ECLI:NL:RBOBR:2026:194

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
25/2420
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering WIA-uitkering door UWV en matiging op basis van persoonlijke omstandigheden

In deze zaak vordert het UWV een bedrag van € 3.977,76 terug van eiseres, die te veel WIA-uitkering heeft ontvangen. Dit overschot is ontstaan doordat eiseres een cao-loonsverhoging niet heeft doorgegeven aan het UWV. De rechtbank heeft het beroep van eiseres gegrond verklaard en de terugvordering gematigd naar € 3.264,04. De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres, die te maken heeft gehad met een angst- en dwangstoornis, intensieve mantelzorg voor haar overleden echtgenoot, en de zorg voor haar twee jonge kinderen. De rechtbank benadrukt dat hoewel eiseres ook een verantwoordelijkheid heeft, de omstandigheden waarin zij verkeerde, haar in staat hebben gesteld om niet adequaat te reageren op de wijziging in haar inkomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het UWV te laat heeft gehandeld in de besluitvorming, wat heeft geleid tot een onterecht hoog terug te vorderen bedrag. Het verzoek om schadevergoeding van eiseres is afgewezen, omdat zij haar verzoek niet voldoende heeft gespecificeerd. De rechtbank heeft het UWV opgedragen het betaalde griffierecht van € 53,– aan eiseres te vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2420

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. E. Lipman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een bedrag van € 3.977,76 dat het UWV van eiseres heeft teruggevorderd. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de terugvordering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de terugvordering moet worden verlaagd naar € 3.264,04. Het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen. Eiseres krijgt dus gedeeltelijk gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Procesverloop

2. Met het besluit van 3 april 2025 heeft het UWV een bedrag van € 5.405,20 van eiseres teruggevorderd. Een bedrag van € 2.550,32 ziet op het kalenderjaar 2023 en een bedrag van € 2.854,88 ziet op het kalenderjaar 2024. Met het besluit van 6 april 2025 heeft het UWV aan eiseres laten weten dat zij het bedrag binnen 6 weken moet terugbetalen.
2.1.
Eiseres heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 13 augustus 2025 heeft het UWV het bezwaar gegrond verklaard. Daarbij heeft het UWV de terugvordering verlaagd naar € 3.977,76 omdat de terugvordering over het kalenderjaar 2024 met 50% is verlaagd.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 door middel van een digitale beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Wat voorafging aan de bestreden besluitvorming

3. Eiseres ontvangt sinds 2015 een WIA [1] -uitkering van het UWV
.Daarnaast heeft zij inkomsten uit arbeid. Om die reden wordt de WIA-uitkering als voorschot uitbetaald en jaarlijks achteraf verrekend met de daadwerkelijk verdiende inkomsten uit arbeid. Dat heeft het UWV aan eiseres laten weten, bijvoorbeeld in de brief van 15 februari 2023.
3.1.
Begin 2025 heeft het UWV de daadwerkelijk verdiende inkomsten van eiseres in de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2024 (hierna: de uitkeringsperiode) afgezet tegen het over deze periode betaalde voorschot. Dat heeft geleid tot de besluitvorming die onder punt 2 is besproken.

De standpunten van partijen

4. In het bestreden besluit heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat eiseres in de uitkeringsperiode een hoger loon heeft verdiend dan waar het UWV vooraf van was uitgegaan. Als was uitgegaan van dit hogere loon, dan had het UWV een lagere uitkering aan eiseres uitbetaald; in totaal € 5.405,20 minder. Dat bedrag heeft eiseres dus teveel aan uitkering ontvangen. Het UWV erkent dat het niet voortvarend heeft gehandeld door pas in 2025 de berekening over 2023 te maken. Daardoor is de terugvordering onnodig hoog opgelopen. Om die reden heeft het UWV besloten de het terug te vorderen bedrag met ongeveer 25% te matigen tot € 3.977,76. Voor een verdere matiging ziet het UWV geen aanleiding. Daarbij betrekt het UWV dat eiseres wist dat het voorschot achteraf lager zou kunnen uitvallen en dat eiseres zelf niet heeft meegedeeld dat haar cao-loon verhoogd werd. Ook is inmiddels een betalingsregeling afgesproken.
4.1.
Eiseres is het daar niet mee eens. Zij vindt dat de terugvordering volledig van tafel moet. Eiseres stelt dat haar geen verwijt treft omdat zij niet wist van de verhoging van haar cao-loon en erop mocht vertrouwen dat het UWV zelf controles zou uitvoeren en eventuele fouten tijdig zou controleren. Dat het UWV dit niet heeft gedaan, mag niet op eiseres worden afgewenteld. Verder stelt eiseres dat de terugvordering onevenredig is. Door de terugbetaling is de financiële ruimte zeer beperkt en komt eiseres iedere maand geld tekort. Daarbij wijst eiseres op haar persoonlijke omstandigheden. Zij heeft tussen 2021 en 2024 intensieve mantelzorg verleend voor haar in december 2024 overleden echtgenoot. Dit, en de afwikkeling van de nalatenschap, heeft veel van eiseres gevraagd en heeft ervoor gezorgd dat eiseres onvoldoende aandacht heeft kunnen richten op administratieve zaken. Daarbij speelt een rol dat eiseres een angst-en dwangstoornis heeft, wat ook de reden was voor het toekennen van de WIA-uitkering. De terugvordering nu zorgt voor veel stress en heeft de psychische situatie van eiseres aanzienlijk verergerd. Om die reden verzoekt eiseres om een schadevergoeding wegens geleden immateriële schade.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat partijen het erover eens zijn dat eiseres een te hoog bedrag aan voorschot heeft ontvangen en dat de berekening die het UWV daarover heeft gemaakt niet ter discussie staat. Partijen zijn verdeeld over de vraag in hoeverre het UWV de teveel betaalde uitkering van eiseres had mogen terugvorderen.
6. Artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA verplicht het UWV om terug te vorderen wat onverschuldigd is betaald. De bevoegdheid om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien is op grond van het zesde lid van dat artikel beperkt tot situaties waarin dringende redenen aanwezig zijn. De rechtbank leest in het beroep van eiseres dat zij van mening is dat er sprake is van dergelijke dringende redenen.
6.1.
De Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter in WIA-zaken als deze, heeft in de uitspraak van 18 april 2024 [2] zijn uitleg van de dringende reden verruimd, in die zin dat (ook) betekenis toekomt aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het UWV is in de redenen voor de terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het UWV of trage besluitvorming. Ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie is van belang: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, van een onoplettendheid, of van een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar waarin hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving. Bij het nemen van een besluit over herziening of terugvordering is het UWV verplicht om een belangenafweging te maken, waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn.
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de terugvordering geheel van tafel moet omdat haar geen enkel verwijt treft. Hoewel eiseres zoals aangekondigd gedeeltelijk gelijk krijgt, wordt ze niet gevolgd in de stelling dat er helemaal niets mag worden teruggevorderd. Dat legt de rechtbank hieronder uit.
7.1.
De vraag of eiseres een verwijt kan worden gemaakt is, zoals onder punt 6.1 al is uiteengezet, een belangrijk aspect, maar het is niet het enige criterium om een terugvordering te matigen. Ook in een geval waarin eiseres niets te verwijten valt, kan er een goede reden zijn om alsnog over te gaan tot terugvordering. Voor de terugvordering over het jaar 2023 is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om deze te matigen. Ook als het UWV wél adequaat en tijdig had gehandeld, en begin 2024 de berekening voor het kalenderjaar 2023 had gemaakt, was die terugvordering immers ontstaan. De terugvordering over het kalenderjaar 2023 is ook niet hoger geworden doordat het UWV te laat heeft gehandeld. Verder overweegt de rechtbank dat het inherent is aan de systematiek van voorschotverlening en vaststelling achteraf dat de kans bestaat dat eiseres een bedrag moet terugbetalen. Dat is door het UWV zo aan eiseres gecommuniceerd en is in een eerder kalenderjaar ook al eens gebeurd, zo heeft eiseres tijdens de zitting bevestigd.
7.2.
Voor wat betreft de terugvordering over het kalenderjaar 2024 stelt de rechtbank vast dat het UWV in het bestreden besluit heeft erkend dat sprake is geweest van trage besluitvorming. Het UWV heeft pas in 2025 een berekening gemaakt over de jaren 2023 en 2024, terwijl was aangekondigd dat dit elk jaar zou gebeuren. Als het UWV al in 2024 een berekening over het jaar 2023 had gemaakt, zoals was aangekondigd, was het hogere cao-loon van eiseres al een jaar eerder aan het licht gekomen, was het voorschot over 2024 verlaagd en was de terugvordering over het jaar 2024 zeer waarschijnlijk veel lager of afwezig geweest. Gelet op die omstandigheid heeft het UWV de terugvordering over het jaar 2024 met 50% gematigd.
7.3.
De matiging van 50% impliceert dat het UWV zich op het standpunt stelt dat beide partijen ongeveer een even groot verwijt te maken valt over het ontstaan van de terugvordering. Het UWV stelt immers dat eiseres ook zelf had kunnen melden dat zij een hoger salaris is gaan verdienen en dat hier ook een eigen verantwoordelijkheid ligt. De rechtbank is van oordeel dat het UWV daarmee enigszins voorbij gaat aan de persoonlijke omstandigheden van eiseres. Hoewel de rechtbank wil benadrukken dat eiseres zelf ook een verantwoordelijkheid heeft in deze, is het gelet op de intensieve en verdrietige periode die zij in met name kalenderjaar 2024 heeft moeten ondergaan voorstelbaar dat zij andere zaken aan haar hoofd had. Zij heeft immers zeer intensieve mantelzorg moeten verlenen voor haar echtgenoot, is vervolgens geconfronteerd met diens overlijden, heeft de nalatenschap moeten afwikkelen en moest daarnaast ook nog een gezin met twee jonge kinderen draaiend houden. Op de zitting heeft eiseres uitgelegd dat zij in deze periode ook niet meer heeft kunnen werken omdat haar persoonlijke situatie alle aandacht vroeg. Uit de besluitvorming van het UWV kan de rechtbank niet opmaken dat het UWV deze omstandigheid (voldoende) heeft meegewogen. Ook tijdens de zitting is dat niet gebleken. Desgevraagd heeft de gemachtigde van het UWV erop gewezen dat er een betalingsregeling is getroffen, waarmee in de ogen van het UWV voldoende rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden. Dat er een betalingsregeling is getroffen, voorziet er wellicht in dat er rekening is gehouden met de financiële omstandigheden waarin eiseres verkeert, maar staat naar het oordeel van de rechtbank los van de persoonlijke omstandigheden die hierboven zijn omschreven. Daarom vindt de rechtbank het in dit geval redelijk dat de verwijtbaarheid van eiseres als verminderd wordt aangemerkt en dat de oorspronkelijke terugvordering over kalenderjaar 2024 met in totaal 75% wordt gematigd. Dat betekent dat het totale bedrag van de terugvordering wordt verlaagd naar € 3.264,04.
8. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding.
8.1.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Artikel 8:92, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bepaalt verder dat het verzoek om schadevergoeding ten minste een opgave van de aard van de geleden of de te lijden schade en, voor zover redelijkerwijs mogelijk, het bedrag van de schade en een specificatie daarvan bevat.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres haar verzoek om schadevergoeding niet heeft gespecificeerd of geconcretiseerd. Ook is niet duidelijk gemaakt in hoeverre het (gedeeltelijk) onrechtmatige besluit heeft bijgedragen aan de veronderstelde schade. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Het UWV zal daarom het door eiseres betaalde griffierecht moeten vergoeden. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de hoogte van het terug te vorderen bedrag;
 stelt het terug te vorderen bedrag vast op € 3.264,04;
 wijst het verzoek om schadevergoeding af;
 bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht van € 53,– aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Burg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2.CRvB 18 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2024:726.