Een voormalig medewerker van Stichting St. Anna Zorggroep vorderde betaling van salaris en emolumenten over de 15 minuten voor aanvang en na afloop van haar diensten, stellende dat zij deze tijd werkte. De kantonrechter oordeelde dat niet is komen vast te staan dat er een voorschrift bestond dat haar verplichtte deze inloop- en uitlooptijd als werktijd te beschouwen.
De werkneemster stelde dat zij dagelijks 15 minuten voor en na haar dienst werkzaamheden verrichtte, ondersteund door WhatsApp-berichten van oud-collega's. De werkgever betwistte het bestaan van een dergelijke verplichting en stelde dat de voorbereidingstijd maximaal vijf minuten bedroeg en dat de tijd om naar de werkplek te gaan niet als arbeidstijd geldt.
De kantonrechter stelde dat voorbereidende werkzaamheden als arbeidstijd kunnen gelden indien er een voorschrift van de werkgever is en dat de werknemer dit moet stellen en bewijzen. Dit was niet voldoende aangetoond. De verklaringen van de teamleider en oud-werknemers waren onvoldoende om het bestaan van een verplichting tot 15 minuten voor en na werktijd aanwezig te zijn vast te stellen.
De overige verweren van de werkgever werden niet inhoudelijk behandeld. De vorderingen werden afgewezen en de werkneemster werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd gewezen door mr. J. Iding en op 16 april 2026 uitgesproken.