Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] ,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel,
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Beoordeling van de beroepsgronden
Het gaat om de invordering van dwangsommen die op grond van de last van 10 april 2024 (de tweede last) zijn verbeurd. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres na het verstrijken van de begunstigingstermijn de op 10 april 2024 opgelegde last heeft overtreden en dat het college dus bevoegd was om de verbeurde dwangsommen in te vorderen. Het betoog van eiseres dat sprake is van overmacht omdat zij al sinds begin 2023 alles in het werk stelt om aan de eisen te voldoen, slaagt niet. Eiseres had deze stelling ook naar voren kunnen brengen tegen de last onder dwangsom van 10 april 2024. De door eiseres gestelde overmacht bestond toen immers al. Tegen die last heeft zij echter geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dat besluit in rechte onaantastbaar is. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat evident is dat sprake was van overmacht. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een uitzonderlijk geval dat maakt dat eiseres deze grond nu nog met succes naar voren kan brengen. Ook overigens heeft eiseres geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die de invordering onevenredig maken.
Het beroep van eiseres tegen de invordering slaagt niet.
Bij aanvullend beroepschrift van 17 februari 2026 heeft eiseres een notitie ingediend van haar adviseur (R&S advies) met betrekking tot de acties die al vanaf 2023 zijn ondernomen om te komen tot de door het college beoogde werking van de luchtwasser.
Bovendien betekent het enkele onderschrijden van de parameter voor de pH niet dat de ammoniakreductie niet wordt gehaald. Uit het rapport van dr. ir. Melse blijkt dat de wasser ook goed functioneert bij een pH-waarde onder de 6,5 en dat pas bij hele lage pH-waarden (pH < 4) ongewenste gassen kunnen ontstaan. Omdat bij een tijdelijke onderschrijding van de pH van 6,5 geen sprake is van nadelige milieueffecten, verdragen het invorderingsbesluit en de opgelegde last onder dwangsom zich niet met de eisen van evenredigheid (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb), aldus eiseres.
Blijkens het bestreden besluit vindt het college het niet aannemelijk dat sprake is van overmacht. De enkele verwijzing naar het advies van deskundige Melse, dat niet is gebaseerd op algemeen aanvaarde wetenschappelijke uitgangspunten, is te summier. Bovendien blijkt hieruit niet waar de overmacht op ziet.