Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2306

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/01/25/145 F
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 87 FaillissementswetArt. 587 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 5 EVRMArt. 6 EVRMArt. 88 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing bevel tot inbewaringstelling bestuurder in faillissement [bedrijf] B.V.

In het faillissement van [bedrijf] B.V. werd de voormalige bestuurder in bewaring gesteld wegens het niet nakomen van zijn wettelijke verplichtingen. Na een periode van schorsing en wekelijkse rapportages over zijn inspanningen om contactgegevens van een feitelijk leidinggevende te achterhalen, heeft de rechtbank het bevel tot inbewaringstelling opgeheven.

De curator en rechter-commissaris hadden de rechtbank voorgedragen de schorsing te verlengen, omdat nog niet alle contactgegevens waren achterhaald. De bestuurder heeft zich echter actief en coöperatief opgesteld, waarbij hij onder meer contact heeft gelegd via sociale media en locaties heeft bezocht. De curator erkent dat de inspanningen tot meer informatie hebben geleid.

De rechtbank weegt het belang van de persoonlijke vrijheid van de bestuurder tegen het belang van het faillissement en concludeert dat het doel van het bevel ook op minder ingrijpende wijze kan worden bereikt. De opheffing van het bevel betekent niet dat de bestuurder zijn verplichtingen mag verwaarlozen; hij blijft gehouden aan zijn medewerkingsplicht en kan bij tekortkoming opnieuw in bewaring worden gesteld.

Uitkomst: Het bevel tot inbewaringstelling van de voormalige bestuurder wordt opgeheven wegens voldoende naleving van wettelijke verplichtingen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Toezicht
Faillissementsnummer: C/01/25/145 F
Uitspraakdatum: 3 april 2026
Toewijzing verzoek tot opheffing bevel tot inbewaringstelling
Afwijzing verzoek tot verlenging schorsing bevel tot inbewaringstelling
In het faillissement van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf] B.V.,
statutair gevestigd te ’s-Hertogenbosch,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] .

1.Het procesverloop

1.1.
Bij vonnis van deze rechtbank van 3 juni 2025 is [bedrijf] B.V. (hierna: gefailleerde) failliet verklaard met aanstelling van mr. J. Beerens tot curator (hierna: de curator) en benoeming van mr. S.J.O. de Vries tot rechter-commissaris (hierna: de rechter-commissaris).
1.2.
Op grond van artikel 87 van Pro de Faillissementswet (hierna: Fw) is door deze rechtbank bij beschikking van 2 december 2025 de inbewaringstelling bevolen van [naam] (hierna: [betrokkene] ), geboren op [geboortedag] 1999, wonende te [woonplaats]
[woonplaats] aan de [adres] , in zijn hoedanigheid van gewezen bestuurder van gefailleerde.
1.3.
Het bevel tot inbewaringstelling is op 8 januari 2026 ten uitvoer gelegd met de aanhouding van [betrokkene] , waarna hij is overgebracht naar het huis van bewaring in Grave.
1.4.
Bij vonnis van 5 februari 2026 heeft de rechtbank het verzoek van [betrokkene] tot opheffing dan wel schorsing van het bevel tot inbewaringstelling afgewezen en het verzoek van de curator tot verlenging van dit bevel toegewezen.
1.5.
Bij vonnis van 6 maart 2026 heeft de rechtbank het verzoek van [betrokkene] tot schorsing van het bevel tot inbewaringstelling toegewezen en dit bevel onder voorwaarden tot en met 6 april 2026 geschorst.
1.6.
Bij brief van 1 april 2020 heeft de rechter-commissaris, onder verwijzing naar berichten van de curator van 27 en 31 maart en 1 april 2026, de rechtbank voorgedragen de schorsing van het bevel tot inbewaringstelling te verlengen.
1.7.
Op de zitting van de rechtbank van 2 april 2026 zijn [betrokkene] , bijgestaan door zijn advocaat mr. M. van Beek, alsmede de curator en zijn kantoorgenoot
mr. N. van Wandelen verschenen.
[betrokkene] heeft op zitting de rechtbank ex artikel 88 Fw Pro verzocht om het bevel tot inbewaringstelling op te heffen. Dit verzoek en de voordracht van de rechter-commissaris tot verlenging van de schorsing van het bevel tot inbewaringstelling zijn door de rechtbank op zitting behandeld.
2.
Het verzoek tot opheffing respectievelijk tot verlenging van de schorsing van het bevel tot inbewaringstelling
2.1.
Nadat de advocaat van [betrokkene] op zitting in eerste instantie primair had verzocht om de schorsing van het bevel tot inbewaringstelling te verlengen en subsidiair om dit bevel op het heffen, heeft [betrokkene] uitdrukkelijk verzocht het bevel op te heffen. Daarbij heeft [betrokkene] aangegeven dat hij dat het liefst wil. Het primaire verzoek tot verlenging van de schorsing wordt door de rechtbank daarom als ingetrokken beschouwd.
Bij zijn verzoek tot opheffing voert [betrokkene] aan dat hij zich door het bevel tot inbewaringstelling niet helemaal vrij voelt en dat hij ook bij opheffing van dit bevel bereid is om de met de curator gemaakte afspraken na te komen en zich periodiek bij de curator te melden.
2.2.
De voordracht van de rechter-commissaris tot verlenging van de schorsing van het bevel tot inbewaringstelling luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“De curator heeft mij bij berichten van 27 maart, 31 maart en 1 april 2026 nader geïnformeerd. De curator is van mening dat de schorsing van het bevel tot inbewaringstelling moet worden verlengd. Hij schrijft in zijn bericht van 27 maart 2026:

Op 6 maart jl. heeft de rechtbank de inbewaringstelling van de heer [betrokkene] geschorst tot en met 6 april a.s. Middels dit bericht informeer ik u over de ontwikkelingen sinds deze beslissing.
In overeenstemming met de door de rechtbank gestelde voorwaarden heeft de heer [betrokkene] wekelijks schriftelijk gerapporteerd over de door hem verrichte inspanningen. Daarnaast heeft wekelijks een persoonlijk overleg plaatsgevonden, waarbij tevens zijn advocaat, mr. Van Beek, en mijn kantoorgenoot, mr. Van Wandelen, aanwezig waren.
Uit de door de heer [betrokkene] overgelegde verslagen volgt dat hij zich de afgelopen weken actief heeft ingespannen om in contact te komen met de heer [A] . In dat kader is hij meermaals afgereisd naar [plaats] en heeft hij locaties bezocht waar hij in het verleden frequent verbleef en waar mogelijk nog relevante contacten aanwezig zijn. Ook heeft hij via Snapchat contact gelegd met voormalige bekenden.
Via deze weg heeft de heer [betrokkene] contact gehad met personen die opereren onder de aliassen “ [X] ” en “ [Y] ”, van wie wordt gesteld dat zij de heer [A] kennen. Uit de overgelegde Snapchatcorrespondentie, alsmede uit een geluidsopname, volgt dat “ [X] ” erin is geslaagd daadwerkelijk contact te leggen met de heer [A] . Op verzoek van de heer [betrokkene] heeft “ [X] ” getracht een fysieke ontmoeting op te zetten, doch deze afspraak is tweemaal op het laatste moment door de heer [A] afgezegd.
Tijdens het overleg vandaag (27 maart 2026) heeft de heer [betrokkene] aangegeven dat bij hem de indruk is ontstaan dat de heer [A] op de hoogte is geraakt van de pogingen om contact met hem te leggen vanwege het faillissement van [bedrijf] B.V. Vervolgens lijkt hij niet langer bereid te zijn om in contact te treden. De heer [betrokkene] heeft aangegeven zijn strategie aan te passen, in die zin dat hij tracht via voor de heer [A] onbekende derden opnieuw in contact te komen.
Voor de komende periode zijn met de heer [betrokkene] concrete afspraken gemaakt over de voortzetting van zijn inspanningen. Deze inspanningen richten zich op de volgende zes sporen:
Het opnieuw trachten te ontmoeten via een voor de heer [A] onbekende tussenpersoon;
Het bezoeken van een loods in [plaats] , welke in het verleden door de heer [betrokkene] en de heer [A] werd gehuurd, om informatie bij de eigenaar te krijgen;
Het achterhalen van de locatie waar de contante stortingen hebben plaatsgevonden en vervolgens nagaan of de heer [A] zich hier nog laat zien;
Het benaderen van een persoon die, zoals volgt uit de rekeningafschriften, een geldbedrag van de heer [A] heeft ontvangen;
Het leggen van contact met de makelaar van een loods die recent te koop is aangeboden en waarin voorheen een onderneming gevestigd was waaraan aanzienlijke betalingen door de heer [A] zijn verricht, teneinde informatie van de heer [A] te krijgen; en
Het alsnog trachten toegang te verkrijgen tot het voormalige e-mailaccount van de heer [betrokkene] .
De heer [betrokkene] heeft zich bereid verklaard zich in te spannen op bovengenoemde punten en hierover wederom wekelijks schriftelijk te rapporteren.
Gelet op de verrichte inspanningen en de nog lopende onderzoekslijnen acht ik een verlenging van de schorsing van de inbewaringstelling met een termijn van één maand opportuun. Deze verlenging biedt de heer [betrokkene] de gelegenheid om de ingezette acties voort te zetten. Met de heer [betrokkene] is besproken dat na afloop van deze termijn een herbeoordeling zal plaatsvinden.
Als bijlagen bij dit bericht treft u de verslagen aan die ik wekelijks van de heer [betrokkene] heb ontvangen.”
De curator schrijft in zijn bericht van 31 maart 2026:

De ontwikkelingen gaan inmiddels voortvarend en de informatie die ik u vrijdag jl. stuurde, kan ik inmiddels verder aanvullen. In algemene zin kan ik melden dat er behoudens de wekelijkse overleggen ook waar nodig tussentijds contact met de heer [betrokkene] en/of diens advocaat is om de ontwikkelingen te bespreken, maar ook de gezamenlijke acties te bepalen. Het is ook prettig om te merken dat de heer [betrokkene] woord houdt en de schorsing van de in bewaring stelling door de initiatieven daadwerkelijk voor meer informatie lijken te zorgen. Ik maak van de gelegenheid gebruik om de ontwikkelingen toe te lichten en zal dit tezamen met het beantwoorden van uw vragen te doen.
De meest hoopgevende ontwikkeling is dat de heer [betrokkene] naar eigen zegge een factuur van de boekhouder van de heer [A] heeft teruggevonden. Een kopie zou ik vandaag ontvangen, maar helaas is dat nog niet gebeurd. Op verzoek van de heer [betrokkene] en diens advocaat zal ik niet direct contact met de boekhouder opnemen, omdat de heer [betrokkene] eerst wil proberen via een tussenpersoon zelf nog contact met de heer [A] op te nemen. De heer [betrokkene] verwacht dat de boekhouder de heer [A] zal waarschuwen en contact daarna niet meer mogelijk is. Volgende week verwachten we duidelijkheid te hebben of de nieuwe poging om met [A] in contact te komen slaagt. Ik zal spoedig erna contact met de boekhouder opnemen.
In februari jl. hebben wij al telefonisch contact met de heer [B] gezocht. Dit is toen niet gelukt. Tijdens de laatste zitting liet mr. Van Beek, advocaat van de heer [betrokkene] , weten dat de heer [betrokkene] de heer [B] wel had gesproken en dat de heer [B] geen medewerking zal verlenen, omdat hij vreest dat het van invloed is op zijn eigen strafproces. De rechtbank schrijft in haar beschikking dat het zou kunnen dat de heer [B] tegenover de curator wel informatie zou willen verstrekken, zodat in ieder geval het verhaal van de heer [betrokkene] over het bestaan van [A] geverifieerd kan worden. Ik heb opnieuw een poging ondernomen om met de heer [B] in contact te komen, maar helaas ben ik er daar nog niet in geslaagd. Ik zal morgen nog een poging wagen en hopelijk kan ik op de zitting van donderdag de rechtbank aanvullend informeren. Mocht ik morgen opnieuw geen contact kunnen leggen, dan zal ik in de komende weken nog enkele pogingen ondernemen. Ik merk wel op dat zowel de heer [betrokkene] als diens advocaat ook in de afgelopen dagen weer te kennen hebben gegeven dat de heer [B] waarschijnlijk niet wil meewerken.
Anders dan de rechtbank in haar beschikking suggereert, hebben wij al bij aanvang van het faillissement contact met [onderneming] proberen op te nemen via de gegevens die op internet staan. Dit heeft toen geen resultaat opgeleverd. Desalniettemin heb ik opnieuw een poging gewaagd en ook deze keer kreeg ik geen gehoor. Ook de heer [betrokkene] lukte het aanvankelijk niet om contact te leggen, zo gaf hij in het gesprek van vorige week nog aan. Om die reden zou hij zelf naar [plaats] gaan in de hoop dat hij de voormalig verhuurder daar tegenkomt. Inmiddels is het de heer [betrokkene] gelukt een mobiel nummer te achterhalen en contact te krijgen. De heer [betrokkene] heeft mij toegezegd het nummer te sturen, zodat ik zelf contact kan leggen. Ik hoop voor de zitting van donderdag nog contact te leggen.
Gelet op het feit dat mijn onderzoek aanvankelijk ‘vastzat’ en de positieve ontwikkelingen sinds de schorsing van de in bewaring stelling en de ook de wil van de heer [betrokkene] om vervolg te geven aan het plan van aanpak meen ik dat het handhaven van de schorsing noodzakelijk is om alsnog informatie over de heer [A] te verkrijgen. Dit is overigens vandaag ook als zodanig met de heer [betrokkene] en diens advocaat besproken en partijen lijken op één lijn te zitten.
Ik hoop dat dit bericht een goed beeld geeft van de ontwikkelingen en ook welke acties er in de afgelopen periode zijn genomen en in de komende dagen en weken op de planning staan.”
De curator schrijft in zijn bericht van 1 april 2026:

In aanvulling op mijn bericht van gisteren (31 maart) laat ik u weten dat ik vanmorgen telefonisch contact met de heer [C] heb gehad. Van het gesprek heb ik bijgaande notitie gemaakt.
Ook heb ik de heer [B] vanochtend nog proberen te bellen, maar het is opnieuw niet gelukt hem te spreken.”
In de genoemde notitie staat:
Telefoonnotitie
Op 1 april 2026 heb ik (Jelle Beerens) in het faillissement van [bedrijf] B.V. telefonisch gesproken met [C] (06- [nummer] ). De heer [C] wilde telefonisch wel zijn verhaal doen, maar geen schriftelijke verklaring afleggen of een gespreksverslag bevestigen. Hij heeft geen goed gevoel aan de huurder [bedrijf] B.V. [“ [gefailleerde] ”] overgehouden en wil niet meer in deze kwestie betrokken worden. De heer [C] vertelde dat [gefailleerde] de ruimte slechts enkele maanden heeft gehuurd. In de praktijk is de locatie slechts enkele weken gebruikt. [gefailleerde] was een ijzerhandel. De heer [C] meent dat er drie tot vier ladingen (containers) oudijzer uitn Engeland (met vrachtwagens met Brits kentekens) zijn binnengekomen. De heer [C] heeft zich verbaasd over de handel. Het was werkelijk oudijzer (geen koper of rvs met enige waarde) en het volume was veel te klein om met het sorteren ervan winst te kunnen maken. Al snel bekroop de heer [C] het gevoel dat de waarde niet in het oudijzer zat, maar in een hierin verborgen vracht. Wat die vracht was, weet de heer [C] niet en hij wil hierover ook niet speculeren. Er waren twee vaste gezichten bij [gefailleerde] . De heer [C] omschrijft een jongeman met een baardje en een donker getinte man. Beide heren waren altijd erg vriendelijk. Navraag leert dat de jongeman met baardje [betrokkene] is. Via [betrokkene] liep ook het contact. De heer [C] had de indruk dat [betrokkene] als stroman fungeerde voor de ander. [betrokkene] oogde namelijk vaak erg nerveus en leek geen zeggenschap te hebben. De heer [C] kon zich geen naam van de andere persoon herinneren. De naam [A] zegt hem niets. De heer [C] herinnert zich dat er enkele keren zwarte jonge mannen aan het werk waren voor [gefailleerde] . Zij spraken geen Nederlands en stonden ook niet open voor een gesprek. De heer [C] heeft waargenomen dat er enkele keren auto’s met Duitse kentekens op het terrein kwamen. De mannen in de auto’s keken rond in het oudijzer en leken ook sorteerwerkzaamheden te verrichten. De heer [C] had geen goed gevoel bij deze activiteiten en heeft de huur om die reden vrij snel beëindigd. De heer [C] heeft geen contactgegevens van mensen van [gefailleerde] meer. Wel kan hij zich herinneren dat [gefailleerde] van een gehuurde mobiele kraan gebruik maakte. Het verhuurbedrijf kan hij zich niet meer herinneren, maar dat zou [betrokkene] volgens hem moeten weten. Hij doet de suggestie om met dit bedrijf contact op te nemen.
Hoewel de meer coöperatieve houding van de heer [betrokkene] tot nadere informatie heeft geleid, heeft de curator nog steeds geen contactgegevens van de gestelde feitelijk leidinggevende en boekhouder van gefailleerde ontvangen. Ik acht de druk van een geschorste inbewaringstelling nog steeds nodig om de heer [betrokkene] aan zijn faillissementsrechtelijke verplichtingen te laten voldoen”.
[einde citaat]
2.3.
De curator heeft op zitting, in aanvulling op de voordracht van de rechter-commissaris, aangegeven het bevel tot inbewaringstelling met de verlengde schorsing als stok achter de deur te willen houden om daarmee bij [betrokkene] de druk erop te houden om contactgegevens van de feitelijk leidinggevende te achterhalen.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 87 Fw Pro geeft de rechtbank de discretionaire bevoegdheid de inbewaringstelling van een bestuurder van de gefailleerde te bevelen wegens het niet nakomen van de verplichtingen die de wet hem in verband met het faillissement oplegt, dan wel wegens gegronde vrees voor het niet nakomen van zodanige verplichtingen. Bij de beslissing of de gefailleerde op grond van artikel 87 lid 1 Fw Pro in verzekerde bewaring moet worden gesteld is de in artikel 587 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering voor de toepassing van lijfsdwang voorgeschreven maatstaf -met de daarin besloten liggende eisen van proportionaliteit en subsidiariteit- van overeenkomstige toepassing. Die maatstaf volgt uit de wet en is volgens de bestaande rechtspraak niet in strijd met artikel 5 en Pro 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) (HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:51). De rechtbank dient mede in verband met het bepaalde in artikel 5 EVRM Pro te onderzoeken of er op basis van de huidige stand van zaken nog gronden aanwezig zijn die de voortduring van de inbewaringstelling en daarmee de inbreuk op de persoonlijke vrijheid van [betrokkene] rechtvaardigen. Daarbij dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van de persoonlijke vrijheid van [betrokkene] enerzijds en de bij inbewaringstelling betrokken belangen – waaronder het belang van de inlichtingen- en medewerkingsplicht – anderzijds. In het licht van het uit het EVRM voortvloeiende subsidiariteitsbeginsel dient onderzocht te worden of het met de inbewaringstelling beoogde doel niet op minder ingrijpende wijze kan worden bereikt. Schorsing van het bevel tot inbewaringstelling, zo nodig onder het stellen van voorwaarden, kan een dergelijke minder ingrijpende wijze vormen om het beoogde doel te bereiken.
3.2.
Met de voordracht tot verlenging van de schorsing van het bevel tot inbewaringstelling wordt kennelijk beoogd dat de curator van [betrokkene] alsnog contactgegevens van de gestelde feitelijk leidinggevende en van de boekhouder van gefailleerde ontvangt.
3.3.
Uit de in de voordracht opgenomen berichtgeving van de curator alsook uit dat wat op zitting is gezegd, volgt dat [betrokkene] zich aan de schorsing gestelde voorwaarden houdt en dat hij zich actief en coöperatief opstelt om voormelde contactgegevens te (laten) achterhalen. Dit heeft er inmiddels toe geleid dat de contactgegevens van de boekhouder bij de curator bekend zijn. De door [betrokkene] getoonde inspanningen hebben nog niet tot resultaat gehad dat ook de contactgegevens van de feitelijk leidinggevende bij de curator zijn aangeleverd. Het uitblijven van dit resultaat kan evenwel op zichzelf beschouwd niet tot de conclusie leiden dat [betrokkene] de op hem in dit faillissement rustende wettelijke verplichtingen op dit moment onvoldoende naleeft. Daarvoor ontbreken ook overigens aanwijzingen. Gesteld noch gebleken is van recente feiten en omstandigheden die de kennelijk bij de rechter-commissaris en curator bestaande vrees doen rechtvaardigen dat [betrokkene] bij het opheffen van het bevel tot inbewaringstelling in het naleven van voormelde verplichtingen tekort zal schieten. Dat [betrokkene] eerder deze verplichtingen onvoldoende heeft nageleefd, is daartoe onvoldoende. Uitgaande van de huidige coöperatieve opstelling van [betrokkene] en de door hem verrichtte inspanningen, is voldoende aannemelijk dat hij zich aan zijn toezegging zal houden dat hij ook bij opheffing van dit bevel de met de curator gemaakte afspraken na zal komen en zich periodiek bij de curator zal melden.
3.4.
Deze afspraken zien op een zestal tussen de curator en [betrokkene] voor de komende periode overeengekomen actiepunten. Uit het bericht van de curator van 1 april 2026 en dat wat op zitting is gezegd, volgt dat de actiepunten 2 en 6 al zijn uitgevoerd. Tevens zijn de in actiepunt 3 bedoelde locaties al achterhaald. Weliswaar heeft de curator met [betrokkene] afgesproken dat [betrokkene] zelf de actiepunten 4 en 5 zal uitvoeren, maar gelet op de inhoud en aard van deze actiepunten acht de rechtbank de curator voor uitvoering daarvan de meest aangewezen persoon. Verder valt te betwijfelen of met uitvoering van de actiepunten 1 en 3 uiteindelijk wel de contactgegevens van de feitelijk leidinggevende van gefailleerde kunnen worden achterhaald. Daarbij neemt de rechtbank mee dat op zitting naar voren is gekomen dat bij de curator en [betrokkene] de indruk bestaat dat deze persoon ervan op de hoogte is dat de curator naar hem op zoek is en zich daaraan tracht te onttrekken.
3.5.
Gelet op het bepaalde in artikel 87 lid 1 Fw Pro en de overwegingen onder 3.3. en 3.4. is de rechtbank van oordeel dat op dit moment geen grond meer bestaat om het bevel tot inbewaringstelling te handhaven. Het verzoek tot opheffing van dit bevel wordt daarom toegewezen en het verzoek tot verlenging van de schorsing van het bevel wordt afgewezen.
3.6.
Dat neemt niet weg dat [betrokkene] onverminderd gehouden blijft om de op hem rustende verplichtingen na te komen. Zo is [betrokkene] bijvoorbeeld verplicht de curator en de rechter-commissaris alle inlichtingen te verschaffen als dit van hem wordt verlangd en op de wijze zoals daarbij is bepaald. Verder dient [betrokkene] de curator op eigen initiatief in te lichten over feiten en omstandigheden waarvan hij weet of behoort te weten dat deze voor de omvang, het beheer of de vereffening van de boedel van belang zijn. Daarnaast dient [betrokkene] de curator alle medewerking te verlenen aan het beheer en de vereffening van de boedel. Komt [betrokkene] deze verplichtingen wederom niet of onvoldoende na dan kan op voordracht van de rechter-commissaris dan wel op verzoek van de curator door de rechtbank opnieuw de inbewaringstelling van [betrokkene] worden bevolen als daar voldoende reden voor aanwezig is.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst toe het verzoek tot opheffing van het bevel tot inbewaringstelling van [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1999, wonende te [woonplaats] aan de [adres] ;
4.2.
wijst af het verzoek tot verlenging van de schorsing van dit bevel tot inbewaringstelling.
Deze beslissing is gegeven door mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier . [1]
De rechter is buiten staat
dit vonnis te ondertekenen