotiveerd. De studentendecaan beschikte niet over informatie om te kunnen beoordelen of er een causaal verband bestaat tussen de medische aandoening en de beëindiging van de opleiding, omdat eiser (van september 2001 tot en met januari 2003) geen contact heeft gehad met een studentendecaan van de onderwijsinstelling. De conclusie van de studentendecaan, dat het aannemelijk is dat eiser met de opleiding moest stoppen vanwege de medische aandoening, wordt niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De minister heeft de (aanvullende) verklaring van de studentendecaan dan ook kunnen passeren.
6.2.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden voor een nieuw aanspraak op studiefinanciering.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.C. Meulemans, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage:

Wet Studiefinanciering 2000
Artikel 5.16. Bijzondere omstandigheden
(...)
4. Indien een ho-student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de ho-student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
5. Onze Minister stelt op aanvraag van de ho-student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de ho-student is ingeschreven.

Voetnoten

1.Wet Studiefinanciering 2000
2.Zie onder meer CRvB 15 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4015 en CRvB 10 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2779.