ECLI:NL:RBOBR:2026:1871

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/01/414650 / HA ZA 25-264
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 118 RvArt. 613 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oproeping overige maten maatschap in schadestaatprocedure wegens beroepsfout advocaat

In deze schadestaatprocedure vordert eiseres schadevergoeding van gedaagde BV wegens een beroepsfout van een advocaat verbonden aan een maatschap. Eerder is in de hoofdprocedure vastgesteld dat de maatschap aansprakelijk is voor de schade die eiseres heeft geleden door het tekortschieten van de advocaat.

Eiseres heeft in de schadestaatprocedure echter niet de gezamenlijke maten van de maatschap gedagvaard, maar slechts gedaagde BV. De rechtbank overweegt dat een maatschap geen rechtspersoon is en dat vorderingen tegen een maatschap moeten worden ingesteld tegen alle gezamenlijke maten die op het moment van dagvaarding maat waren.

Omdat gedaagde BV wel een maat was, is niet-ontvankelijkheid niet aan de orde, maar eiseres moet wel de overige maten die op dat moment maat waren, oproepen. De rechtbank geeft eiseres daartoe de gelegenheid en houdt verdere beoordeling aan tot na deze oproeping.

Uitkomst: Eiseres wordt in de gelegenheid gesteld om de overige maten van de maatschap als partij te betrekken; verdere beoordeling wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaak- en rolnummer C/01/414650 / HA ZA 25-264
Vonnis van 25 maart 2026
in de schadestaatprocedure van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. D.H. Stibbe,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] BV,
advocaat: mr. A.M. van Cappelle.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
a. het vonnis van deze rechtbank van 26 februari 2020 met zaak- en rolnummer C/01/346361/HAZA 19-323 (hierna aan te duiden als: het vonnis in de hoofd-procedure), gewezen tussen [eiseres] en de maatschap [A] gevestigd te [plaats] (hierna te noemen: de maatschap);
b. het exploot van 25 februari 2025 waarbij [eiseres] een schadestaat aan [gedaagde] BV heeft doen betekenen met producties (nrs. 1 t/m 11);
c. een B8-formulier van [eiseres] van 29 april 2025 met een productieoverzicht;
d. de conclusie van antwoord met producties (nrs. 1 t/m 8);
e. de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
f. het B8-formulier van 29 januari 2026 van [gedaagde] BV met één productie (nr. 9);
g. de op 6 februari 2026 door de griffier aan de advocaten van partijen gemailde korte zittingsagenda met een bevel ex art. 22 Rv Pro;
h. het B8-formulier van 6 februari 2026 van [eiseres] met producties (aanvulling op prod. nrs. 9 en 11 + prod. nrs. 12 t/m 19), inclusief een verzoek om toelating van dhr. [B] , echtgenoot van [eiseres] , ter zitting;
i. de op 10 februari 2026 door de griffier aan de advocaten van partijen gemailde reactie op de mail van 6 februari 2026 van [eiseres] inzake het bevel ex artikel 22 Rv Pro en de rol van dhr. [B] ;
j. de mail van mr. Stibbe van 11 februari 2026, onder meer inhoudend dat met de als prod. 13 overgelegde twee documenten volledig is voldaan aan deel 1 van het bevel ex art. 22 Rv Pro;
k. een B8-formulier van 12 februari 2026 van [gedaagde] BV met één productie (nr. 10);
l. de mondelinge behandeling van 17 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Tijdens deze mondelinge behandeling hebben de advocaten van partijen onder meer spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

De rechtbank vermeldt hieronder een overzicht van vaststaande en voor de beoordeling van de zaak relevante feiten. Het overzicht is niet uitputtend. De rechtbank zal waar nodig onder het kopje ‘De beoordeling’ meer feiten vermelden en bij de beoordeling betrekken.
2.1.
[eiseres] was in 2015 als lerares Spaans in dienst bij [C] (hierna te noemen: [C] ). In verband met een arbeidsconflict heeft [eiseres] in de tweede helft van 2015 juridische bijstand ingeroepen van twee advocaten die verbonden waren aan de maatschap, mr. [D] en mr. [E] . Op 27 november 2015 heeft [eiseres] met [C] een vaststellingsovereenkomst gesloten, als gevolg waarvan [eiseres] ’ dienstverband per 1 maart 2016 is beëindigd. Deze vaststellingsovereenkomst vermeldt, voor zover voor deze zaak relevant:
“Na uitvoering van het bovenstaande verklaren beide partijen over en weer van elkaar niets meer te vorderen hebben uit hoofde van het dienstverband en/of ter zake van de beëindiging daarvan en elkaar ter zake finale kwijting verlenen.”
2.2.
In het vonnis in de hoofdprocedure is voor recht verklaard dat de maatschap aansprakelijk is voor de materiële schade die [eiseres] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht tussen partijen (zijnde: de maatschap en [eiseres] ), en is de maatschap veroordeeld tot vergoeding aan [eiseres] van die schade, op te maken bij staat.
2.3.
Het vonnis in de hoofdprocedure houdt daartoe onder meer het volgende in:
“4.8. De rechtbank is van oordeel dat de maatschap de stellingen van [mw.] [eiseres] , dat mr. [E] haar niet voldoende heeft geïnformeerd ten aanzien van haar rechtspositie nadat zij op 11 november 2015 alsnog met terugwerkende kracht arbeidsongeschikt was verklaard en meer concreet dat mr. [E] haar toen niet in voldoende mate heeft geïnformeerd en geadviseerd over haar rechtspositie en eventuele wijzigingen daarin, zodat zij op basis daarvan in staat was goed geïnformeerd te beslissen over het al dan niet sluiten van de beëindigingsovereenkomst, niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. […]
4.9.
Gezien het voorgaande staat vast dat er sprake is van een beroepsfout van mr. [E] die kan worden toegerekend aan de maatschap. Dit leidt tot de conclusie dat de maatschap toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst met [mw.] [eiseres] en dat deze aansprakelijk is voor de schade die [mw.] [eiseres] dientengevolge heeft geleden. De tekortkoming bestaat eruit dat [mw.] [eiseres] door mr. [E] niet, althans niet in voldoende mate, is geïnformeerd over haar (gewijzigde) rechtspositie nadat zij alsnog, met terugwerkende kracht arbeidsongeschikt was verklaard”.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] heeft, samengevat, in deze schadestaatprocedure gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat [gedaagde] BV aan haar uit hoofde van schadevergoeding wegens een gemaakte beroepsfout € 525.907,43 dient te betalen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiseres] heeft hiertoe, samengevat, het volgende gesteld.
Als gevolg van de beroepsfout van mr. [E] is de arbeidsrelatie van [eiseres] met [C] beëindigd op basis van de in 2015 door [eiseres] met [C] gesloten vast-stellingsovereenkomst. Als de beroepsfout niet was gemaakt, dan zou [eiseres] deze vaststellingsovereenkomst niet hebben gesloten en zou arbeidsrelatie niet zijn beëindigd.
Als gevolg van deze beroepsfout komt verder aan [eiseres] niet meer de mogelijkheid toe om [C] aansprakelijk te stellen voor de door haar in de uitoefening van haar werkzaam-heden geleden schade en daarvoor schadevergoeding te verkrijgen. In de in 2015 gesloten vaststellingsovereenkomst is aan [C] immers finale kwijting verleend. Ook voor de schadevergoeding die [eiseres] toegekend had kunnen krijgen uit hoofde van een aansprakelijkstelling van [C] (waarvoor het al dan niet voortduren van het dienstverband met [C] feitelijk irrelevant is) dient de maatschap aansprakelijk te worden gehouden, in die zin dat aan [eiseres] de schadevergoeding toekomt die bij het uitblijven van de beroepsfout aan haar zou zijn toegekend door [C] .
[eiseres] heeft als gevolg van de beroepsfout schade geleden wegens:
1. gederfde inkomsten: € 439.385,66 althans € 358.946,-
2. de factuur van het NRL: € 4.521,77
3. de verkoop van flessen wijnen: € 10.000,00
4. de verkoop van de woning in Brabant en
de koop van de woning in Limburg: € 57.000,00
5. immateriële schadevergoeding: € 7.500,00.
3.3.
[eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling de vordering ter zake van immateriële schadevergoeding ad € 7.500,-, ingetrokken.
3.4.
[gedaagde] BV voert verweer. Zij concludeert, samengevat, tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
3.5.
[gedaagde] BV heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.
De hoofdprocedure is gevoerd tussen [eiseres] en de maatschap. De daarop volgende schadestaatprocedure staat in beginsel slechts open voor dezelfde partijen. Het gaat daarbij om een constitutieve processuele voorwaarde voor behandeling van een vordering in de schadestaatprocedure. Artikel 615a Rv bevat een limitatieve opsomming van uitzonderingen op voormeld beginsel. Van een dergelijke uitzondering is geen sprake. [eiseres] moet daarom niet ontvankelijk worden verklaard in deze schadestaatprocedure tegen [gedaagde] BV.
[eiseres] heeft verder geen schade geleden als gevolg van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst met [C] in 2015. De hoogte van de gevorderde schadever-goeding wordt betwist evenals het vereiste causale verband. [eiseres] wilde helemaal niets meer met de school en de overkoepelende organisatie [C] te maken hebben. Zij heeft al in oktober 2015, tijdens de eerste bespreking, aan mr. [E] laten weten dat zij plannen had om te verhuizen naar [plaats] en daar aan de slag wilde gaan buiten [C] om.
Er is ook sprake van eigen schuld. Uit niets blijkt dat [eiseres] serieus van plan is geweest om elders inkomen uit arbeid te verwerven. Dat had redelijkerwijs wel van haar verlangd mogen worden. Betwist wordt dat [eiseres] , zoals bij dagvaarding is gesteld, vrijgesteld was van de sollicitatieplicht. Als er al sprake zou zijn van schade aan de zijde van [eiseres] , dan moet de vergoedingsplicht worden verminderd tot nul, omdat zij geen enkele moeite heeft gedaan om een nieuwe baan te vinden.
[gedaagde] BV heeft bij conclusie van antwoord nog aangevoerd dat zij er ernstig rekening mee houdt dat [eiseres] van [C] al een schadevergoeding heeft ontvangen.
3.6.
[gedaagde] BV heeft vervolgens bij B8-formulier van 29 januari 2026 als productie 9 een verklaring van [F] van 19 januari 2026 overgelegd, inhoudend:
“Op vragen van mr. Van Cappelle kan ik het volgende verklaren.
Sinds 1 mei 2018 ben ik werkzaam als arbeidsjurist en thans als Teamleider van het Team HR Beleid & Advies bij [C] ( [C] ).
Vanuit mijn functie ben ik bekend met [ [eiseres] ] en de ontslagzaak die destijds bij [C] heeft gespeeld.
Ik kan u bevestigen dat [ [eiseres] ] in 2024 een bedrag van EUR 80.000,- heeft ontvangen van de aansprakelijkheidsverzekeraar van [C] . Dit was de uitkomst van een mediation, die heeft plaatsgevonden tussen deze verzekeraar enerzijds en [ [eiseres] ] anderzijds. Daarbij is schriftelijk overeengekomen dat de uitkomst van de mediation niet onder de geheimhouding zou vallen.
Ik ben bereid het bovenstaande onder ede te bevestigen”.
Volgens [gedaagde] BV heeft [eiseres] de rechtbank en haar op het verkeerde been gezet door cruciale informatie achter te houden. Niets zeggen in de dagvaarding in deze procedure over een vaststellingsovereenkomst uit 2024 waarbij een schadevergoeding is toegekend voor materiële en immateriële schade van € 80.000,- netto is volgens [gedaagde] BV uiterst kwalijk te noemen. Daarbij past volgens haar maar één consequentie, namelijk afwijzing van alle vorderingen.
3.7.
Bij B8-formulier van 6 februari 2026 heeft [eiseres] als productie 13 vervolgens een vaststellingsovereenkomst overgelegd van 1 september 2024, gesloten tussen haar en de aansprakelijkheidsverzekeraar van [C] (Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.), met bijbehorend afsprakenformulier van 28 augustus 2024. Daaruit blijkt dat door deze verzekeraar
“wegens een op 21 september 2015 plaatsgevonden geschil”tussen [eiseres] en [C] aan [eiseres] een vergoeding is uitgekeerd van € 80.000 voor materiële en immateriële schade en € 12.500 voor buitengerechtelijke kosten.
Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van [eiseres] verklaard dat zij ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in de schadestaatprocedure niets wist van deze vaststellingsovereenkomst, dat zij hiervan pas bij de voorbereiding van de mondelinge behandeling op de hoogte is geraakt en dat, als zij wel had geweten van het bestaan van deze overeenkomst, zij daar dan wel melding van had gemaakt in deze dagvaarding.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In de hoofdprocedure tussen [eiseres] als eisende partij en de maatschap Maatschap [gedaagde] als gedaagde partij, is voor recht verklaard dat de maatschap aansprakelijk is voor de materiële schade die [eiseres] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht van partijen, en is verder de maatschap veroordeeld tot vergoeding aan [eiseres] van die schade, op te maken bij staat.
4.2.
Art. 613 Rv Pro bepaalt in lid 1 dat de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat aanvangt met de betekening aan de wederpartij van een staat waarin het beloop van de schade waarvan de vereffening wordt gevorderd, gespecificeerd wordt opgegeven. De wederpartij van [eiseres] in de hoofdprocedure zijn de gezamenlijke maten van de maatschap, zoals deze was samengesteld op 7 mei 2019, de datum waarop de dagvaarding in de hoofdprocedure is uitgebracht. In de na de hoofdprocedure gestarte schadestaatprocedure heeft [eiseres] echter niet deze gezamenlijke maten maar [gedaagde] BV gedagvaard. [gedaagde] BV is niet de in art. 613 lid 1 Rv Pro bedoelde wederpartij van [eiseres] .
4.3.
Namens [eiseres] is tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [gedaagde] BV op 7 mei 2019 één van de maten van de maatschap was. [gedaagde] BV heeft dat niet betwist en dit wordt ook bevestigd door een tijdens de mondelinge behandeling overgelegd handelsregisteruittreksel. Volgens [eiseres] is in de dagvaarding in de schadestaatprocedure sprake van een herstelbare partij-aanduidings-kwestie. [gedaagde] BV is één van de maten van de maatschap die in de hoofdzaak aansprakelijk is verklaard. Zij heeft in dat kader een beroep gedaan op het bepaalde in art. 118 Rv Pro en verzocht om de overige (rechts)personen die ten tijde van de dagvaarding maat waren, alsnog in dit geding te mogen betrekken.
4.4.
Volgens [gedaagde] BV dient [eiseres] niet-ontvankelijk te worden verklaard in de schadestaatprocedure jegens haar.
4.5.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit geschilpunt het volgende voorop. Een maatschap is geen rechtspersoon. Vorderingen tegen een maatschap dienen te worden ingesteld tegen de gezamenlijke (rechts)personen die ten tijde van de dagvaarding maat zijn. In de dagvaarding kan ook worden volstaan met vermelding van de naam van de maatschap, indien de gezamenlijke maten onder die naam op een voor derden duidelijk kenbare wijze aan het rechtsverkeer deelnemen. [1] Van die laatste mogelijkheid heeft [eiseres] in de hoofdprocedure gebruik gemaakt.
De vermelding van de naam van de betreffende maatschap is een betekeningsfaciliteit: er kan in het exploot gemakshalve worden volstaan met een ‘verkorte aanduiding’ van de gedagvaarde partijen. Processuele wederpartij van de dagvaardende partij zijn de gezamenlijke (rechts)personen die ten tijde van de dagvaarding maat zijn.
4.6.
Zoals hiervoor al is overwogen zijn [eiseres] ’ wederpartij in de hoofdprocedure, en daarmee haar in artikel 613 lid 1 Rv Pro bedoelde wederpartij, de gezamenlijke (rechts)personen die op 7 mei 2019 maat waren van de maatschap Maatschap [gedaagde] en niet alleen [gedaagde] BV.
Omdat [gedaagde] BV wel behoort tot de (rechts)personen die op 7 mei 2019 maat van de maatschap [A] , is niet-ontvankelijkheid niet aan de orde, maar behoort [eiseres] op grond van het bepaalde in art.118 Rv Pro in de gelegenheid te worden gesteld om naast [gedaagde] BV ook de overige (rechts)personen die op 7 mei 2019 maat waren van de maatschap als partij in dit geding op te roepen (uitsluitend in hun hoedanigheid van maat van deze maatschap). [2] De rechtbank zal [eiseres] daartoe in de gelegenheid stellen.
4.7.
De rechtbank zal iedere verdere beoordeling en beslissing aanhouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
stelt [eiseres] in de gelegenheid om de overige (rechts)personen die samen met [gedaagde] BV op 7 mei 2019 maat waren van de maatschap Maatschap [gedaagde] uiterlijk op uiterlijk 22 april 2026 alsnog in hun hoedanigheid van maat van de maatschap als partij in het onderhavige geding te betrekken, door oproeping op de voet van artikel 118 Rv Pro tegen de roldatum van woensdag 13 mei 2026, zodat zij zich, niet in persoon maar vertegenwoordigd door een advocaat, over de vordering van [eiseres] kunnen uitlaten,
5.2.
bepaalt dat bij deze oproeping afschriften van de tot nu toe ingediende processtukken en van dit vonnis moeten worden betekend,
5.3.
verwijst de zaak naar de rol van 13 mei 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van de op de voet van artikel 118 Rv Pro opgeroepen derden,
5.4.
houdt iedere verdere beoordeling en beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op
25 maart 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HR 05-11-1976, ECLI:NL:HR:1976:AB7103 en HR 15-03-2013 ECLI:NL:HR:2013:BY7840.
2.Vgl. HR 15-03-2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290, r.o. 3.4.3: “Overigens verdient opmerking dat indien blijkt dat bedoeld is de gezamenlijke maten te dagvaarden, maar niet alle (rechts)personen zijn gedagvaard die ten tijde van de dagvaarding maat waren, de rechter, desverzocht of zo hij het nodig oordeelt dat de niet gedagvaarde maten aan het geding (kunnen) deelnemen, in beginsel gelegenheid behoort te geven om die personen alsnog in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv Pro.”