Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2060

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
12033562 \ EJ VERZ 25-585
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • A. Wijsman - Van Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 BWArt. 7:678 BWArt. 7:671 BWArt. 7:681 BWArt. 7:673 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens ongeoorloofd raadplegen BRP bevestigd, transitievergoeding toegekend

Een werknemer bij de gemeente Land van Cuijk werd op staande voet ontslagen nadat uit een intern onderzoek bleek dat zij herhaaldelijk zonder functionele noodzaak persoonsgegevens van een inwoner en diens moeder had geraadpleegd in de Basisregistratie Personen (BRP). De werknemer betwistte het ontslag en verzocht om vernietiging, stellende dat het ontslag niet onverwijld was gegeven en dat er geen dringende reden was.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag onverwijld en rechtsgeldig was gegeven. De gemeente had volgens de procedure voortvarend gehandeld en het onderzoek zorgvuldig uitgevoerd. Het raadplegen van vertrouwelijke gegevens zonder geldige reden werd als een ernstig plichtsverzuim beschouwd dat een dringende reden voor ontslag oplevert.

Hoewel de werknemer verwijtbaar handelde, was zij in een emotioneel zware periode vanwege een traumatische scheiding en psychische klachten. Dit leidde ertoe dat de kantonrechter het verwijt niet als ernstig genoeg beoordeelde om de transitievergoeding uit te sluiten. De gemeente werd veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van €37.198,61, vermeerderd met wettelijke rente. Verzoeken tot loonbetaling en vernietiging van het ontslag werden afgewezen.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig, maar de werknemer krijgt een transitievergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer / rekestnummer: 12033562 \ EJ VERZ 25-585
Beschikking van 1 april 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. M.S. Bugter,
tegen
GEMEENTE LAND VAN CUIJK,
statutair gevestigd te Boxmeer,
verwerende partij,
hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigde: mr. M.J. Hofste.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van een ontslag op staande voet. De kantonrechter wijst het verzoekt af, omdat het ontslag rechtsgeldig is. Wel wordt werkgever veroordeeld in betaling van de transitievergoeding, omdat niet gebleken is van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer.

1.De procedure

1.1.
[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om onder meer een ontslag op staande voet te vernietigen middels een verzoekschrift en bijlagen. De gemeente heeft een verweerschrift ingediend met een voorwaardelijk tegenverzoeken en bijlagen.
1.2.
Op 4 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De gemachtigden van partijen hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen, zodat die aan het procesdossier zijn toegevoegd.
1.3.
Tenslotte is de beschikking bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1967, is sinds 18 maart 2004 in dienst bij de gemeente. De functie van [verzoekster] is senior medewerker burgerzaken met een loon van € 4.464,00 bruto per maand. In het kader van haar functie, raadpleegt [verzoekster] met regelmaat de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).
2.2.
Op de arbeidsovereenkomst is de cao Gemeenten van toepassing, alsook het personeelshandboek en de daarin opgenomen Gedragscode.
2.3.
[verzoekster] heeft de ambtsbelofte zoals in artikel 1:16 lid 4 BW Pro afgelegd.
Achtergrond
2.4.
Op 19 september 2024 is [verzoekster] ziek uitgevallen wegens werk- en niet werk-gerelateerde klachten. Op 21 oktober 2024 is [verzoekster] volledig hersteld gemeld, waarna zij op 28 oktober 2024 opnieuw gedeeltelijk is uitgevallen. Op 27 januari 2025 is [verzoekster] weer volledig hersteld gemeld.
2.5.
De huisarts van [verzoekster] schrijft in het huisartsenjournaal op 23 september 2024:
“Haar leven staat op de kop. Wat eerst begon als goede scheiding is een drama geworden door het feit dat zij 9 maanden voorgelogen is. Zij is zo ontzettend boos, tot 2 keer toe hem aangevlogen, veel alcohol gedronken afgelopen tijd. En nog steeds liegt hij, want hij vertelde de andere relatie te hebben beëindigd, er zou geen contact meer zijn, kijkt zij in zijn telefoon blijkt hij een have dag met haar gebeld te hebben… Het is echt crisis voor haar… Al hun gezamenlijk vrienden wisten van zijn relatie, niemand heeft het haar verteld, dus kan zij nu niemand meer vertrouwen en heeft gebroken met deze vrienden.”In de daaropvolgende periode tot 30 december 2024 noteert de huisarts meermaals dat er sprake is van “paniek bij scheiding” en wordt [verzoekster] doorverwezen naar de psycholoog.
Ontslag op staande voet
2.6.
Op 16 oktober 2025 heeft de gemeente een verzoek tot inzage in persoonsgegevens ontvangen van een inwoner van de gemeente. Dit verzoek is vervolgens in behandeling genomen overeenkomstig de procedureregels die daarvoor door de gemeente zijn opgesteld.
2.7.
Op 5 november 2025 is het inzageonderzoek afgerond. Uit dit inzageonderzoek is gebleken dat [verzoekster] in de periode tussen 15 augustus 2024 tot en met 13 mei 2025 meerdere niet functionele raadplegingen van de BRP heeft gedaan ten aanzien van de betreffende inwoner:
Alsook de moeder van die inwoner:
2.8.
Op 6 november 2025 zijn de resultaten van het onderzoek met [verzoekster] gedeeld. Vervolgens is [verzoekster] diezelfde dag op staande voet ontslagen. De gemeente heeft het gegeven ontslag op staande voet per brief aan [verzoekster] bevestigd. In de brief is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

Naar aanleiding van een inzageverzoek van een inwoner is er op 5 november 2025 een intern onderzoek gestart wie haar persoonslijst in de Basisregistratie Personen (BRP) heeft geraadpleegd en met welke reden. Hieruit is gebleken dat jij in de periode augustus 2024 tot en met mei 2025 in totaal zeven keer de persoonsgegevens van deze inwoner hebt geraadpleegd. Daarnaast blijkt dat je ook inzage hebt gehad in het dossier van haar moeder. Deze raadplegingen betroffen dus geen eenmalig incident, maar vonden herhaaldelijk plaats zonder dat daar een geldige functionele aanleiding voor was. Omdat er geen rechtvaardiging is gevonden voor jouw handelen, hebben wij vandaag met jou hierover een gesprek gevoerd.
(…)
Onze beslissing
De gemeente beschouwt dit als een zeer ernstige zaak. De BRP bevat vertrouwelijke persoonsgegevens die uitsluitend mogen worden geraadpleegd voor de uitoefening van jouw functie. Door deze gegevens zonder functionele noodzaak en voor privédoeleinden te raadplegen, heb je misbruik gemaakt van je bevoegdheden als ambtenaar en in strijd gehandeld met onze gedragscode (hoofdstuk 10).
(…)
Wij kwalificeren jouw handelen, zowel op zichzelf staand als in onderlinge samenhang beschouwd, een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW Pro. Gelet op de aard, de herhaling en de duur van de gedragingen was ontslag op staande voet onvermijdelijk. De persoonlijke omstandigheden en de duur van je dienstverband zijn in de belangenafweging betrokken, maar leiden niet tot een ander oordeel. Met deze brief bevestigen wij het ontslag op staande voet.”
2.9.
De inwoner wiens gegevens zijn ingezien door [verzoekster] is de nieuwe vriendin van de ex-man van [verzoekster] . Ook de gegevens van de moeder van de nieuwe vriendin van de ex-man van [verzoekster] heeft [verzoekster] in de BPR geraadpleegd.
2.10.
[verzoekster] komt middels onderhavige procedure op tegen het gegeven ontslag op staande voet.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter, primair, het ontslag op staande voet te vernietigen en de gemeente te veroordelen tot betaling van loon en subsidiair om toekenning van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding, onder verstrekking van een correcte eindafrekening. Daaraan legt [verzoekster] ten grondslag dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, alsook dat er geen sprake is van een dringende reden. Voor zover de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd door het ontslag op staande voet, verzoekt [verzoekster] , meer subsidiair, om toekenning van de transitievergoeding, onder verstrekking van een correcte eindafrekening. In alle gevallen verzoekt [verzoekster] om de wettelijke rente over de voornoemde bedragen en veroordeling van de gemeente in de proceskosten.
3.2.
De gemeente voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. De gemeente voert ‑ samengevat ‑ aan dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven en dat sprake is van een dringende reden die onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Voor zover het gegeven ontslag op staande voet vernietigd wordt, verzoekt de gemeente (voorwaardelijk) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van, primair, verwijtbaar handelen (e-grond), subsidiair verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair cumulatiegrond (i-grond), zonder toekenning van de transitievergoeding, dan wel matiging daarvan. In alle gevallen verzoekt de gemeente om veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

4.De beoordeling

Is het ontslag op staande voet rechtsgeldig?
4.1.
[verzoekster] verzoekt primair om vernietiging van het ontslag op staande voet. Ter beantwoording ligt de vraag voor of dit ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Volgens artikel 7:677 lid 1 BW Pro moet een ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven, met gelijktijdige mededeling van de dringende reden voor dat ontslag.
4.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet rechtsgeldig. Daarover wordt het volgende overwogen.
De onverwijldheid
4.3.
Het gaat er in het kader van de onverwijldheidseis van artikel 7:677 lid 1 BW Pro om dat de werkgever na het ontdekken van de als dringend reden kwalificerende handeling onverwijld handelt en zo spoedig mogelijk ontslag verleent. Mits met de nodige voortvarendheid wordt gehandeld is er gelegenheid voor het instellen van een onderzoek, het horen van de werknemer, voor intern overleg en voor het inwinnen van (juridisch) advies. Gelet op de verstrekkende gevolgen van het ontslag op staande voet voor de werknemer getuigt dit zelfs van zorgvuldigheid. Daarbij ligt de bewijslast, dat voortvarend gehandeld is, bij de werkgever.
4.4.
[verzoekster] stelt dat het ontslag niet onverwijld is gegeven. In dat kader verwijst zij naar het door haar overgelegde overzicht inzake BRP-raadplegingen (productie 19). Daaruit volgt dat het inzageverzoek op 22 oktober 2025 in behandeling is genomen, zodat het verzoek daartoe vermoedelijk op diezelfde dag, maar waarschijnlijk eerder, bij de gemeente is ingediend. De gemeente was vanaf dat moment (22 oktober 2025) dus op de hoogte van de dringende reden. De gemeente is echter – overeenkomstig de ontslagbrief – pas op 5 november 2025 gestart met het onderzoek daarnaar, zodat de gemeente het verwijt niet voortvarend heeft onderzocht, althans niet onverwijld heeft meegedeeld nadat de dringende reden die tot het ontslag heeft geleid bij de gemeente bekend was.
De gemeente betwist dat en voert aan dat zij voortvarend te werk is gegaan. In dat kader heeft zij toegelicht dat:
 op 16 oktober 2025 de functionaris gegevensbescherming (van de gemeente) (hierna: FG) het inzageverzoek heeft ontvangen.;
 op 20 oktober 2025 de FG een bevestigingsbrief aan de inwoner heeft verzonden met de mededeling dat de identiteit van de inwoner moet worden vastgesteld;
 op 22 oktober 2025 de identiteit van de inwoner is vastgesteld;
 op (vrijdag) 24 oktober 2025 de FG een e-mail heeft verzonden naar de manager Burgerzaken (hierna MBZ) inzake het inzageverzoek met de vraag om mee te delen met welke reden/ welk doel en op basis van welke grondslag de gegevens van de inwoner zijn geraadpleegd en verwerkt;
 op (maandag) 27 oktober 2025 de e-mail door MBZ is doorgezet naar de applicatiebeheerder burgerzaken om informatie te verkrijgen over de logins die de inwoner betreffen;
 vervolgens de applicatiebeheerder samen met de kwaliteitsadviseur onderzoek heeft gedaan naar de doelmatigheid van de raadpleging;
 op 5 november 2025 door de applicatiebeheerder en de kwaliteitsadviseur aan de MBZ is teruggekoppeld dat uit het onderzoek geen doelbepaling blijkt;
 op 5 november 2025, als gevolg van de terugkoppeling uit het onderzoek, bij de MBZ het vermoeden bestond dat de raadpleging niet doelmatig, maar door privéredenen waren ingegeven;
 op 6 november 2025 hierover een gesprek is geweest tussen [verzoekster] en de MBZ, waarin [verzoekster] heeft erkend zonder doelbepaling de gegevens van de inwoner en haar moeder te hebben geraadpleegd.
4.5.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de gemeente voldoende onderbouwd dat zij voortvarend heeft gehandeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemeente toegelicht dat zij procedureregels heeft aan de hand waarvan zij een inzageverzoek behandelt en in dat kader verwezen naar de door haar overgelegde productie 9. Die procedure heeft zij gevolgd (zie punt 4.4), waarbij zij heeft toegelicht dat het onderzoek meer behelst dan het uitsluitend raadplegen van het BRP. Het BRP is één van de applicaties om te bezien of gegevens met een doel zijn opgezocht, maar dat is niet uitputtend. Als uit het BRP geen doelbepaling blijkt, dient de gemeente (in dit geval de applicatiebeheerder) verder te onderzoeken via andere systemen of de gegevens in het BRP met een ander doel zijn geraadpleegd. Dat uit het BRP geen doelbepaling volgt – zoals door [verzoekster] aangevoerd – brengt daardoor niet per definitie met zich mee dat het BRP zonder functionele reden is geraadpleegd (en alsdan de dringende reden bekend was). Weliswaar heeft de gemeente op 27 oktober 2025 geconstateerd dat [verzoekster] degene is geweest die het BRP heeft geraadpleegd en uit het BRP bleek dat dit vooralsnog zonder doelbepaling is gebeurd, maar om er zeker van te zijn dat er geen functionele reden was heeft de gemeente nader onderzoek gedaan (in andere systemen). Temeer omdat de gemeente onweersproken heeft toegelicht dat [verzoekster] in het kader van haar functie veelvuldig inzage had in het BRP en dat gegeven op zichzelf (dus dat [verzoekster] het BRP heeft geraadpleegd) niet direct tot de conclusie leidt dat het een niet functionele raadpleging is. Dat onderzoek is op 5 november 2025 afgerond en het resultaat daarvan teruggekoppeld aan de MBZ (zodat toen pas de dringende reden bekend was bij de tot ontslag bevoegde persoon), waarna op 6 november 2025 de gemeente is overgegaan tot het horen van [verzoekster] en het geven van het ontslag op staande voet. [verzoekster] heeft de procedureregels die doorlopen moeten worden bij de behandeling van een inzageverzoek niet weersproken, maar aangevoerd dat zij het vermoeden heeft dat het onderzoek ‘is blijven liggen’ vanwege een drukke periode bij de gemeente vanwege de Tweede Kamer verkiezingen en de gemeente haar inzet gedurende die periode nog kon gebruiken. Dit is echter – in het licht van de gemotiveerde onderbouwing door de gemeente – onvoldoende.
4.6.
Met het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de gemeente voldoende voortvarend heeft gehandeld. Het ontslag is dus onverwijld verleend.
Dringende reden
4.7.
Als dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW Pro worden op grond van artikel 7:678 lid 1 BW Pro beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet zou hebben.
4.8.
Dat [verzoekster] meerdere keren zonder functionele reden de gegevens van de inwoner (en haar moeder) in het BRP heeft geraadpleegd, staat vast. [verzoekster] betwist dat ook niet. [verzoekster] voert echter aan dat, in de gegeven omstandigheden, het niet functioneel raadplegen van het BRP geen dringende reden oplevert, omdat zij door deze sanctie (een ultimum remedium) onevenredig zwaar en disproportioneel wordt getroffen. Daarvoor voert zij aan dat tijdens het raadplegen van het BRP zij psychisch in de war was. Bovendien blijkt nergens uit dat het zonder doelbepaling raadplegen van de BRP gesanctioneerd wordt met een ontslag op staande voet en voert de gemeente in dat kader een inconsistent beleid. Daarnaast heeft de gemeente haar zorgplicht geschonden, heeft [verzoekster] haarzelf benadeeld met het raadplegen van de gegevens van de inwoner (en haar moeder) en betreft het een gedateerde overtreding.
4.9.
De kantonrechter volgt [verzoekster] hierin niet. Hoewel de kantonrechter – en samen met de kantonrechter ook de gemeente – begrip heeft voor de (emotioneel) lastige periode waar [verzoekster] doorgeen is gegaan vanwege privéomstandigheden en zij daardoor psychisch in de war was, rijmt dat niet met haar verklaring dat zij graag aan het werk was vanwege de afleiding die het werk bracht. [verzoekster] was dus niet zodanig beperkt door haar psychische klachten dat zij niet kon werken (met uitzondering van de periode 19-9-2024 t/m 27-1-2025 toen zij ziekgemeld was). Bovendien heeft [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat – nadat zij 27 januari 2025 volledig hersteld was gemeld – het beter met haar ging. Dat was overigens niet meteen vanaf februari 2025 het geval, want toen nam [verzoekster] nog extra verlofdagen op om te herstellen, maar vanaf maart 2025 was zij – naar haar eigen zeggen – uit het dal gekropen en ging het psychisch weer beter met haar. Daarom is het opvallend dat na maart 2025, toen het weer beter ging met [verzoekster] (en dus geen sprake meer was van psychische problematiek) zij alsnog zonder functionele reden de gegevens van de inwoner in het BRP heeft geraadpleegd. Voor zover de psychische problematiek de niet functionele inzage in het BRP disculpeert, geldt dat in ieder geval niet voor de periode na maart 2025 waarin [verzoekster] wél nog een keer het BRP niet functioneel heeft geraadpleegd (te weten in mei 2025).
4.10.
Ook het verweer dat de sanctie van een ontslag op staande voet niet als zodanig vooraf aan [verzoekster] is kenbaar gemaakt, baat haar niet. Anders dan bij zogenoemde ‘bagatelzaken’, geldt in dit geval geen verplichting voor de gemeente om vooraf de mogelijkheid van een ontslag op staande voet als sanctie te communiceren. Het zonder functionele reden inzien van BRP gegevens – en daarmee misbruik maken van een ambtsbevoegdheid – is immers een grote inbreuk op de integriteit die van een ambtenaar van de burgerlijke stand mag worden verwacht. Dat levert een ernstig plichtsverzuim op en is daarmee niet een relatief klein vergrijp. De vergelijking van [verzoekster] met de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 januari 2022 gaat daarom mank, nu die zaak een bagatelzaak betrof. Bovendien is ter zitting gebleken dat [verzoekster] wist dat het haar niet was toegestaan om zonder functionele reden het BRP te raadplegen en spreekt de Gedragscode – waarvan [verzoekster] eveneens wetenschap heeft – over een disciplinaire maatregel bij schending van goed ambtenaarschap.
4.11.
Daarbij is de kantonrechter van oordeel dat [verzoekster] wist, althans behoorde te weten, dat het zonder functionele reden inzien van het BRP een schending van goed ambtenaarschap is. In zoverre gaat het argument van [verzoekster] dat zij enkel zichzelf heeft benadeeld met haar handelingen of dat de handelingen gedateerd zijn, ook niet op. Dat doet immers niets af aan het ernstige plichtsverzuim van [verzoekster] .
4.12.
Verder volgt de kantonrechter [verzoekster] evenmin in haar stelling dat de gemeente een inconsistent beleid voert. Weliswaar heeft [verzoekster] twee situaties voorgedragen uit het verleden waarin volgens haar ook zonder functionele reden het BRP was geraadpleegd, maar in die gevallen geen ontslag op staande voet volgde. Dit is – gelet op de gemotiveerde betwisting door de gemeente op zitting – onvoldoende komen vast te staan. Zo heeft de gemeente toegelicht dat in de eerste situatie – waarin het ging om een informatieve vraag van de MBZ aan [verzoekster] met betrekking tot een geregistreerd partnerschap – onduidelijk was dat voor beantwoording voor die vraag raadpleging van het BRP noodzakelijk was (hetgeen overigens door de gemeente ter zitting is betwist). In de tweede situatie – waarin het ging om het raadplegen van het BRP door een ambtenaar (geen ambtenaar van de burgerlijke stand) ter zake gegevens van een andere collega van de gemeente – de gemeente voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dat een niet vergelijkbare situatie betrof. In die (tweede) situatie was voor de gemeente onduidelijk gebleven of de collega waarvan de gegevens waren ingezien daarvoor toestemming had verleend. Dat maakte dat de gemeente in die situatie met een schriftelijke waarschuwing heeft volstaan. Bovendien heeft de gemeente onweersproken gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 maart 2017, waarin binnen haar gemeente eveneens een onvoorwaardelijk ontslag (ontslag op staande voet) was verleend wegens het zonder functionele reden inzien van het BRP. [1]
4.13.
[verzoekster] heeft op het punt van het inconsistente beleid van de gemeente nog een bewijsaanbod gedaan, maar dat bewijsaanbod wordt gepasseerd. [verzoekster] biedt namelijk bewijs aan van haar stelling dat het vaker voorkomt dat het BRP zonder functionele reden/doelbepaling wordt geraadpleegd, maar die feiten (zouden ze komen vast te staan) onderbouwen niet dat de gemeente een inconsistent beleid voert. Om inconsistent beleid van de gemeente te kunnen vaststellen gaat het er immers om dat de gemeente wetenschap heeft van het niet functioneel raadplegen van het BRP en alsdan in gelijke gevallen verschillende sancties oplegt. Het door [verzoekster] gedane bewijsaanbod onderbouwt die stelling niet.
4.14.
Tenslotte heeft [verzoekster] nog gesteld dat de gemeente haar zorgplicht heeft geschonden, maar dat blijkt nergens uit. De gemeente heeft onweersproken aangevoerd dat zij telkens de adviezen van de bedrijfsarts heeft opgevolgd en bovendien neemt [verzoekster] ten aanzien van haar psychische situatie en in hoeverre dat van invloed was op haar werk tegenstrijdige stellingen in, zodat ook dit verweer niet slaagt.
4.15.
Met het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat het zonder functionele reden/doelbepaling inzien van gegevens in het BRP door [verzoekster] , een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert.
Conclusie
4.16.
Nu vast staat dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, er sprake is van een dringende reden en niet ter discussie staat dat die dringende reden gelijktijdig aan [verzoekster] is meegedeeld, is de kantonrechter van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De lange staat van dienst van [verzoekster] en het feit dat het ontslag voor haar grote financiële en persoonlijke gevolgen heeft (gehad), leggen onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.
Geen vernietiging van het ontslag
4.17.
Uit artikel 7:681 lid Pro 1, onderdeel a BW, volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW Pro. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zal het verzoek van [verzoekster] om vernietiging van het ontslag worden afgewezen. Er is immers geen sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW Pro, zodat er ook geen grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW Pro.
4.18.
Het voorgaande betekent dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd op 6 november 2025, zodat ook de verzoeken tot wedertewerkstelling en doorbetaling van loon worden afgewezen.
Billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding
4.19.
Subsidiair verzoekt [verzoekster] onder meer om veroordeling van de gemeente tot betaling van een billijke vergoeding en een gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging. Hieraan legt [verzoekster] ook ten grondslag dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Hiervoor is echter al geoordeeld dat het ontslag op staande voet wel rechtsgeldig is, zodat ook deze verzoeken worden afgewezen.
Transitievergoeding
4.20.
Meer subsidiair verzoekt [verzoekster] ook bij een rechtsgeldig ontslag op staande voet om veroordeling van de gemeente tot betaling van de transitievergoeding. Op grond van artikel 7:673 lid Pro 7, onderdeel c, BW is de transitievergoeding niet verschuldigd, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. De gemeente heeft met een beroep op dit artikel betaling van de transitievergoeding geweigerd.
4.21.
De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, omdat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor een ontslag op staande voet. Een dringende reden valt echter niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. De kantonrechter is daarbij van oordeel dat weliswaar sprake is van verwijtbaar handelen aan de zijde van [verzoekster] (die een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt), maar niet dat dit handelen dermate ernstig is dat zij hierdoor geen recht meer heeft op de transitievergoeding. Daarvoor is het volgende redengevend.
4.22.
[verzoekster] heeft de verwijtbare handelingen verricht in een periode waarin zij – vanwege privéomstandigheden – emotioneel zwaar belast is geweest. Van deze periode staat vast dat [verzoekster] psychische zeer labiel was, boos was en radeloos handelde. Dat blijkt zowel uit de gegevens van de huisarts (r.o. 2.5) als uit de bevindingen van de psycholoog van 18 december 2025:
“Bovengenoemde cliënt is verwezen in verband met moeite met het loslaten van ex-partner na traumatische scheiding na vreemdgaan partner (…) Zij presenteert zich met klachten van intens verdriet, boosheid, wanhoop, aanhoudende stress en angst, paniekgevoelen, suïcidale gedachten, rumineren over onrecht en voortdurende preoccupatie met het gedrag van haar ex-partner en zijn nieuwe partner.”In maart 2025 kroop [verzoekster] naar eigen zeggen uit het dal. Dat hing samen met het vertrek van haar ex-man uit de gezamenlijke woning. Hoewel de psychische toestand waarin [verzoekster] verkeerde haar gedrag niet goedkeurt, verklaart het dat wel. Ook voor de raadpleging in mei 2025. De gegevens die zij heeft opgezocht staan namelijk in zeer nauw verband met het persoonlijk leed dat zij heeft geleden en de psychische klachten die zij heeft gehad. [verzoekster] heeft meermaals dezelfde gegevens opgevraagd, te weten de gegevens van de inwoner en haar moeder. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] desgevraagd toegelicht niets met de opgezochte gegevens van de inwoner (noch die van haar moeder) te hebben gedaan. Ze begrijpt ook niet waarom ze meermaals dezelfde gegevens opzocht. Dat neemt, nogmaals, niet weg de verwijtbaarheid van de gedraging van [verzoekster] – zij had namelijk beter moeten weten – maar de kantonrechter is van oordeel dat – gelet op de omstandigheden waaronder [verzoekster] de verwijtbare handelingen verrichtte – niet sprake is van
ernstigverwijtbaar handelen.
4.23.
De gemeente wordt dus veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding. Die bedraagt € 37.198,61 (bruto). De gemeente heeft immers een tegenberekening overgelegd en [verzoekster] heeft deze berekening niet weersproken, zodat de kantonrechter van de juistheid daarvan uitgaat. Bovendien heeft [verzoekster] zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd [2] , dus vanaf 7 december 2025.
Geen belang meer bij voorlopige voorziening
4.24.
[verzoekster] heeft – bij wijze van voorlopige voorziening – verzocht om voor de duur van het geding de gemeente te veroordelen tot (samengevat) doorbetaling van het loon (inclusief IKB), vermeerderd met de wettelijke verhoging per maand. Omdat vandaag eindbeschikking wordt gewezen, heeft [verzoekster] geen belang meer bij de beoordeling van deze voorlopige voorziening. De kantonrechter zal deze vordering daarom afwijzen
Voorwaardelijke tegenverzoeken
4.25.
De gemeente heeft – voor het geval het ontslag op staande voet vernietigd wordt – een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Gelet op dat de voorwaarde waaronder het voorwaardelijk verzoek is gedaan niet is ingetreden – want het ontslag op staande voet wordt niet vernietigd vanwege de rechtsgeldigheid daarvan – komt de kantonrechter niet meer toe aan de beoordeling van dit voorwaardelijk verzoek.
Proceskosten
4.26.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen en geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst het verzoek af,
5.2.
veroordeelt de gemeente om aan [verzoekster] een transitievergoeding te betalen van € 37.198,61 (bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.4.
verklaart deze beschikking, voor zover het de veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad [3] ,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Wijsman - Van Veen en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Voetnoten

1.Centrale Raad van Beroep, 2 maart 2027, ECLI:NL:CRVB:2017:887.
2.Artikel 7:686a lid 1 BW.
3.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.