Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
De bewijsvraag.
disclosure-getuige. Ook andere waarnemingen van getuigen die weliswaar niet de verweten seksuele handelingen bevestigen, maar wel binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend zijn, kunnen een rol van betekenis spelen en als steunbewijs dienen. In dit kader mag echter geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband tussen de voornoemde verklaring (aangifte) en het overige bewijsmateriaal.
De rechtbank stelt vast dat aangeefster consistent en gedetailleerd heeft verklaard over zowel de omstandigheden rondom de seksuele handelingen als over de seksuele handelingen zelf. Dit geldt zowel voor wat aangeefster direct de volgende ochtend heeft verklaard toen de politie ter plaatse kwam, als wat zij heeft verklaard bij het informatieve gesprek later die dag, als hetgeen zij heeft verklaard in haar aangifte en later als getuige tegenover de rechter-commissaris. Verschillende onderdelen van haar verklaring vinden bovendien bevestiging in bijvoorbeeld berichten die zij die nacht aan haar huisgenoot heeft gestuurd en ook in de verklaring van de verdachte zelf. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de verklaring van aangeefster te twijfelen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en zal haar verklaring daarom als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf en/of maatregel.
Beslag.
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
gevangenisstrafvoor de duur van
24 maanden.
legtaan de verdachte
opde verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 5.000,- euro en bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk
toeen veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van
5.000,- euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
teruggavevan de inbeslaggenomen goederen, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen: