Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2690

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
25/2632
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 3:84 BWArt. 3:98 BWArt. 5:1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige omzetting van aanvullende bijstand in geldlening en onterechte hypotheekverplichting

Eiser en zijn partner wonen sinds de jaren 80 op een standplaats met een woonwagen, berging en garage, waarvan de eigendom berust bij Stichting Wooninc. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft de aanvullende bijstandsuitkering (AIO) van eiser omgezet in een geldlening vanwege vermeende overschrijding van de vermogensgrens, en hem verplicht mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek. Tevens werd een bedrag van € 1.745,32 teruggevorderd.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet de eigenaar is van de onroerende zaken en geen opstalrecht heeft. Alleen de woonwagen kan als bezit worden aangemerkt vanwege de verbintenisrechtelijke aanspraken en risico’s die op eiser rusten. De waarde van de woonwagen ligt onder de vermogensgrens, waardoor de omzetting van bijstand in geldlening onterecht is. Ook is eiser niet beschikkingsbevoegd om een hypotheek te vestigen, zodat de hypotheekverplichting onrechtmatig is opgelegd.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, herroept de primaire besluiten en bepaalt dat de AIO-uitkering om niet doorloopt. De terugvordering hoeft niet te worden betaald en reeds betaalde bedragen worden terugbetaald. Tevens wordt de Svb veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de Svb en herroept de omzetting van de AIO-uitkering in een geldlening en de hypotheekverplichting.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2632

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.H.A.J. Slaats),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb

(gemachtigde: mr. A.F.L.B. Metz).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omzetting van eisers aanvullende bijstandsuitkering om niet in een geldlening, de verplichting om een krediethypotheek te vestigen en de terugvordering van € 1.745,32. Eiser is het hiermee niet eens.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Svb ten onrechte de aanvullende bijstandsuitkering heeft omgezet in een geldlening
.Ook heeft de Svb ten onrechte eiser verplicht mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek en van eiser € 1.745,32 teruggevorderd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond.

Procesverloop

2. De Svb heeft met het besluit van 10 september 2024 (primair besluit 1) de aanvullende inkomensondersteuning (AIO) op grond van de Participatiewet (Pw) om niet omgezet en met ingang van 1 september 2024 verstrekt in de vorm van een geldlening met de voorwaarde dat eiser meewerkt aan het vestigen van een krediethypotheek.
2.1.
De Svb heeft met het besluit van 22 november 2024 (primaire besluit 2) de ten onrechte ontvangen AIO-uitkering over de maanden september 2024 en oktober 2024 tot een bedrag van € 1.745,32 van eiser teruggevorderd.
2.2.
De Svb heeft met de beslissing van 9 september 2025 op de bezwaren tegen de primaire besluiten (bestreden besluit) deze besluiten gehandhaafd.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Svb.
Feiten en totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser en zijn partner zijn in de jaren 80 van de vorige eeuw komen wonen op de standplaats aan de [adres] in [woonplaats]. Daarvoor woonden zij in een woonwagen op een andere locatie. Zij hebben op kosten van de gemeente Eindhoven de woonwagen verplaatst naar de standplaats aan de [adres] in [woonplaats]. De partner van eiser heeft met de gemeente Eindhoven een huurovereenkomst gesloten voor de standplaats met een berging. Deze berging is gebouwd door de gemeente Eindhoven en bevat sanitaire voorzieningen en bergruimte. Deze berging wordt in de stukken ook aangeduid als schuur. De gemeente heeft aan alle bewoners van de [adres] toegezegd dat zij een garage mochten bouwen op de standplaats. Daarom heeft het college aan eiser in 1989 een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een garage. In dat jaar heeft eiser deze garage gebouwd. In 2011 heeft eiser de garage voorzien van een overkapping. Deze garage met overkapping wordt in de stukken ook aangeduid als berging met overkapping/luifel. In 2017 heeft eiser de woonwagen voorzien van een bovenverdieping.
3.1.
Op enig moment heeft de gemeente Eindhoven de standplaats verkocht en overgedragen aan Stichting Wooninc. (Wooninc.). Hiermee is Wooninc. de eigenaar geworden van de standplaats.
3.2.
Eiser en zijn partner hebben op 29 november 2017 een AIO-uitkering aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de Svb uitvoerig onderzoek gedaan naar het vermogen gebonden in de woonwagen van eiser. In dit kader heeft de Svb contact opgenomen met de gemeente Eindhoven. Uit het telefoonrapport van 25 juni 2018 volgt dat bij de gemeente geen gegevens over de woonwagen meer voorhanden waren. Uit een interne notitie van 29 juni 2018 van de Svb volgt dat de Svb daarom heeft besloten om de AIO-uitkering om niet te verstrekken. De Svb heeft vervolgens met een besluit van 10 juli 2018 de AIO-uitkering om niet aan eiser en zijn partner toegekend.
3.3.
De Svb is in mei 2024 een heronderzoek gestart naar de waarde van de woonwagen van eiser. In dit kader heeft de Svb stukken opgevraagd bij eiser. Eiser heeft vervolgens een taxatieverslag van 14 augustus 2024 van de gemeente Eindhoven en een brief van Wooninc. van 27 augustus 2024 naar de Svb gezonden. Uit het taxatieverslag volgt dat de voor 2023 vastgestelde WOZ-waarde van de [adres] te [woonplaats] € 172.000,- is. Uit de brief van Wooninc. blijkt dat eiser een geldig huurcontract heeft voor de standplaats met berging aan de [adres] te [woonplaats].
3.4.
De Svb heeft vervolgens het primaire besluit 1 genomen. De Svb heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser de eigenaar is van een woonwagen en dat het vermogen van de woonwagen hoger is dan de vermogensgrens. Daarom heeft eiser alleen recht op een AIO-uitkering in de vorm van een geldlening en is hij verplicht mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek. Als eiser deze verplichting niet nakomt, moet hij de geldlening direct en in één keer terugbetalen. De lening is maximaal € 25.820,-.
3.5.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit 1. Ook heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking.
3.6.
De Svb heeft eiser meermaals verzocht mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek. Eiser en zijn partner willen hieraan niet meewerken. Daarom heeft de Svb het primaire besluit 2 genomen.
3.7.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit 2.
3.8.
Het bezwaar tegen de WOZ-beschikking is op 18 december 2024 ongegrond verklaard. De waarde van de [adres] in [woonplaats] is gehandhaafd op € 172.000,- Weliswaar is de waarde van de woonwagen € 61.484,- in plaats van € 89.548,-, maar bij de eerdere vaststelling waren een berging/schuur van 50m2 en een overkapping/luifel van 18m2 nog niet meegenomen. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar.
3.9.
De Svb heeft met het bestreden besluit de primaire besluiten gehandhaafd. De Svb stelt in het bestreden besluit voorop dat bij de vaststelling van de waarde van de woonwagen wordt uitgegaan van de door de gemeente Eindhoven vastgestelde WOZ-waarde exclusief de BTW. Uit het door eiser overgelegde taxatieverslag van de gemeente Eindhoven blijkt dat de WOZ-waarde bestaat uit de volgende bedragen (exclusief BTW): € 60.426,- voor de woonwagen, € 7.438,- voor de berging en € 2.700,- voor de overkapping. De totale WOZ-waarde is € 70.564,-. Op grond van artikel 34 van Pro de Pw bedraagt de vrijstelling van het vermogen dat in de woning is gebonden € 63.900,-. Omdat er geen sprake is van een woningschuld is de overschrijding van de vermogensgrens het verschil tussen de door de gemeente Eindhoven vastgestelde WOZ-waarde van € 70.564 en de vrijstelling van € 63.900,-. De overschrijding van de vermogensgrens is daarom door de Svb vastgesteld op € 6.664,-. Er is volgens de Svb daarom terecht beslist dat eiser vanaf 1 september 2024 recht heeft op een AIO-uitkering in de vorm van een geldlening. Omdat eiser kenbaar heeft gemaakt dat hij niet mee wil werken aan het vestigen van een krediethypotheek heeft hij de verplichting op grond van artikel 48, derde lid, van de Pw geschonden. Om die reden vordert de Svb de aan eiser betaalde AIO-aanvulling over de maanden september 2024 en oktober 2024 van hem terug op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder b, van de Pw. De Svb stelt vast dat er geen dringende redenen zijn om af te zien van de terugvordering of om de terugvordering te matigen. Ook stelt de Svb vast dat het niet onevenredig is om de AIO-aanvulling over september 2024 en oktober 2024 van eiser terug te vorderen.
3.10.
Deze rechtbank heeft met de uitspraak van 22 december 2025 (SHE 25/372) het beroep van eiser tegen de onder 3.8 vermelde WOZ-beschikking niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft hierin overwogen dat de woonwagen, de berging met overkapping en de schuur op de standplaats moeten worden aangemerkt als onroerende zaken. Zij zijn namelijk naar hun aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. De rechtbank heeft verder overwogen dat Wooninc. de eigenaar is van de standplaats en dat geen recht van opstal is gevestigd voor de woonwagen, berging en schuur. Hiermee staat vast dat Wooninc. door natrekking eigenaar is van de onroerende zaken op de standplaats. De eigendom berust dus bij Wooninc. en niet bij eiser. Als gevolg hiervan heeft eiser geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, omdat een succesvol beroep hem als niet-eigenaar niet in een betere positie kan brengen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat beoordeelt de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of de Svb terecht, vanwege de overschrijding van de vermogensgrens, de AIO-uitkering om niet heeft ingetrokken en terecht deze uitkering in de vorm van een geldlening heeft verstrekt. Ook beoordeelt de rechtbank of de Svb aan eiser de verplichting heeft kunnen opleggen om mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek. Ten slotte beoordeelt de rechtbank de vraag of de Svb van eiser een bedrag van € 1.745,32 heeft kunnen terugvorderen. De rechtbank verricht deze beoordeling aan de hand van wat eiser hiertegen heeft aangevoerd (de beroepsgronden).
Overschrijdt het vermogen van eiser de vermogensgrens?
5. Eiser betoogt primair dat hij niet kan beschikken over het vermogen in de woonwagen, de berging met sanitaire voorzieningen en de garage met overkapping. Niet hij maar Wooninc. is de eigenaar van deze onroerende zaken. Hij verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank van 22 december 2025. Hij huurt slechts de standplaats. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij tijdens de zitting een huurovereenkomst overgelegd. Subsidiair betoogt eiser dat de waarde van de opstallen lager moet worden vastgesteld. Hierbij moet worden uitgegaan van de hertaxatie die door de gemeente op 12 december 2024 is verricht ter voorbereiding van de 3.8 genoemde WOZ-beschikking. De waarde van de woonwagen is daarin € 50.813,- excl. BTW. De Svb gaat verder uit van een waarde van de berging met luifel van € 7.438,- excl. BTW en van de berging met sanitaire voorziening van € 2.700,- Dit vormt tezamen een waarde van € 60.951,- excl. BTW. Bovendien is volgens eiser de waarde van de berging met de luifel in de hertaxatie te hoog vastgesteld. Volgens hem is de waarde van de berging € 2.789,25 excl. BTW en van de luifel € 1.873,55 excl. BTW. Dit maakt dat de totale waarde van de opstallen € 55.475,80 excl. BTW bedraagt.
5.1.
De Svb betoogt dat het weliswaar zo is dat de woonwagen en de berging met de overkapping juridisch eigendom zijn van de eigenaar van de grond, maar daarmee is niet komen vast te staan dat eiser geen vermogen heeft waarmee geen rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van eisers recht op een AIO-uitkering. De Svb verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 juni 2014. [1] Hieruit volgt volgens de Svb dat een eigen woonwagen wordt gezien als economisch eigendom. Bij het huren van een standplaats blijft het recht om de woonwagen te verplaatsen, verkopen of vervangen door een andere woonwagen bij de betrokkenen. Eiser heeft dan ook de vrije beschikking over de woonwagen. Dit is ook de reden waarom in 2017 eiser de woonwagen kon voorzien van een bovenverdieping. Gelet op de verbintenisrechtelijke aanspraken van eiser en zijn partner op de woonwagen, de op hen rustende risico’s (bijvoorbeeld waardeverandering) en onderhoudsverplichtingen, is de woonwagen aan te merken als een bezitting van eiser en zijn partner in de zin van de Pw. Naar het oordeel van de Svb geldt hetzelfde voor de bijgebouwen op de standplaats. Volgens de Svb is de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2025 onjuist in die zin dat eiser wel een belang had bij het beroep tegen de vaststelling van de WOZ-waarde omdat dit gevolgen kan hebben voor zijn AIO-uitkering. Ten aanzien van de subsidiaire beroepsgrond stelt de Svb zich op het standpunt dat de Svb in beginsel kan uitgaan van de WOZ-waarde. Het ligt op de weg van eiser om deze te weerleggen met een taxatierapport opgemaakt door een erkend taxateur. Dit heeft eiser echter niet ingebracht.
5.2.
Op grond van artikel 50, eerste lid, van de Pw heeft een belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf recht op bijstand, voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd. Op grond van het tweede lid van dit artikel heeft die bijstand, als voor de belanghebbende bedoeld in het eerste lid recht op algemene bijstand bestaat, de vorm van een geldlening:
indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid; en
voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder d.
5.2.1.
Op grond van artikel 3, zesde lid, van de Pw wordt onder een woning mede verstaan een woonwagen of een woonschip.
5.2.2.
Op grond van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder d, van de Pw wordt niet als vermogen voor bijstandsverlening in aanmerking genomen het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Pw, voor zover dit minder bedraagt dan, ten tijde van belang, € 63.900,-.
5.2.3.
Deze bepalingen zijn op grond van artikel 47a, tweede lid, van de Pw van overeenkomstige toepassing op de AIO-aanvullingen die worden uitgekeerd door de Svb.
5.2.4.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB vormt artikel 50 van Pro de Pw niet alleen bij een eerste beoordeling van de aanspraak op bijstand het toetsingskader, maar ook als het college (in dit geval de Svb) bij een herbeoordeling van een eerder toegekende uitkering de vraag te beantwoorden heeft of de verlening van bijstand die om niet werd verstrekt, in die vorm kan worden gehandhaafd. [2]
5.2.5.
Het besluit tot omzetting van de vorm van de AIO-uitkering is een voor eiser belastend besluit. Daarom rust de bewijslast dat aan de voorwaarden voor de omzetting is voldaan in beginsel op de Svb. Dit betekent dat de Svb de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de Svb niet aannemelijk maakt dat het vermogen van eiser gebonden in de onroerende zaken hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d, van de Pw.
5.3.1.
De rechtbank stelt bij dit oordeel voorop dat tussen partijen niet in geschil is en voor de rechtbank vaststaat dat eiser, in goederenrechtelijke zin, niet de eigendom als bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, van het Burgerlijke Wetboek (BW) heeft over de standplaats aan de [adres] te [woonplaats] en de daarop staande onroerende zaken. De rechtbank volgt de Svb ook niet in het standpunt dat wat betreft de berging met sanitaire voorzieningen en de berging met overkapping desondanks sprake is van vermogen in de zin van Pw gelet op de uitspraak van de CRvB van 24 juni 2014. [3]
5.3.2.
Uit rechtsoverweging 5.2.3 van de desbetreffende uitspraak van de CRvB volgt dat de appellanten in die zaak:
  • hun woonwagen kunnen verplaatsen, verkopen of vervangen door een andere woonwagen;
  • daarvoor geen toestemming van de verhuurder/eigenaar nodig hebben en het voor- of nadeel van een dergelijke transactie geheel voor rekening van appellanten komt;
  • een rechtens afdwingbare aanspraak op de verhuurder/eigenaar hebben om de natrekking ongedaan te mogen maken, waarmee de (juridische) eigendom weer naar hen terugkeert, om vervolgens de woonwagen te vervangen of te verplaatsen;
  • met instemming van de verhuurder/eigenaar bij verhuizing onder achterlating van de woonwagen jegens de nieuwe bewoners aanspraak kunnen maken op vergoeding van de waarde van de woonwagen;
  • zelf hun woonwagen onderhouden en dat dit onderhoud geheel voor hun rekening en risico komt;
  • de vrije beschikking over hun woonwagen hebben en het risico van waardeverandering daarvan komt voor hun rekening.
5.3.3.
De CRvB is in rechtsoverweging 5.2.4 van die uitspraak van oordeel dat gelet op deze verbintenisrechtelijke aanspraken van de appellanten op de woonwagen en de op hen rustende risico’s en onderhoudsverplichtingen de woonwagen is aan te merken als een bezitting van de appellanten als bedoeld in de Pw.
5.3.4.
De Svb stelt dat de conclusie van de CRvB in deze uitspraak geldt voor alle bijstandsgerechtigde bewoners van een woonwagen, dus ook voor eiser. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de CRvB niet zonder meer is af te leiden dat er vanuit gegaan kan worden dat een bijstandsgerechtigde die woont in een woonwagen waarvan de eigendom in goederenrechtelijke zin bij een derde ligt, in alle gevallen toch in de zin van de Pw is aan te merken als bezitter daarvan. Gezien de juridische plaats van het eigendomsrecht in het goederenrecht is de conclusie van de CRvB in deze uitspaak alleen begrijpelijk als de rechtsoverwegingen 5.2.3 en 5.2.4 in onderlinge samenhang worden gelezen. Er dient sprake te zijn van dusdanige verbintenisrechtelijke aanspraken dat de bijstandsgerechtigde toch aangemerkt kan worden als een bezitter in de zin van de Pw waarna dit bezit meetelt als vermogen.
5.4.
In eisers geval moet dus beoordeeld worden in hoeverre in zijn situatie sprake is van vergelijkbare verbintenisrechtelijke aanspraken en de op hem rustende risico’s en onderhoudsverplichtingen ten aanzien van de woonwagen, berging met sanitaire voorzieningen en garage met overkapping/berging met luifel. De rechtbank stelt vast dat de Svb dit niet heeft gedaan. Hoewel de Svb zich tijdens de zitting op het standpunt stelt dat er tot de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2025 geen aanleiding bestond om dit te onderzoeken, erkent de Svb ook dat deze beoordeling voorafgaand aan de besluitvorming niet heeft plaatsgevonden. In zoverre is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.5.
De Svb heeft tijdens de zitting aangegeven dat het niet mogelijk is om nader onderzoek te doen. De gemeente Eindhoven en Wooninc. beschikken niet over meer informatie en stukken. Desgevraagd verzoekt de Svb om geen opdracht te geven om nader onderzoek te doen, maar een eigen oordeel te geven, als de rechtbank tot het oordeel komt dat het standpunt van de Svb onjuist is. Gezien dit verzoek, beoordeelt de rechtbank hierna per onroerende zaak in hoeverre sprake is van een vergelijkbare situatie als bedoeld in de uitspraak van de CRvB.
Woonwagen
5.5.1.
De rechtbank oordeelt dat ten aanzien van de woonwagen sprake is van een min of meer vergelijkbare situatie met de situatie in de uitspraak van de CRvB. Eiser verklaart immers tijdens de zitting dat hij destijds met de gemeente heeft afgesproken dat hij de woonwagen mag verplaatsen, verkopen of vervangen. Een eventuele waardevermeerdering of -vermindering komt dan ook voor zijn rekening en/of risico. Hij moet zelf de woonwagen onderhouden. Ook kan hij de woonwagen naar eigen keuze en zonder toestemming van Wooninc. aanpassen. Zo heeft hij in 2017 een bovenverdieping op de woonwagen geplaatst. In de brief van Wooninc. van 27 augustus 2024 staat ook dat de woning op deze standplaats de eigendom van eiser is. Weliswaar is deze stelling vanuit goederenrechtelijk perspectief onjuist, maar hiermee staat voor de rechtbank voldoende vast dat Wooninc. de hiervoor door eiser genoemde verbintenisrechtelijke aanspraken erkent. Gezien deze verbintenisrechtelijke aanspraken van eiser op de woonwagen en de op hem rustende risico’s en onderhoudsverplichtingen is de woonwagen aan te merken als een bezitting van eiser als bedoeld in artikel 50, tweede lid, aanhef en onder b, van de Pw. De Svb heeft daarom terecht de waarde van de woonwagen bij het vast te stellen vermogen betrokken.
Berging met sanitaire voorzieningen
5.5.2.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een vergelijkbare situatie met de situatie in de uitspraak van de CRvB ten aanzien van de berging met sanitaire voorzieningen. Deze berging is door de gemeente Eindhoven gebouwd. Eiser huurt deze berging. Deze berging is ook expliciet genoemd in de titel van de huurovereenkomst, in artikel 1 lid 1 en Pro lid 3 van de huurovereenkomst en artikel 5 lid 1 van Pro het huurreglement standplaats met berging. Uit de huurovereenkomst volgt niet dat eiser een ander recht heeft ten aanzien van deze berging dan de huurrechten van een reguliere huurder. Dit volgt ook uit de verklaring van eiser hierover tijdens de zitting. In zoverre is ten aanzien van deze berging een met een normale huurwoning vergelijkbare situatie. Ook in zo’n situatie wordt de waarde van de huurwoning niet betrokken bij de vaststelling van het vermogen. Dit betekent dat de waarde van deze berging niet bij het vast te stellen vermogen kan worden betrokken.
Garage met overkapping/berging met luifel
5.5.3.
De rechtbank kan niet vaststellen dat sprake is van een vergelijkbare situatie met de situatie in de uitspraak van de CRvB ten aanzien van de garage met overkapping/berging met luifel. Uit artikel 5 lid 1 van Pro het huurreglement standplaats met berging volgt dat onder het gehuurde mede wordt begrepen de garage. Ingevolge artikel 6 van Pro de huurovereenkomst is deze bepaling uit het huurreglement van toepassing op de huurovereenkomst. Dit wijst erop dat eiser geen andere verbintenisrechtelijk aanspraak heeft ten aanzien van de garage, dan de huurrechten van een reguliere huurder. Deze aspecten wijzen op een niet-vergelijkbare situatie met de situatie in de uitspraak van de CRvB. Nu er geen nader onderzoek meer mogelijk is en de bewijslast bij de Svb ligt, komt deze onduidelijkheid voor rekening en risico van de Svb. Dit betekent dat de Svb ten onrechte de waarde van de garage met overkapping bij de vaststelling van het eigen vermogen heeft betrokken.
Tussenconclusie
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat alleen de waarde van de woonwagen moet worden betrokken bij het vaststellen van het vermogen als bedoeld in artikel 50, tweede lid, aanhef en onder b, van de Pw. Tussen partijen is ook in geschil van welke waarde moet worden uitgegaan. Echter, of nu wordt uitgegaan van het bedrag dat de Svb noemt (€ 60.426,-) of van het bedrag dat eiser noemt (€ 50.813,-), beide bedragen zijn lager dan de vermogensgrens van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder d, van de Pw, zijnde € 63.900,-. Dit betekent dat de Svb ten onrechte de bijstand om niet heeft omgezet in een geldlening op de grond dat het vermogen van eiser gebonden in de woonwagen hoger is dan deze vermogensgrens. De beroepsgrond over de waarde van de woonwagen behoeft daarom geen bespreking.
Heeft de Svb de verplichting kunnen opleggen dat eiser meewerkt aan het vestigen van een krediethypotheek?
5.7.
Eiser betoogt dat ten onrechte van hem wordt verlangt dat hij meewerkt aan het vestigen van een krediethypotheek. Hij is immers geen eigenaar van de standplaats, de woonwagen, de berging met sanitaire voorzieningen en van de garage met overkapping/berging met luifel. Hij heeft evenmin een recht van opstal.
5.7.1.
De Svb betoogt dat het vaker voorkomt dat van een bewoner van een woonwagen met een bijstandsuitkering in de vorm van een geldlening wordt verlangd om een krediethypotheek te vestigen. De Svb ziet daarom niet in waarom dit in het geval van eiser niet zou kunnen.
5.7.2.
Op grond van artikel 48, derde lid, van de Pw kan aan het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening verplichtingen worden verbonden die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen.
5.7.3.
Hoewel, gelet rechtsoverweging 5.6, de Svb ten onrechte de AIO-uitkering van eiser heeft omgezet naar een geldlening omdat de vermogensgrens niet is overschreden, ziet de rechtbank toch aanleiding om hierover het volgende te overwegen. Om een recht van hypotheek dan wel een pandrecht te kunnen vestigen moet eiser in goederenrechtelijke zin beschikkingsbevoegd zijn. Dit volgt uit artikel 3:98 in Pro combinatie met artikel 3:84, eerste lid, van het Burgerlijke Wetboek (BW). Eiser is niet beschikkingsbevoegd als bedoeld in artikel 3:84, eerste lid, van het BW ten aanzien van de woonwagen, de berging met sanitaire voorzieningen en de garage met overkapping/berging met luifel. Immers uit rechtsoverweging 5.3.1 volgt dat tussen partijen niet in geschil is en ook de rechtbank vaststelt dat eiser geen eigenaar is als bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, van het BW en ook geen andere vermogensrechtelijke rechten (zoals een opstalrecht) heeft ten aanzien van deze onroerende zaken. De Svb heeft dan ook niet aan eiser de verplichting kunnen opleggen om een krediethypotheek te vestigen.
Wat betekent dit voor de besluiten?
6. Wat hiervoor is overwogen, maakt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Gezien de oordelen in rechtsoverwegingen 5.6 en 5.7.3 moet het primaire besluit 1 worden herroepen. Als gevolg hiervan moet ook het primaire besluit 2 worden herroepen, nu dit besluit voortvloeit uit het niet nakomen van de verplichting die is opgelegd bij het te herroepen primaire besluit 1. Feitelijk betekent dit dat de AIO-uitkering om niet vanaf 1 september 2024 doorloopt en nog moet worden uitbetaald aan eiser en zijn partner. En, dat eiser de terugvordering niet hoeft te betalen. Wat eiser al heeft betaald, moet door de Svb worden terugbetaald.
6.1.
Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de kosten van eiser. De rechtbank begroot de kosten voor verleende rechtsbijstand op € 2.534,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,-).

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 9 september 2025;
- herroept de besluiten van 10 september 2024 en 22 november 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 9 september 2025;
- veroordeelt het college in de kosten van eiser tot een bedrag van € 2.534,-;
- bepaalt dat het college aan eiser het betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, voorzitter, en mr. R.H. van Marle en mr. R.A. de Wit, leden, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.