ECLI:NL:RBOBR:2026:1666

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/2943
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na herstel onzorgvuldig medisch onderzoek

Eiseres, werkzaam als banketbakker, kreeg een Ziektewetuitkering na ziekmelding en uitdiensttreding. Het UWV beëindigde deze uitkering per 15 juli 2023 omdat eiseres meer dan 65% van haar laatstverdiende loon kan verdienen met andere functies. Eiseres betwistte dit en stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zij beperkingen had die niet waren erkend, zoals een maximale zitduur van 20 minuten en een urenbeperking.

De rechtbank oordeelde dat het UWV het aanvankelijk onzorgvuldig voorbereide besluit heeft hersteld door alsnog een lichamelijk onderzoek te laten verrichten. De rechtbank vond dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij door het gebrek in het medisch onderzoek is benadeeld. De medische stukken van eiseres toonden geen objectief bewijs voor de door haar gestelde beperkingen.

De verzekeringsarts B&B en arbeidsdeskundigen concludeerden dat eiseres geschikt is voor bepaalde administratieve functies met een verdiencapaciteit van 131,97%. De rechtbank volgde deze beoordeling en wees het beroep af. Wel werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht vanwege het aanvankelijke gebrek in zorgvuldigheid.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 15 juli 2023.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/2943

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. A.P.J. Mijs).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beëindiging van haar uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 15 juli 2023. Eiseres is het niet eens met de beëindiging van haar ZW-uitkering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de ZW-uitkering van eiseres terecht heeft beëindigd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de ZW-uitkering van eiseres terecht per 15 juli 2023 heeft beëindigd. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het UWV heeft met het besluit van 14 juni 2023 besloten dat eiseres vanaf 15 juli 2023 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat zij op 1 juni 2023 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voor zij ziek werd.
2.1.
Met het besluit van 28 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.
2.4.
Op de zitting is de zaak aangehouden om eiseres nog nadere medische stukken in het geding te laten brengen.
2.5.
Eiseres heeft op 12 september 2025 diverse medische stukken in het geding gebracht.
2.6.
Het UWV heeft hierop gereageerd met een brief van 21 oktober 2025 en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) van 21 oktober 2025.
2.7.
Eiseres heeft hierop gereageerd met een brief van 21 november 2025. Zij heeft tevens aanvullende medische stukken ingediend.
2.8.
Het UWV heeft hierop gereageerd met een brief van 18 december 2025 en een rapport van de verzekeringsarts B&B van 16 december 2025.
2.9.
Eiseres heeft nadere stukken ingediend.
2.10.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij het niet nodig vindt om in deze zaak een nadere zitting te houden en partijen de gelegenheid gegeven om het binnen twee weken te laten weten als zij wel op een nadere zitting willen worden gehoord. Geen van de partijen heeft binnen die termijn verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

De feiten

3. Eiseres was werkzaam als banketbakker bij [naam], voor gemiddeld 28,74 uur per week. Op 2 juni 2022 heeft zij zich ziekgemeld. Per februari 2023 is eiseres ziek uit dienst gegaan en is aan haar een ZW-uitkering toegekend.
3.1.
Toen eiseres ongeveer een jaar ziek was, heeft er in mei 2023 een zogeheten Eerstejaars Ziektewetbeoordeling plaatsgevonden. Dat heeft geleid tot de besluitvorming die onder ‘Inleiding’ is weergegeven.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het UWV op juiste gronden de ZW-uitkering van eiseres heeft beëindigd per 15 juli 2023. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres
4.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De standpunten van partijen
5. Het UWV vindt dat eiseres vanaf 15 juli 2023 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat zij meer dan 65% van haar laatstverdiende loon kan verdienen. Het UWV verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de rapporten van de verzekeringsartsen (B&B) en de arbeidsdeskundigen (B&B). De arbeidsdeskundige B&B vindt eiseres niet geschikt voor haar eigen werk, maar vindt dat eiseres wel geschikt is voor ander werk. Het UWV stelt dat eiseres met haar beperkingen de functies administratief medewerker afhandelingen (SBC-code 515080), administratief medewerker notaris, advocaat, rechtbank (SBC-code 532040) en schadecorrespondent (SBC-code 516080) kan verrichten. Het loon dat eiseres met deze functies kan verdienen leidt, afgezet tegen het loon dat eiseres in haar laatst verrichte werk verdiende, tot een verdiencapaciteit van 131,97%.
6. Eiseres is het hier niet mee eens. Volgens eiseres is het medisch onderzoek onzorgvuldig geweest. Verder stelt eiseres dat zij niet langer dan 20 minuten achtereen kan zitten vanwege de pijn aan haar heupen. Daarnaast is er volgens eiseres ten onrechte geen urenbeperking moet aangenomen. Met deze aanvullende beperkingen vindt eiseres dat de voor haar door het UWV geselecteerde functies niet geschikt zijn.
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
7. Eiseres stelt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat er tijdens het spreekuur geen lichamelijk onderzoek is verricht door de verzekeringsarts B&B. Eiseres heeft daarom verzocht om nogmaals medisch onderzocht te worden. Het UWV naar aanleiding van het beroepschrift eiseres alsnog uitgenodigd voor een lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts B&B. De rechtbank is het met eiseres eens dat het bestreden besluit om de door haar genoemde redenen in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onzorgvuldig is voorbereid. De rechtbank stelt vervolgens vast dat het UWV dit gebrek heeft hersteld, doordat eiseres alsnog lichamelijk is onderzoek door de verzekeringsarts B&B tijdens het spreekuur van 23 december 2024. De rechtbank vindt het dan ook niet aannemelijk dat eiseres door het gebrek in de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek is benadeeld. De rechtbank is daarom van oordeel dat het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd kan worden. Vanwege dit later door het UWV herstelde gebrek in het bestreden besluit heeft eiseres wel recht op een proceskostenvergoeding en vergoeding van het griffierecht. Dit wordt verderop in de uitspraak nader toegelicht.
De medisch inhoudelijke beoordeling
8. De rechtbank beoordeelt of eiseres met wat zij heeft aangevoerd twijfel heeft doen ontstaan aan de juistheid van de besluitvorming door het UWV. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
9. Het UWV is ermee bekend dat eiseres fysieke klachten heeft. De verzekeringsarts B&B heeft de medisch objectiveerbare beperkingen die uit deze klachten voortkomen vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) in de rubrieken 3 (fysieke omgevingseisen), 4 (dynamische handelingen) en 5 (statische houdingen). De verzekeringsarts B&B heeft in zijn rapport van 14 juni 2024 uitgelegd dat er reden is om de eerder door de verzekeringsarts opgestelde FML aan te passen, waaronder op item 5.1 (zitten). Daarbij is aangegeven dat eiseres, gelet op haar medische problematiek, ongeveer een half uur achtereen kan zitten.
9.1.
Eiseres stelt dat er onvoldoende rekening is gehouden met de chronische pijn aan haar heupen. Hierdoor is het niet mogelijk om langer dan 20 minuten achtereen te zitten, aldus eiseres. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar een intakeverslag van psychiater R. Krebs van juni 2024, een brief van huisarts C. de Boer-Schut van 28 juli 2025, de tussenevaluatie van psychosomatisch therapeut W. Adams van 5 september 2025, en de tussenevaluatie van fysiotherapeut C. Ranzijn van 22 juli 2025. Deze behandelend therapeuten hebben medisch objectiveerbaar vastgesteld dat eiseres chronisch pijn heeft. Tot slot verwijst eiseres naar een rapport van Ipsos I&O (van september 2024) over ervaringen van Nederlanders met chronische pijn.
9.2.
De verzekeringsarts B&B heeft in zijn rapportage van 23 december 2024 toegelicht dat er met de aangenomen beperkingen in voldoende mate tegemoetgekomen is aan de ervaren klachten en belemmeringen van eiseres. In de aanvullende rapportages van 21 oktober 2025 en 16 december 2025 heeft de verzekeringsarts B&B verder toegelicht dat de door eiseres ingebrachte medische informatie van meer dan twee jaar na datum in geding dateert. Daarnaast hebben de brieven van de fysiotherapeut, de psychosomatisch therapeut en het intakeverslag van de psychiater ook inhoudelijk betrekking op een situatie ruim na de datum in geding. Ook worden in deze brieven geen medisch objectiveerbare gegevens ingebracht, anders dan de door eiseres ervaren klachten. De verzekeringsarts B&B merkt daarbij op dat niet wordt ontkent dat eiseres chronische pijn ervaart. Het rapport van Ipsos I&O gaat over een onderzoek naar de ervaringen van chronische pijn en is daardoor niet terug te voeren op een individu, aldus de verzekeringsarts B&B.
9.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts B&B. Zoals de verzekeringsarts B&B ook in zijn rapportage van 16 december 2025 aangeeft, zijn partijen het met elkaar eens dat eiseres chronisch pijn heeft. Tussen partijen bestaat verschil van mening over hoelang eiseres achtereen kan zitten. Het is de rechtbank duidelijk dat eiseres veel beperkingen ervaart door haar pijnklachten en dat eiseres deze beperkingen niet helemaal terugziet in de beoordeling van de verzekeringsarts B&B. Maar volgens vaste rechtspraak is niet de persoonlijke klachtbeleving van iemand bepalend, maar moeten de beperkingen – inclusief de omvang daarvan – medisch objectiveerbaar zijn. [1] De rechtbank stelt vast dat het UWV erkent dat eiseres lijdt aan chronische pijn, maar waar eiseres en het UWV concreet over van mening verschillen is hoe lang eiseres achtereen kan zitten. Eiseres stelt dat zij niet langer dan 20 minuten achtereen kan zitten, wat betekent dat zij de bewijslast heeft om dat aannemelijk te maken. Uit de door eiseres ingebrachte medische stukken kan dat niet worden afgeleid. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Eiseres stelt dat zij al jaren bekend is met een chronisch pijnsyndroom, wat een grote impact heeft op haar energiehuishouding. Daarnaast is door de behandelaren van eiseres vastgesteld dat ze distress heeft. Een urenbeperking is daarom op zijn plaats, aldus eiseres. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar het intakeverslag van psychiater R. Krebs van juni 2024 en de brief van huisarts C. de Boer-Schut van 28 juli 2025, waaruit blijkt dat zij intense vermoeidheid ervaart en iedere middag een paar uur slaapt.
10.1.
De verzekeringsarts B&B heeft in de rapportage van 16 december 2023 toegelicht dat er op basis van de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid geen medische indicatie is om een urenbeperking aan te nemen. Daarvoor zijn de medische feiten, het dagverhaal en de door de primaire verzekeringsarts aangegeven beperkingen van belang. Er is op de datum in geding namelijk geen sprake van een dusdanig ernstige stoornis dat substantiële moeheid of energieverlies hieruit kan volgen en de geclaimde ernstige vermoeidheid is daarmee niet geobjectiveerd. De rechtbank kan deze toelichting van de verzekeringsarts B&B volgen. Ook de verwijzing van de verzekeringsarts B&B naar het dagverhaal van eiseres kan de rechtbank volgen, omdat hieruit niet blijkt van een dusdanige recuperatie dat een urenbeperking noodzakelijk is. Ten aanzien van het intakeverslag van psychiater R. Krebs overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts B&B terecht heeft opgemerkt dat eiseres bij de primaire verzekeringsarts niet heeft aangegeven dat zij psychische klachten heeft. Daarbij merkt de rechtbank op dat de informatie van de psychiater ziet op behandeling dat ruim na de datum in geding is aangevangen. De verzekeringsarts B&B heeft hiermee voldoende uiteengezet dat er geen aanleiding is voor een urenbeperking. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Omdat er geen twijfel bestaat aan de beoordeling van de verzekeringsarts B&B, ziet de rechtbank geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen. De rechtbank betrekt daarbij dat eiseres in deze procedure ook in staat is geweest om diverse medische stukken in te brengen die naar zijn aard geschikt zijn om het medisch oordeel van de verzekeringsartsen (B&B) van het UWV te bestrijden. Eiseres heeft daarom niet in bewijsnood verkeerd. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
De arbeidskundige beoordeling
12. Eiseres vindt de drie geselecteerde functies niet geschikt door de pijn aan haar heupen. De arbeidsdeskundigen van het UWV gaan bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid uit van de beperkingen die de verzekeringsartsen in de FML hebben vastgelegd. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld, heeft de verzekeringsarts B&B die belastbaarheid juist weergegeven. De arbeidsdeskundige B&B mocht daarom bij het bepalen van de functies uitgaan van deze beperkingen. De arbeidsdeskundige B&B heeft voldoende adequaat gemotiveerd waarom deze functies geschikt zijn en de rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen.

Conclusie en gevolgen

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het UWV terecht de ZW-uitkering van eiseres heeft beëindigd. Het beroep is daarom ongegrond.
13.1.
De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb aanleiding om het UWV in de door eiseres gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-. Voor de kosten in beroep gaat het om 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1. Ook moet het UWV het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het UWV aan eiseres het betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt;
  • veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. Kool, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Centrale Raad van Beroep 19 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1684, overweging 4.7.