Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:1814

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
25/2795
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:4 AwbArt. 5:1 AwbArt. 7:12 AwbArt. 22.1 Ow
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing handhavingsverzoek bouw kas binnen bestemmingsplan Veldhoven

Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven handhavend op te treden tegen de bouw van een kas door een derde-partij op een perceel te Veldhoven. Het college wees dit verzoek af, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank stelde vast dat de kas niet binnen het bouwvlak en de bestemmingsplanregels was gebouwd en dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom het handhaven achterwege bleef, met name omdat het beroep op het vertrouwensbeginsel door het college onvoldoende was onderbouwd. De e-mail van de bouwinspecteur uit 2024 werd niet als een concrete toezegging aangemerkt.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van een overtreding van het bestemmingsplan en dat het college gehouden was handhavend op te treden, tenzij sprake was van onevenredigheid of concreet zicht op legalisatie, wat niet het geval was. Het bestreden besluit werd vernietigd en het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met een zorgvuldige motivering.

Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering en het juiste gebruik van het vertrouwensbeginsel in bestuursrechtelijke handhavingszaken.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering en voorbereiding; het college moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2795 OWHAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Geerings),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veldhoven, het college
(gemachtigden: mr. A. Evers-van der Smagt en N. van Beusecom).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam]uit [woonplaats] (derde-partij)
(gemachtigde: mr. Q.L.A. Kuijpers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers verzoek om handhavend op te treden tegen de bouw van een kas op het adres [adres] te [woonplaats] . Eiser is het niet eens met het besluit op bezwaar van 29 september 2025 waarin het college bij de afwijzing van eisers handhavingsverzoek is gebleven. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan en het standpunt van het college dat het gelet op het vertrouwensbeginsel niet tot handhaving over kan gaan, onvoldoende gemotiveerd is. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 24 maart 2025 heeft eiser een handhavingsverzoek ingediend tegen de bouw van een kas door de derde-partij op het adres [adres] te [woonplaats] .
2.1.
Het college heeft eisers verzoek met het (primaire) besluit van 6 mei 2025 afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het besluit op bezwaar van 29 september 2025 (het bestreden besluit) is het college bij de afwijzing van eisers handhavingsverzoek gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van het college, de derde-partij vergezeld door [naam] en waarnemend gemachtigde van de derde-partij,
mr. R.A.M. Verkoijen.

Feiten en omstandigheden

3. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden.
3.1.
De derde-partij woont op het adres [adres] te [woonplaats] (het perceel). Hij heeft in 2004 een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van een kas op het perceel. Op 22 juni 2007 heeft het college – onder het bestemmingsplan "Buitengebied 1988, herziening [naam] " – middels een vrijstelling de gevraagde bouwvergunning verleend. De derde-partij voerde destijds een agrarisch bedrijf. Na beëindiging daarvan is de derde-partij gestart met een mini-camping en caravanstalling.
3.2.
In 2009 is het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" vastgesteld en in werking getreden. In 2015 is een aanvang gemaakt met de herziening van dat bestemmingsplan voor de percelen [naam] . In 2021 is een nieuw ontwerp ter inzage gelegd waarna het bestemmingsplan " [naam] " op 8 februari 2022 gewijzigd is vastgesteld. Met dit bestemmingsplan rust er geen agrarische bestemming meer op het perceel, en werd de uitbreiding van de minicamping naar een reguliere camping mogelijk. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 december 2024 [1] is laatstgenoemd bestemmingsplan onherroepelijk geworden.
3.3.
Op de plek waar de kas volgens de bouwvergunning mocht worden gebouwd, heeft de derde-partij, ten behoeve van de reguliere camping, een parkeerplaats aangelegd.
3.4.
Op 19 april 2023 en 8 april 2024 heeft een toezichthouder geconstateerd dat de derde-partij een verharding had aangebracht op zijn perceel, waar hij, blijkens luchtfoto’s van voorgaande jaren, in de loop van 2021 of in 2022 een aanvang mee heeft gemaakt. De derde-partij heeft aangegeven dat dit bedoeld is voor het bouwen van de kas.
3.5.
Het college heeft, omdat de kas wordt opgericht op een andere locatie dan vergund, aan de derde-partij een voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom verzonden, en vervolgens de last met het besluit van 20 juni 2024 daadwerkelijk opgelegd.
3.6.
De derde-partij heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarbij de volgende e-mail van de Inspecteur Bouwzaken van 7 oktober 2024 overgelegd: “Beste [derde-partij] Zoals telefonisch is afgesproken geef ik hierbij schriftelijk aan dat ik destijds toen mevrouw mr. [geanonimiseerd] nog in dienst was van de gemeente Veldhoven mondeling heb aangegeven dat de kas in het bouwblok geplaatst moest worden.”
3.7.
Het college heeft vervolgens bij besluit van 20 november 2024 de last onder dwangsom ingetrokken met de motivering dat de derde-partij gezien voormelde e-mail een geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel.
3.8.
Op 24 maart 2025 heeft eiser een handhavingsverzoek ingediend tegen de bouw van de kas.
3.9.
Bij besluit van 6 mei 2025 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Het daartegen door eiser gemaakte bezwaar heeft geleid tot het hier bestreden besluit van 29 september 2025, waarin dat bezwaar ongegrond is verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Op grond van de artikelen 22.1 en 22.2, eerste lid, van de Ow in samenhang bezien met artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet bestaat vanaf 1 januari 2024 het omgevingsplan van de gemeente Veldhoven uit een tijdelijk deel (het zogenoemde omgevingsplan van rechtswege). Naast onder meer de in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet genoemde besluiten, zoals geldende bestemmingsplannen, bestaat dit tijdelijk deel ook uit de omgevingsplanregels van rechtswege (de zogenoemde bruidsschat).
4.1.
Gelet hierop maakt het vóór 1 januari 2024 geldende bestemmingsplan
" [naam] " van de gemeente Veldhoven (bestemmingsplan), met ingang van 1 januari 2024 van rechtswege onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Veldhoven.
4.2.
Dit plan voorziet in een wijziging op het perceel van de voorheen geldende agrarische bestemming naar een recreatieve bestemming. Daartoe heeft het perceel de bestemming "Recreatie-Kampeerterrein" gekregen, naast de dubbelbestemming “Waarde archeologie 2”. Het bouwvlak in het bestemmingsplan is ten opzichte van het vorige bestemmingsplan verkleind en valt samen met de functieaanduiding ‘Caravanstalling’.
4.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Is sprake van een overtreding?
5. Eiser stelt, kort gezegd, dat met de bouw en het gebruik van de kas sprake is van een overtreding, zodat het college in beginsel gehouden was om handhavend op te treden. Daartoe voert eiser aan dat de kas niet gekwalificeerd kan worden als bestaand bouwwerk in de zin van artikel 1.18 van de planregels, omdat de kas niet aanwezig was op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan en er voor dat tijdstip ook geen aangevraagde vergunning lag voor de afwijkende locatie waar nu de kas is gebouwd. Hij benadrukt daarbij dat een verleende vergunning locatie-specifiek is. Ook kon de kas na inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan niet alsnog worden gebouwd op basis van de in 2007 verleende bouwvergunning. Eiser wijst erop dat op grond van vaste rechtspraak [2] aan een door het college verleende bouwvergunning geen zelfstandige betekenis meer toekomt na een nieuw door de gemeenteraad vastgesteld bestemmingsplan waarin dat gebruik niet is opgenomen. Het huidige bestemmingsplan staat zowel de bouw als het gebruik van de kas op deze plek niet toe. Op grond van artikel 4.2.1 van het bestemmingsplan mag de bebouwde oppervlakte aan gebouwen niet meer bedragen dan de bestaande bebouwde oppervlakte, en ook de bouwregels van artikel 5.2 van het bestemmingsplan staan aan de bouw van de kas in de weg in verband met de dubbelbestemming “Waarde archeologie 2.” De gebruiksregels van artikel 4.1, onder g en i, van het bestemmingsplan zijn hier niet van toepassing, nu de kas, gelet op de definitie in artikel 1.18 van de planregels, geen bestaand gebouw is.
5.1.
Het college stelt zich, samengevat, op het standpunt dat geen sprake is van een overtreding omdat het huidige bestemmingsplan zowel de bouw als het gebruik van de kas toelaat, zodat hij niet bevoegd was handhavend op te treden. Weliswaar zou de kas qua bouwoppervlakte niet binnen de huidige bestemmingsplanregels passen en wordt de kas op een andere locatie opgericht dan vergund, maar valt de kas toch onder de definitieregel van “bestaande bebouwing” te brengen. Dit komt omdat derde-partij ten aanzien van het bouwen op een andere locatie op hetzelfde perceel een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt. Eiser diende op basis van een toezegging van de inspecteur bouwzaken ‘binnen het bouwblok’, lees bouwvlak, te bouwen en de kas is opgericht binnen de begrenzing van het bouwvlak van het huidige bestemmingsplan. Het gebruik van dit bestaande gebouw, de kas, voor caravanstalling, opslag van machines en kweken van beplanting, valt binnen de functieaanduiding ‘Caravanstalling’ en past binnen de op het perceel rustende bestemming "Recreatie-Kampeerterrein”.
5.2.
De derde-partij schaart zich achter het standpunt van het college dat geen sprake is van een overtreding. Nu er geen nieuwe bouwaanvraag ligt en sprake is van een toezegging, moet er zijns inziens niet getoetst worden aan het nieuwe bestemmingsplan, maar enkel aan het vertrouwensbeginsel.
5.3.
De rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan moet worden gekeken naar de (definitie)regels van het bestemmingsplan. Het vertrouwensbeginsel speelt, anders dan het college en de derde-partij menen, in dit kader nog geen rol. Met het vertrouwensbeginsel kunnen immers de bestemmingsplanregels niet nader worden ingevuld. Pas nadat is vastgesteld dat sprake is van een overtreding komen daarna, bij de toetsing van de onevenredigheid, de vragen aan de orde of sprake is van concreet zicht op legalisatie en of sprake is van onevenredigheid, waarbij onder meer de vraag aan de orde kan komen of de derde-partij al dan niet een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt. Door het vertrouwensbeginsel te ‘mengen’ met de bepalingen van de bestemmingsplanregels, en dus bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een overtreding al betekenis toe te kennen aan de (vermeende) toezegging, heeft het college het bestreden besluit onzorgvuldig genomen.
5.4.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de kas qua bouwoppervlakte niet binnen de huidige bestemmingsplanregels past. De rechtbank is voorts met eiser van oordeel dat de kas niet gekwalificeerd kan worden als bestaand bouwwerk in de zin van artikel 1.18 van de planregels, omdat de kas niet aanwezig was op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, en de kas op een andere locatie is gebouwd dan vergund. Dit betekent dat ten aanzien van het bouwen van de kas op de huidige locatie sprake is van een overtreding, zodat het college in beginsel gehouden was om tot handhavend optreden over te gaan. Deze enkele vaststelling is echter nog niet voldoende om tot handhaving over te gaan, aangezien ook nog dient te worden bezien of het college om redenen van onevenredigheid van handhaving af diende te zien. De rechtbank zal daar in de volgende overwegingen op ingaan.
Sprake van onevenredigheid vanwege concreet zicht op legalisatie?
6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Dat betekent dat hierin geen reden is gelegen om van handhaving af te zien.
Sprake van onevenredigheid vanwege toezegging?
7. Eiser voert aan dat het college er ten onrechte van uitgaat dat de e-mail van 7 oktober 2004 een concrete toezegging inhoudt op grond waarvan van handhaving dient te worden afgezien
.Daarvoor is de e-mail te onduidelijk en er kan niets méér uit worden afgeleid dan het algemene uitgangspunt dat een bouwwerk moet worden gebouwd binnen het bouwvlak. Uit de e-mail blijkt niet wat concreet is besproken en in welke context dat is besproken. Ook blijkt niet of de bouwinspecteur bekend was met de wijziging van het planologisch regime en de gevolgen ervan. Niet blijkt dat is toegezegd dat de bouwvergunning een titel geeft tot de bouw van de kas die niet binnen het huidige planologische regime past. Evenmin blijkt dat er een toezegging is gedaan over het afwijken van de planregels. Ook blijkt uit het dossier niet dat het gesprek tussen de derde-partij en de bouwinspecteur, wat tot de e-mail heeft geleid, heeft plaatsgevonden voorafgaand aan het afgraven van de grond door de derde-partij. Eiser concludeert dat dus niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een toezegging waaruit de derde-partij redelijkerwijs kon en mocht afleiden hoe het college zijn bevoegdheid zou uitoefenen in het geval de kas in strijd met het huidige bestemmingsplan zou worden gebouwd.
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de derde-partij een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt dat hij op een andere locatie dan de vergunde locatie, maar wel binnen het bouwvlak, mocht bouwen. Naar de mening van het college kan uit de verklaring van de inspecteur bouwzaken (inspecteur) van 7 oktober 2024 worden afgeleid dat hij ervan op de hoogte was dat derde-partij over de bouwvergunning uit 2007 beschikte en dat hij heeft aangegeven dat de eerder vergunde kas binnen het bouwvlak mocht worden gebouwd. In het verweerschrift heeft het college toegelicht dat de inspecteur met ‘destijds’ doelt op een gesprek dat hij als inspecteur ongeveer 10 jaar geleden heeft gehad met de derde-partij.
7.2.
De derde-partij voert aan dat hij van het college een parkeerplaats moest aanleggen voor de reguliere camping, waarna de bouwinspecteur akkoord is gegaan met het omdraaien van de locatie van de kas en de parkeerplaats, als de derde-partij maar binnen het bouwvlak zou blijven. Indien de rechtbank zou vinden dat hier geen concrete toezegging ligt, is de derde-partij van mening dat het college hier nader onderzoek naar moet doen.
7.3.
De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 [3] dat bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen moeten worden doorlopen. De eerste is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. Kan die uitlating en/of gedraging worden gekwalificeerd als een toezegging? De tweede stap betreft de vraag of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus sprake is van een gerechtvaardigde verwachting, volgt in de derde stap een belangenafweging.
7.4.
Voor de eerste stap, het aannemelijk maken dat sprake is van een toezegging, geldt voor degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel het volgende. Aannemelijk moet worden gemaakt dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren, die bij betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. Om een toezegging aan te nemen, dient de uitlating en/of gedraging in ieder geval toegesneden te zijn op de concrete situatie. Algemene voorlichting of uitlatingen over een ander geval of jegens anderen zijn niet aan te merken als een toezegging.
7.5.
In geschil is of de e-mail van de inspecteur bouwzaken aan de derde-partij van 7 oktober 2024, luidende:
“Beste [derde-partij] Zoals telefonisch is afgesproken geef ik hierbij schriftelijk aan dat ik destijds toen mevrouw mr. [geanonimiseerd] nog in dienst was van de gemeente Veldhoven mondeling heb aangegeven dat de kas in het bouwblok [lees: bouwvlak] geplaatst moest worden.”, als een (zodanige) toezegging kan worden aangemerkt.
7.6.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de e-mail van 7 oktober 2024 voldoet aan de eisen van een toezegging als hiervoor onder rechtsoverweging 7.4 verwoord. De e-mail is niet of onvoldoende toegespitst op de concrete situatie van de derde-partij, nu het feit dat een bouwwerk (in dit geval een kas) in het bouwvlak geplaatst dient te worden ook als algemene voorlichting zou kunnen worden gezien. Immers, voor ieder bouwwerk als hier aan de orde geldt in beginsel dat het binnen het van toepassing zijnde bouwvlak geplaatst dient te worden. Onduidelijk is in welke context het voorgaande door de inspecteur bouwzaken is gezegd en eveneens onduidelijk is in welke context hem is gevraagd dit op schrift te stellen. Om die redenen kan de e-mail niet zonder meer worden aangemerkt als een toezegging waaraan het rechtens te honoreren vertrouwen kan worden ontleend dat de kas op een andere locatie mocht worden gebouwd dan vergund. Althans, niet voordat deze onduidelijkheden zijn weggenomen.
7.7.
Het voorgaande betekent dat eisers betoog slaagt en de motivering van het bestreden besluit dat enkel de e-mail van 7 oktober 2024 al een concrete toezegging inhoudt die rechtens gehonoreerd moet worden, niet in stand kan blijven. De rechtbank zal daarom bepalen dat het besluit op bezwaar vernietigd wordt en dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen.
7.8.
Het college dient in het kader van de zorgvuldige voorbereiding van het nieuw te nemen besluit op bezwaar nader onderzoek te verrichten naar de gang van zaken rondom de, in de ogen van de derde-partij, gedane toezegging en op dit punt een deugdelijke motivering in het nieuwe besluit op te nemen.
7.9.
In het nieuw te nemen besluit op bezwaar dient het college niet alleen aandacht te besteden aan de vraag of handhaving mogelijk onevenredig is wegens het beroep op het vertrouwensbeginsel, maar ook of er sprake is van onevenredigheid anderszins, waarbij het college de gevolgen van handhaving voor zowel eiser als de derde-partij dient te betrekken. De standpunten die eiser en de derde-partij hierover (ter zitting) hebben ingenomen behoeven daarom op dit moment nog geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De rechtbank kan op dit moment niet zelf een beslissing nemen in de zaak, omdat het college nog nader onderzoek dient te verrichten als omschreven in de rechtsoverwegingen 7.8 en 7.9. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank in dit geval geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor twaalf weken.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van de proceskosten die hij in beroep heeft gemaakt. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. [4] De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit van 29 september 2025;
 draagt het college op om, met inachtneming van deze uitspraak, binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;
 bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
 veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 3:2 van Pro de Awb

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:4 van Pro de Awb

Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Artikel 5:1 van Pro de Awb

1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Artikel 7:12 van Pro de Awb

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.
Omgevingswet (Ow)

Artikel 5.1 van de Ow (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
(…)
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Omgevingsplan gemeente Veldhoven (omgevingsplan)
Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken
(…)
Artikel 22.26 van de Ow (Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken)
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Bestemmingsplan “ [naam] ” (bestemmingsplan)
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 van Pro het bestemmingsplan (Begrippen)
(…)
1.15
bedrijfsgebouw
een niet voor woning bestemd gebouw, dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten;
1.18
bestaande situatie:
t.a.v. bebouwing
 bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
t.a.v. gebruik
 het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen;
1.23
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
1.28
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;
1.29
bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
1.36
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 4 van Pro het bestemmingsplan (Recreatie – Kampeerterrein)
4.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Recreatie - Kampeerterrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bedrijfsmatige exploitatie van een kampeerterrein met bijbehorende voorzieningen;
(…)
g. hovenier/boomteelt als ondergeschikte nevenactiviteit, in de vorm van stalling, opslag en onderhoud van materiaal en machines binnen bestaande gebouwen;
(…)
i. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'caravanstalling', voor inpandige caravanstalling van maximaal 160 caravans binnen de bestaande bedrijfsgebouwen;
(…)
4.2
Bouwregels
4.2.1
Gebouwen
a. Gebouwen en overkappingen zijn uitsluitend toegestaan binnen de aanduiding bouwvlak;
b. de bebouwde oppervlakte gebouwen mag niet meer bedragen dan de bestaande bebouwde oppervlakte uitgebreid met 100 m2 ten behoeve van de wellnessactiviteiten;
c. de maximale goothoogte van gebouwen bedraagt 6 meter;
d. de maximale bouwhoogte van gebouwen bedraagt 10 meter.
4.3
Specifieke gebruiksregels
4.4.1
Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:
(…)
e. opslag van goederen en materialen buiten het bouwvlak anders dan ten behoeve van de bestemming;
(…)
m. stalling, opslag en onderhoud van materiaal en machines buiten de bestaande bebouwing.

Artikel 5 Waarde Pro - Archeologie 2

(…)
5.2
Bouwregels
Op of in deze gronden mogen ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van:
a. ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw in generlei opzicht wordt vergroot;
b. een bouwwerk waarvan de oppervlakte kleiner is dan 250 m² of minder diep reikt dan 0,40 meter beneden maaiveld.
5.3
Afwijken van de bouwregels
a. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 5.2 ten behoeve van andere daar voorkomende bestemmingen, indien is gebleken dat het oprichten van het in lid 5.2 bedoelde gebouw niet zal leiden tot een verstoring van de archeologische waarden.
(…)
d. Het bepaalde in lid 5.2 is niet van toepassing op:
1. gebouwen die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;
2. gebouwen die mogen worden gerealiseerd kracht een reeds verleende vergunning;
3. (…).
Hoofdstuk 3 Algemene regels
(…)
Artikel 10 Algemene Pro afwijkingsregels
Het bevoegd gezag kan (tenzij op grond van de regels in dit bestemmingsplan reeds is afgeweken) met een omgevingsvergunning afwijken van de regels in het plan voor:
het afwijken van maten met ten hoogste 10%;
(…)
overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 meter bedragen en het bouwvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;
het afwijken van de gestelde maximale goot- en bouwhoogte van een gebouw;
(…)
met inachtneming van de volgende regels:
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
er bestaan geen bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en architectonische vormgeving;
het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, ook niet door een cumulatie van activiteiten;
de brand-, verkeers- en openbare veiligheid komen niet in het gedrang

Voetnoten

2.Uitspraken van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:113 en 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2820 en 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4439.
3.ECLI:NL:RVS:2019:1694, onder rechtsoverweging 11.
4.https://wetten.overheid.nl/BWBR0006358/2026-01-01