Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
1.Kern van het geschil
2.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
3.De feiten
1. U erkent dat de Restschuld per 01-07-2019 € 1.494.388,00 bedraagt, te vermeerderen met de verschuldigde renten en kosten tot en met het heden.
4.Het geschil
5.De beoordeling
zelfin hoger beroep is gegaan tegen het vonnis van de rechtbank waarbij hij in staat van faillissement werd verklaard. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de rechtbank dit niet rijmen met hun stellingen. Als hij geen hoger beroep had aangetekend, dan was hij (ook) in staat van faillissement gebleven en had hij, volgens hun eigen stellingen, de Wsnp (mogelijk) kunnen ingaan en (mogelijk) in een financiële betere positie terecht gekomen.
namensRabobank handelde. Volgens (de gemachtigde van) [gedaagden] zou de betaling juist ‘buiten de boeken zijn gehouden’ en gaf de heer [E] ‘op eigen naam de lening uit’. Daarnaast zou de betaling, aldus de conclusie van antwoord, zijn overgemaakt ‘namens Rabobank/Privé’ (randnr. 8).